2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“Ten aanzien van uitlatingen 2 en 4
1. De verklaring van de getuige [getuige] .
Deze getuige heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 september 2022 verklaard - zakelijk weergegeven -:
[verdachte] doet de uitlatingen vanuit Viruswaarheid. De juridische kerngroep van Viruswaarheid bestaat uit zo’n 10 vrijwillige juristen. In de juridische kerngroep worden voorgenomen uitlatingen door [verdachte]/Viruswaarheid besproken. De juridische kerngroep komt in ieder geval één keer per week digitaal samen. [verdachte] geeft leiding aan de juridische kerngroep en is altijd aanwezig bij de bijeenkomsten. De uitlatingen op de tenlastelegging zijn van te voren besproken in de juridische kerngroep.
2. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van de raadkamer (gevangenhouding) d.d. 29 maart 2022 bij de rechtbank Rotterdam, inhoudende de verklaring van de verdachte:
We zijn het inderdaad niet eens met het gevoerde beleid. Wij voeren acties en dat is wat wij doen.
(...)
Ten aanzien van uitlating 4 (a en b) op 26 juni 2020:
6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2022 van de Politie Eenheid Rotterdam met documentcode 2203171300.AMB (blz. 75 e.v. van het onderzoek Kodiak). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaar:
Middels open bronnen werd onderzoek gedaan naar de door de verdachte [verdachte] verspreide berichten.
Met de zoekslag (“[verdachte]” op persoonlijke titel), in Google, zijn meerdere krantenartikelen over het verboden protest op 28-06-2020 te vinden.
Een artikel is uitgebracht op 26 juni 2020 om 19:06. Daarin staat dat [verdachte] ondanks het verbod op de demonstratie op 28 juni 2020 in Den Haag alsnog volgers oproept om naar het Malieveld te komen. [verdachte] zou deze oproep hebben gedaan via een videoboodschap op Facebook.
Met dezelfde zoekslag (“[verdachte]” op persoonlijke titel) wordt ook een artikel van Hart van Nederland gevonden. Dat is uitgebracht op 26 juni 2020 om 21:21. In dit artikel staat een deel van de videoboodschap van [verdachte]. Daarin zegt hij:
“De rechter heeft Viruswaanzin verboden om de demonstratie te organiseren. Wij, op persoonlijke titel, zijn zondag op het Malieveld. Ik nodig iedereen uit te komen. Het is ons recht om te demonstreren. Dit mogen wij doen. Daar kan niemand ons bij tegenhouden en we hebben heel veel organisaties achter ons.”
Op dit punt lijkt er knip in de video te zijn. Waarschijnlijk door Hart van Nederland om de videoboodschap van [verdachte] korter te maken. [verdachte] gaat verder en zegt:
“Dit is ons land en het is afgelopen. Het is afgelopen met deze onzin. Wij gaan demonstreren zondag op het Malieveld. Niet namens Viruswaanzin, wel in de geest van Viruswaanzin, dus ik hoop dat jullie allemaal mee komen. In liefde en geduld. Natuurlijk non violent en non cooperation.”
Het artikel verwijst ook naar een ander artikel van Hart van Nederland, met een link. Dit artikel is uitgebracht op 26 juni 2020 om 15:14. Hierin staat een link naar de videoboodschap. Op 28-02-2022 werd een screenshot gemaakt van deze pagina. De screenshot is als bijlage 18 toegevoegd aan dit proces-verbaal.
[volgt screenshot met als tekst boven de link naar de videoboodschap:
“Demonstratie van Viruswaanzin opnieuw verboden, betogers gaan toch”,
en als tekst onder de link naar de videoboodschap:
“Ze mogen van de Haagse burgemeester Remkes niet komen maar ze zijn toch van plan om te gaan, de betogers van protestgroep Viruswaanzin willen zondag opnieuw gaan protesteren op het Malieveld, “Wij gaan op persoonlijke titel”, vertelt [verdachte], kopstuk van de actiegroep. Daarbij nodigt hij, in een videoboodschap, iedereen uit om ook te komen naar het Malieveld. [verdachte] zegt dat hij zich niet laat tegenhouden, “Maak je geen zorgen, we openen de snelwegen als dat moet. Dit is ons land en het is afgelopen. Het is afgelopen met deze onzin. Wij gaan demonstreren zondag op het Malieveld. Niet namens Viruswaanzin, wel in de geest van Viruswaanzin.” [verdachte] zegt ook dat Viruswaanzin een kort geding heeft aangespannen, “maar daar hebben we niet heel veel vertrouwen in, en we gaan er ook niet op wachten. Het zou fijn zijn als de rechter ons daarin gelijk geeft zodat Viruswaanzin de demonstratie toch kan organiseren, maar wij zijn zondag als privaat persoon, als burger, op het Malieveld omdat het ons Malieveld is.” Lees ook: ‘Coronavirus? Wij zijn banger voor het tirannie-virus!’]
7. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2025 verklaard - zakelijk weergegeven -:
De uitlating: “De rechter heeft viruswaanzin verboden om de demonstratie te organiseren. Wij, op persoonlijke titel, zijn zondag op het Malieveld. Ik nodig iedereen uit te komen. Het is ons recht om te demonstreren. Dit mogen wij doen. Daar kan niemand ons bij tegenhouden en we hebben heel veel organisaties achter ons”.
“Dit is ons land en het is afgelopen. Het is afgelopen met deze onzin. Wij gaan demonstreren op zondag op het Malieveld. Niet namens Viruswaanzin, wel in de geest van Viruswaanzin, dus ik hoop dat jullie allemaal mee komen. In liefde en geduld. Natuurlijk non violent en non cooperation”, heb ik op 26 juni 2020 te 13.40 uur geplaatst. De livestream van 26 juni 2020 is op het account van viruswaarheid geplaatst. Dat account had toen volgens mij al tienduizenden volgers.
De tekst: “Ongelooflijk maar waar, ik had niet voor mogelijk gehouden dat de dictatuur zich zo erg liet kennen. We kunnen nu spreken van het ophouden van de democratische rechtsstaat.” (...) “We gaan naar Den Haag. Ik kan je zeggen we gaan naar Den Haag.” (...) “Het is niet tegen te houden. Bouw in Verzet die komt waarschijnlijk met 500 trekkers dus maak je geen zorgen. We openen de snelwegen als dat moet.” (...) “Wat heel goed afgelopen keer heeft gewerkt is dat iedereen alert was en heel veel heeft opgenomen daardoor is het niet gelukt om ons te framen of weg te zetten. Dit gaan we weer doen. We zullen ook een hele duidelijke instructie geven over hoe het nog beter kan. En dit kunnen we niet laten gebeuren mensen. Gister einde van de rechtsstaat vandaag weer de politiek die onze rechten afneemt. Hoe duidelijk moet het worden? Hoe duidelijk moet het worden? Natuurlijk hebben we weer een spoed kort geding aangetekend, maar daar hebben we niet heel veel vertrouwen in en er ook niet op wachten.” (...) “Tot snel mensen we gaan er een feestje van maken zondag op het Malieveld.”, moet voor deel b van de ten laste gelegde tekst worden gevoegd. Ik was blij met de omstandigheid dat meerdere groepen zich bij ons wilden aansluiten.
8. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 november 2022 verklaard - zakelijk weergegeven -:
U toont mij de livestream die door mij is geplaatst op Facebook op 26 juni 2020. De video die u mij toont is de opgenomen originele en correcte facebooklivestream. De video is dus meer dan slechts de tekst die op de tenlastelegging is terechtgekomen. We hebben de omstandigheid dat de eerdere demonstratie uit de hand is gelopen meegenomen.
9. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 22 mei 2024 verklaard - zakelijk weergegeven -:
U zegt mij dat u in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg hebt gelezen dat het filmpje van Facebook op de terechtzitting van 21 november 2022 is vertoond. U vraagt mij of dat klopt. Dat klopt, er is een kopie van het filmpje vertoond. De tekst zoals is uitgeschreven in het vonnis komt zowel overeen met de tekst in de kopie als met de tekst in het - veronderstelde - originele filmpje.
10. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan ter terechtzitting van 21 november 2022 op basis van een getoonde video van een livestream op Facebook van de verdachte van 26 juni 2020, die zakelijk weergegeven het volgende inhoudt:
“Hoi beste mensen, sommigen van jullie hebben het nieuws misschien al gehoord. Ongelooflijk maar waar, ik had niet voor mogelijk gehouden dat de dictatuur zich zo erg liet kennen. We kunnen nu spreken van het ophouden van de democratische rechtsstaat. Gister hebben we gewraakt, omdat we niet het vertrouwen hadden in de rechter om een onafhankelijk oordeel te kunnen vellen. Vandaag hebben we te horen gekregen dat de aanmelding voor de demonstratie zoals we die vorige week hebben gedaan hebben we die deze week weer gedaan. We gaan naar Den Haag. Ik kan je zeggen we gaan ook naar Den Haag. Wat we niet begrijpen is dat de argumenten dat er een festival zou zijn dat het hoofdargument was om te verbieden. We hebben er deze keer geen festival van gemaakt. We hebben intensief contact met de politie gehouden, Staatsbosbeheer stond er achter en toch heeft de gemeente het weer verboden. Voor mij is er geen twijfel over dat dit een politieke zaak is. De rechter heeft viruswaanzin verboden om de demonstratie te organiseren. Wij, op persoonlijke titel, zijn zondag op het Malieveld. Ik nodig iedereen uit te komen. Het is ons recht om te demonstreren, dit mogen wij doen daar kan niemand ons bij tegenhouden en we hebben heel veel organisaties achter ons. Het is niet tegen te houden. Bouw in Verzet die komt waarschijnlijk met 500 trekkers dus maak je geen zorgen. We openen de snelwegen als dat moet. Dit is ons land en het is afgelopen. Het is afgelopen met deze onzin, wij gaan demonstreren; zondag op het Malieveld. Niet namens Viruswaanzin wel in de geest van Viruswaanzin dus ik hoop dat jullie allemaal mee komen. In liefde en geduld, natuurlijk non violent non cooperation. Wat heel goed afgelopen keer heeft gewerkt is dat iedereen alert was en heel veel heeft opgenomen daardoor is het niet gelukt om ons te framen of weg te zetten. Dit gaan we weer doen. We zullen ook een hele duidelijke instructie geven over hoe het nog beter kan. En dit kunnen we niet laten gebeuren mensen. Gister einde van de rechtsstaat vandaag weer de politiek die onze rechten afneemt. Hoe duidelijk moet het worden? Hoe duidelijk moet het worden? Natuurlijk hebben we weer een spoed kort geding aangetekend, maar daar hebben we niet heel veel vertrouwen in en we gaan er ook niet op wachten. Het zou fijn zijn als de rechter ons daarin gelijk geeft zodat Viruswaanzin toch nog de demonstratie kan organiseren maar wij zijn zondag als privaat persoon als burger op het Malieveld omdat het ons Malieveld is. Oké, later meer. Ik snap dat het iets minder prettig voelt gister voelde eigenlijk als een overwinning, vandaag is weer een tegenslag maar dit zal zo door blijven gaan. We hebben nog heel veel te doen. Tot snel mensen we gaan er een feestje van maken zondag op het Malieveld.”
11. Een geschrift, zijnde een besluit van de plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio Haaglanden van 26 juni 2020, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Viruswaarheid
t.a.v. [betrokkene 1]
Datum: 26 juni 2020
Onderwerp: uw demonstratie van 28 juni a.s.
U hebt kennisgeving gedaan van een demonstratie op 28 juni 2020. U wilt van 13.00 tot 17.00 uur met 50.000 personen op het Malieveld demonstreren.
Tijdens een gesprek op 25 juni jl. hebt u opgemerkt dat niet uitgesloten kan worden dat daadwerkelijk dermate veel personen aan uw demonstratie willen deelnemen. Er zou ook 20.000 tot 25.000 personen aan uw demonstratie kunnen deelnemen. Dit acht ik realistisch.
Op 21 juni jl. hebben immers, zelfs na een door de rechter bekrachtigd verbod, circa 4.000 personen deelgenomen aan een demonstratie van Viruswaanzin op het Malieveld. Degenen die opriepen tot deze demonstratie zijn dezelfde als voor onderhavige demonstratie en ook het onderwerp van de demonstratie is hetzelfde. Verder heb ik geconstateerd, dat u opnieuw breed oproept via diverse mediakanalen (waaronder social media) om deel te nemen aan de demonstratie en dat uw boodschap gehoor en bijval krijgt. Vanuit diverse informatiekanalen is bovendien gebleken dat meerdere groeperingen plannen hebben om aan te sluiten bij de demonstratie, zoals harde kern voetbalsupporters, Gele Hesjes, motorrijders/OMG leden en de actiegroep ‘Bouw in verzet’.
