Strafrecht overig
Diefstal d.m.v. braak van kassalade, art. 311.1.5 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Kon hof…
ECLI:NL:HR:2026:1506 · Hoge Raad · 22 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1506
Zaakgegevens
Op 22 september 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Datum publicatie
- 17 september 2026
- Zaaknummer
- 24/02409
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1506
Samenvatting
Diefstal d.m.v. braak van kassalade, art. 311.1.5 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Kon hof oordelen dat het verdachte was die inbraak heeft gepleegd? 2. Kon hof voor bewijs meewegen dat verdachte geen redelijke, redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven voor f&o die redengevend moeten worden geacht voor bewijs van tlgd. feit? 3. Kon hof bij bewijsvoering betrekken dat door politie onder aan trap aangetroffen fiets van verdachte was dan wel dat hij heeft bekend dat fiets van hem was?
HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft in zijn nadere bewijsoverwegingen acht geslagen op verweer van verdediging dat verdachte lichte schoenen aanhad, terwijl op camerabeelden uit winkelcentrum een persoon te zien is met zwarte schoenen. Hof heeft dit verweer terzijde geschoven, omdat kleuren kunnen verspringen op nachtbeelden. Dit feitelijke oordeel, dat tevens steun vindt in het voor bewijs gebruikte relaas van verbalisant omtrent beelden afkomstig van deurbelcamera, is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Hof heeft niet onbegrijpelijk bij bewijsvoering betrokken dat verdachte geen voor redengevende f&o aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven, terwijl dit wel van hem mocht worden verwacht, in aanmerking genomen dat verdachte midden in de nacht kort na inbraak is aangetroffen op galerij (achter muurtje) in de buurt van gestolen kassalade en fiets (die qua signalement overeenkomt met fiets waarop dader met kassalade is gevlucht), terwijl ook uiterlijk signalement van verdachte overeenkomt met de op camerabeelden van winkelcentrum waargenomen dader van inbraak. Ad 3. Uit bewijsmiddelen volgt dat op camerabeelden uit winkelcentrum van dader van inbraak een persoon is te zien die wegfietst, terwijl er eerder man was komen aanfietsen op damesfiets. Over fiets die onder aan trap in nabijheid van verdachte is aangetroffen, kan o.b.v. b.m. worden gezegd dat dit grijze damesfiets betrof, terwijl uit ander b.m. blijkt dat verdachte grijze damesfiets heeft. Verder heeft hof uit (het voor bewijs gebruikte) p-v van verbalisant afgeleid dat onder aan trap aangetroffen fiets van verdachte is, omdat hij naar die fiets heeft gerefereerd als zijnde zijn fiets. Dat hof o.b.v. voorgaande heeft geconcludeerd dat fiets die in de buurt van verdachte is aangetroffen van verdachte is, is niet onbegrijpelijk.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 19 juni 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:2043Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 augustus 2026
ECLI:NL:PHR:2026:746Hoge Raad · 22 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1506
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02409
Datum 22 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 juni 2024, nummer 20-001608-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G.J.P.M. Mooren bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot constatering dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het vierde cassatiemiddel
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) de bewezenverklaring.
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.
3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en taakstraf van zestig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.