Gelet op de ervaringen met (demonstratieve acties van) deze groeperingen moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat hun aanwezigheid leidt tot wanordelijkheden. Dit is ook tijdens de zeer onrustig verlopen demonstratie van 21 juni jl. gebleken. Meerdere groeperingen, waaronder harde kern voetbalsupporters, begaven zich onder de demonstranten en veroorzaakten ongeregeldheden. Hierdoor heeft de politie moeten optreden en uiteindelijk meer dan 400 aanhoudingen moeten verrichten. Het is bepaald een reële zorg dat uw organisatie slechts in zeer geringe mate grip heeft op deze personen. Dit kan niet alleen leiden tot confrontaties tussen uw ordedienst en deze personen, maar daardoor bestaat ook het gevaar dat zij zich niet zullen houden aan de minimale onderlinge afstand van 1,5 meter. Ook tijdens de eerdergenoemde demonstratie van 21 juni jl. bleek dat de aanwezigen op het Malieveld zich niet aan de 1,5 meter norm hielden. Hierdoor ontstaat tevens het gevaar, dat de politie zal moeten optreden bijvoorbeeld omdat de demonstratie beëindigd dient te worden. Dit kan leiden tot ernstige wanordelijkheden, waardoor ook andere deelnemers aan uw demonstratie in het gedrang kunnen komen. Dit levert voor alle aanwezigen, waaronder ook de hulpdiensten, niet alleen zeer onveilige situaties op, maar in dat scenario valt de minimale onderlinge afstand van 1,5 meter ook niet meer aan te houden. Gelet op het voorgaande, acht ik het plaatsvinden van uw demonstratie niet verantwoord. De gezondheid en veiligheid van de bezoekers van het Malieveld kan onder de genoemde omstandigheden niet gewaarborgd.
Besluit
Hierbij besluit ik, op grond van artikel 39 Wet veiligheidsregio’s en artikel 5 van de Wet openbare manifestaties, uw demonstratie van 28 juni a.s. te verbieden.
Ik verzoek u uw achterban over mijn besluit te informeren en aan te geven dat deze aangekondigde demonstratie niet is toegestaan in Den Haag.
De Plaatsvervangend Voorzitter van de Veiligheidsregio Haaglanden,
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Oordeel van het hof over de uitlatingen van de verdachte
Alvorens te komen tot een beoordeling van het standpunt van de verdediging, zal het hof eerst een juridisch kader schetsen. Vervolgens zal het hof ingaan op de context waarin de ten laste gelegde uitlatingen dienen te worden bezien. Aansluitend zal per uitlating worden beoordeeld of sprake is van het oproepen tot een strafbaar feit en de vraag of het opzet van de verdachte daarop was gericht. Waar nodig zal worden ingegaan op gevoerde verweren.
Bij de beoordeling of de door een verdachte gedane uitingen aansporen tot enig strafbaar feit en dus ‘opruiend’ zijn in de zin van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), komt betekenis toe aan de inhoud en de strekking van de gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien, alsmede de context waarin deze uitingen aan het publiek zijn geopenbaard (vgl. Hoge Raad 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2020).
Niet is uitgesloten dat ook een indirecte aansporing tot enig strafbaar feit kan worden aangemerkt als opruiing (vgl. Hoge Raad 24 maart 2020, ECLI:NL:HR: 2020:447).
In het begrip ‘opruiing’ als bedoeld in artikel 131, eerste lid, Sr ligt opzet besloten. Voor een bewezenverklaring van opruiing is daarom ten minste vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitingen derden aansporen tot strafbaar gedrag of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (vgl. Hoge Raad 5 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1573).
Het hof overweegt met de rechtbank dat opruiing een abstract gevaarzettingsdelict is. Het strafbare feit waartoe wordt opgeroepen kan een misdrijf of overtreding zijn en hoeft zich niet daadwerkelijk voor te hebben gedaan. De personen die kennisnemen van de oproep hoeven bovendien niet te weten dat in de oproep een (bepaald) strafbaar feit besloten ligt. Datzelfde geldt voor de persoon die de oproep doet. Ook hoeft het concrete delict waartoe wordt opgeroepen niet te worden benoemd. De oproep tot het strafbare feit kan in algemene termen worden geuit, waarvan het in het maatschappelijk verkeer duidelijk is dat daarmee een strafbare gedraging wordt bedoeld.
Context waarin de uitlatingen zijn gedaan: coronacrisis
Aangezien de context waarin de uitingen van de verdachte aan het publiek zijn geopenbaard van belang kan zijn, zal het hof net als de rechtbank eerst daarbij stilstaan. Het hof baseert die context op feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, zoals bedoeld in artikel 339 Sv. Deze feiten of omstandigheden zijn door de procespartijen ook niet betwist.
Ten tijde van het tenlastegelegde was er in Nederland sprake van een crisis. Er was sprake van een pandemie in verband met het coronavirus. Net als de rechtbank zal het hof een korte tijdlijn schetsen van de voor de tenlastelegging relevante periode. Enerzijds is de context breder dan hier zal worden weergegeven. Anderzijds is voor de bewijsvoering alleen die context relevant die gelet op de pleegdatum onderbouwing kan bieden aan de bewijsbeslissingen.
In januari 2020 is de uitbraak van een nieuw coronavirus in de Chinese stad Wuhan nieuws in Nederland. In Europa zijn de eerste coronabesmettingen. De eerste coronapersconferentie vindt in februari plaats en aangekondigd wordt dat zo nodig maatregelen worden getroffen om verspreiding van het virus tegen te gaan.
Kort daarna, op 27 februari 2020, is de eerste coronabesmetting in Nederland. Op 11 maart 2020 is volgens de Wereldgezondheidsorganisatie sprake van een pandemie, waarna op 12 maart 2020 de eerste coronamaatregelen gaan gelden om het coronavirus te bestrijden, zoals handen wassen, in de elleboog niezen en geen handen meer schudden. Halverwege maart gaat Nederland in gedeeltelijke lockdown en sluiten horeca, scholen en kinderopvang. Gelijktijdig wordt een noodpakket aan maatregelen aangekondigd om banen en inkomens te beschermen. Op 23 maart 2020 is Nederland in een ‘intelligente lockdown’.
In juni 2020 worden bepaalde coronamaatregelen losgelaten, zo worden de horeca en de cultuursector - met beperkingen - geopend. Tegelijkertijd gaan er nieuwe coronamaatregelen gelden, zo wordt het dragen van een niet-medisch mondkapje in het openbaar vervoer verplicht. In de zomer van 2020 leven wij met elkaar in een ‘anderhalve meter samenleving’. In het najaar en de winter van 2020 is er een tweede golf en gaat Nederland wéér in een lockdown, eerst gedeeltelijk en rond de feestdagen in december geheel.
In verband met de oplopende besmettingen wordt eind januari 2021 een avondklok ingevoerd. In de lente van 2021 nemen de besmettingen af en de samenleving gaat voorzichtig weer open. In de herfst van 2021 laait het virus weer op. De avondlockdown wordt ingesteld. In december 2021 zijn er grote zorgen om de nieuwe variant van het coronavirus: Omikron. In de decembermaand van 2021 gaat Nederland weer in lockdown (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-tijdlijn, geraadpleegd op 18 maart 2025).
Door het stijgend aantal COVID-patiënten in ziekenhuizen, liep de druk op de zorg enorm op. De ziekenhuizen kampten door de hoge werkdruk en besmettingen onder het personeel ook nog eens met een hoog ziekteverzuim. Ook waren er grote zorgen over het aantal beschikbare bedden op de intensive care-afdelingen van de ziekenhuizen en de gevolgen van de mede in verband daarmee uitgestelde zorg voor andere patiënten. De druk op de gezondheidszorg en de grote zorgen daarover speelden een belangrijke rol gedurende de pandemie.
Het voorgaande laat zien dat Nederland een ongekende periode doormaakte. De pandemie creëerde in Nederland angst en onzekerheid over het verloop van het coronavirus en de gevolgen daarvan. In een relatief korte periode zijn in Nederland (en overigens ook in een groot aantal andere landen) veel beperkende maatregelen door de overheid getroffen, waarbij steeds een balans moest worden gezocht tussen verschillende belangen. De verplichting van de overheid om de gezondheid van burgers te beschermen conflicteerde met vrijheden van diezelfde burgers.
Beoordeling van de tenlastegelegde uitlatingen
De verdachte heeft in de periode van 19 juni 2020 tot en met 16 november 2021 op verschillende momenten de zes in de tenlastelegging opgenomen uitlatingen gedaan op het internet. Hij deed dat in filmpjes en/of in tekstberichten.
Voordat de uitlatingen door/voor de verdachte op Twitter of Facebook openbaar werden gemaakt werden deze besproken met een juridische kerngroep bestaande uit zo’n tien juristen. De kerngroep kwam in ieder geval één keer per week digitaal samen. De verdachte gaf leiding aan de kerngroep en was altijd aanwezig bij de bijeenkomsten. Uit deze vaststellingen wordt afgeleid dat de inhoud van de uitlatingen door de verdachte goed is overdacht en de bewoordingen bewust zijn gekozen.
Van opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (zoals ten laste is gelegd op basis van artikel 131 Sr) is in de onderhavige strafzaak geen sprake; daarover zijn alle procespartijen het eens. Daarvan wordt de verdachte vrijgesproken.
Het hof zal hierna per uitlating wel ingaan op de vraag of het aanspoorde tot enig (ander) strafbaar feit. Dat is namelijk de strafrechtelijke vraag die in deze zaak aan de orde is. Niet elke oproep die (voor de overheid) onwelgevallig is, is ook meteen strafbaar; alleen die uitingen die oproepen tot (het plegen van) een strafbaar feit, zijn strafbaar. Dat is de grens die wetgever met reden heeft getrokken. Daarom moet het hof zorgvuldig beoordelen of een bepaalde uitlating aanspoort tot overtreding van een delictsomschrijving, zoals die in de wet (of eventueel in andere regelgeving) is neergelegd.
(...)
Inleiding ten aanzien van de uitlatingen 3 en 4, te weten het oproepen tot het overtreden van demonstratieverboden
De verdachte heeft met Viruswaanzin (later stichting Viruswaarheid.nl) op 21 en 28 juni 2020 een demonstratie georganiseerd op het Malieveld in Den Haag en deze aangemeld bij de gemeente Den Haag. In beide gevallen heeft de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio Haaglanden de demonstratie verboden, bij besluiten van respectievelijk 19 en 26 juni 2020. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft de verboden bekrachtigd, bij uitspraken van respectievelijk 19 en 27 juni 2020.
(...)
Uitlatingen 4a en 4b
“De rechter heeft Viruswaanzin verboden om de demonstratie te organiseren. Wij, op persoonlijke titel, zijn zondag op het Malieveld. Ik nodig iedereen uit te komen. Het is ons recht om te demonstreren. Dit mogen wij doen. Daar kan niemand ons bij tegenhouden en we hebben heel veel organisaties achter ons” en/of “Dit is ons land en het is afgelopen. Het is afgelopen met deze onzin. Wij gaan demonstreren zondag op het Malieveld. Niet namens Viruswaanzin, wel in de geest van Viruswaanzin, dus ik hoop dat jullie allemaal mee komen. In liefde en geduld. Natuurlijk non violent en non cooperation”.
Deze tekst heeft de verdachte uitgesproken in een livestream op Facebook op 26 juni 2020. De uitlating bevat een duidelijke en directe oproep om op 28 juni 2020 te gaan demonsteren op het Malieveld. De woorden in de uitlating ‘niemand kan ons tegenhouden’, ‘het is afgelopen’ en ‘het is afgelopen met deze onzin’ laten onmiskenbaar zien dat de verdachte zich niet neerlegde bij het verbod om te demonstreren. Met deze bewoordingen roept hij op tot deelname aan een demonstratie op het Malieveld op 28 juni 2020, ondanks het bij hem bekende verbod daartoe. De verdachte roept daarmee op tot het strafbare feit deelnemen aan een verboden demonstratie, zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, sub a, WOM.
Rechtmatigheid verboden demonstratie
Op 26 juni 2020 is deze demonstratie, na kennisgeving door viruswaarheid van een demonstratie op 28 juni 2020 op het Malieveld, verboden door de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio Haaglanden. Dit verbod is blijkens het besluit van die voorzitter gebaseerd op bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden en op bescherming van de gezondheid. Het verbod van de demonstratie berustte blijkens de zich in het dossier bevindende brief van de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio Haaglanden op - kort weergegeven - de volgende argumentatie.
Er is door Viruswaanzin/Viruswaarheid kennisgegeven van een demonstratie op het Malieveld gedurende vier uur met 50.000 mensen, waarna de inschatting is gemaakt dat een opkomst van 20.000 tot 25.000 personen als zeer realistisch moest worden beschouwd. Onder verwijzing naar de wanordelijkheden tijdens de (eveneens verboden) demonstratie van 21 juni 2020 en informatie dat meerdere groeperingen plannen hadden zich aan te sluiten bij de demonstratie van 28 juni 2020 (waaronder harde kern voetbalsupporters, De Gele Hesjes, Bouw in Verzet en motorrijders/OMG-leden) en de destijds geldende noodverordening op basis waarvan eenieder gehouden was een minimale onderlinge afstand van 1,5 meter aan te houden, heeft de plaatsvervangend voorzitter de demonstratie (na kennisneming van de zienswijze van Viruswaanzin/Viruswaarheid) verboden en dit kenbaar gemaakt aan Viruswaanzin/Viruswaarheid. De gezondheid en veiligheid van de bezoekers van het Malieveld kon niet worden gewaarborgd. De kans op wanordelijkheden en het gevaar voor de gezondheid werden als te groot beschouwd.
De verdachte heeft, kort weergegeven, bepleit dat ook het hof, als strafrechter, de rechtmatigheid van het demonstratieverbod in kwestie dient te toetsen. De verdachte stelt namelijk dat het verbod onrechtmatig was en dat hij daarmee niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor zijn oproep.
Dit verweer wordt door het hof verworpen en daartoe overweegt het hof als volgt.
Zoals hiervoor reeds overwogen betreft de verdenking tegen de verdachte in dit verband ‘opruiing’. Dat is zoals gezegd een zogenaamd abstract gevaarzettingsdelict en het belang daarvan is de bescherming van de openbare orde. Meer in het bijzonder gaat het om het voorkomen dat (met bepaalde middelen) tot het begaan van strafbare feiten of van agressie tegen het openbaar gezag wordt aangezet. Met het openbaar doen van de betreffende opruiende uitlating/oproep is het delict al voltooid en is het beschermd belang (de openbare orde) direct al geschonden. Een dergelijke oproep kan zeker in de gegeven context - indien gehoor wordt gegeven aan de oproep - leiden tot wanordelijkheden en gevaar voor de gezondheid van (in ieder geval) de deelnemers aan de demonstratie, welk gevaar niet ongedaan kan worden gemaakt door een later oordeel dat de demonstratie niet verboden had mogen worden. In zo’n geval is het naar het oordeel van het hof voor de beoordeling van het opruiende karakter en de strafbaarheid van de uitlating/oproep dan ook niet relevant of op een later moment het verbod van de demonstratie (door een rechter) al dan niet rechtmatig is bevonden. De aantasting van de openbare orde en het gevaarzettende karakter van de uitlating/oproep kunnen niet ongedaan worden gemaakt door een eventueel (veel) later oordeel van de bestuursrechter dat de demonstratie niet mocht worden verboden. Reeds daarom slaagt het verweer niet.
(...)
Uitgaan van rechtmatigheid van verbod
Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt.
Tegen het besluit waarbij op grond van artikel 5 WOM voorschriften en beperkingen aan een demonstratie worden gesteld of een demonstratie wordt verboden, staat een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open. Dat brengt mee dat het de strafrechter bij een strafrechtelijke vervolging op grond van artikel 11 WOM - anders dan bij een vervolging op grond van artikel 184 Sr - in beginsel niet vrij staat te onderzoeken of zo’n besluit van de burgemeester rechtmatig is. Dit houdt onder meer verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met de onwenselijkheid dat de strafrechter anders gedwongen zou zijn om in een daarop niet toegesneden procedure, waarin het bestuursorgaan dat het betreffende besluit heeft genomen geen procesdeelnemer is, vragen onder ogen te zien tot het beantwoorden waarvan bij uitstek de bestuursrechter is toegerust en geroepen (ECLI:NL:HR:2024:1622). Het hof is, gelet op deze jurisprudentie, van oordeel dat in deze zaak door het hof ook daarom geen onderzoek hoeft te worden gedaan naar de rechtmatigheid van het demonstratieverbod, omdat kan worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het genomen besluit. Daarbij merkt het hof op dat gebruik is gemaakt van de eerdergenoemde bestuursrechtelijke rechtsgang, hetgeen ertoe heeft geleid dat de bezwaren van de verdachte/Viruswaarheid tegen het demonstratieverbod zowel bij de voorzieningenrechter (ECLI:NL:RBDHA:2020:5865), als in de bezwaarprocedure, als in de beroepsprocedure (ECLI:NL:RBDHA:2022:2467) niet hebben geleid tot het oordeel dat de demonstratie niet mocht worden verboden, zodat daarin geen aanleiding kan worden gezien om af te wijken van dat uitgangspunt. Ook daarom slaagt het verweer in kwestie niet.
Opzet op aansporing demonstreren ondanks verbod
Het opzet van de verdachte was er ook op gericht dat derden werden aangespoord tot het deelnemen aan de verboden demonstratie, strafbaar gesteld in artikel 11 WOM.
Het hof betrekt hierbij de bewoordingen van de ten laste gelegde uitlating, maar ook de context daarvan, in het bijzonder de uitlatingen van de verdachte zoals hierboven weergegeven. De stelling van de verdachte dat hij slechts opriep tot het deelnemen aan een demonstratie tegen het verbieden van een demonstratie stelt het hof - eveneens mede gelet op de bewoordingen en context - als ongeloofwaardig terzijde.
Nu het hof het in dit kader gevoerde verweer op alle onderdelen heeft verworpen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich met uitlating 4 (a en b) schuldig heeft gemaakt aan opruiing.”
2.2.4
Het hof heeft verder onder meer overwogen:
“Strafbaarheid van het feit
Beroep op artikelen 10 en 11 EVRM
De verdachte heeft onder aanhaling van citaten van de Venetië Commissie bepleit dat ook oproepen tot demonstreren (ook als sprake is van een verboden demonstratie) valt onder de reikwijdte van de door de artikelen 10 en 11 van het EVRM (recht op vrijheid van meningsuiting en recht op vreedzame vergadering en vrijheid van vereniging) geboden bescherming. In vervolg daarop is bepleit dat een oproep tot demonstreren niet strafbaar is, zolang die demonstratie of oproep daartoe maar vreedzaam is, ook al is de betreffende demonstratie verboden.
Het hof stelt voorop dat de door het EVRM gewaarborgde vrijheden niet absoluut zijn. Het onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en het onder meer in artikel 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van vergadering staan niet in de weg aan een beperking van die rechten als zo’n beperking op grond van artikel 10, tweede lid en artikel 11, tweede lid, van het EVRM is toegelaten, te weten: als deze beperking bij de wet is voorzien, een gerechtvaardigd doel dient en in een democratische samenleving noodzakelijk is. Daarbij kan - onder meer - worden gedacht aan de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, en de bescherming van de rechten van anderen.
Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval (telkens) sprake is van een geoorloofde beperking van de grondrechten van de verdachte, waaronder de vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering.
Daarbij stelt het hof voorop dat opruiing, zoals bewezenverklaard, bij wet strafbaar is gesteld en de bestraffing daarvan noodzakelijk is in een democratische samenleving.
Ten aanzien van de bewezen verklaarde opruiing onder 4 overweegt het hof voorts als volgt.
Blijkens het hiervoor genoemde besluit d.d. 26 juni 2020 is een individueel bepaalde demonstratie van 28 juni 2020, waarvan kennis was gegeven, verboden, zodat geen sprake is van een algeheel verbod tot demonstreren. Dat verbod is volgens dat besluit zoals eerder overwogen afgegeven vanwege onder meer ‘de bescherming van de gezondheid’, met daarbij een toelichting van de destijds bestaande context. Het verbod werd dus mede ingegeven vanwege de risico’s van verspreiding van het coronavirus en was niet gebaseerd op doel en strekking van de demonstratie. Gelet op de destijds bestaande situatie (de Covid-pandemie en de daarmee gepaard gaande onzekerheden over het verloop en de gevolgen daarvan, ook voor de gezondheidszorg) was er naar het oordeel van het hof een ‘pressing social need’ voor het opleggen van beperkingen ten aanzien van de uit de artikelen 10 en 11 EVRM voortvloeiende vrijheden.
Reeds daarom slaagt het verweer van de verdachte niet; de bescherming van de gezondheid rechtvaardigde dat niet gedemonstreerd mocht worden, ook al zou dat (of de oproep daartoe) vreedzaam zijn.
Het verbod was blijkens het besluit van de voorzitter daarnaast gebaseerd op bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden, mede naar aanleiding van de demonstratie van 21 juni 2020 (die ook was verboden), waarbij zich wanordelijkheden hadden voorgedaan.
In dat verband wijst het hof, net als de rechtbank, op uitlatingen van de verdachte die ook zien op zijn oproep tot demonstreren op 28 juni 2020.
“Ongelooflijk maar waar, ik had niet voor mogelijk gehouden dat de dictatuur zich zo erg liet kennen. We kunnen nu spreken van het ophouden van de democratische rechtsstaat.” (...) “We gaan naar Den Haag. Ik kan je zeggen we gaan naar Den Haag.” (...) “Het is niet tegen te houden. Bouw in Verzet die komt waarschijnlijk met 500 trekkers dus maak je geen zorgen. We openen de snelwegen als dat moet.” (...) “Wat heel goed afgelopen keer heeft gewerkt is dat iedereen alert was en heel veel heeft opgenomen daardoor is het niet gelukt om ons te framen of weg te zetten. Dit gaan we weer doen. We zullen ook een hele duidelijke instructie geven over hoe het nog beter kan. En dit kunnen we niet laten gebeuren mensen. Gister einde van de rechtsstaat vandaag weer de politiek die onze rechten afneemt. Hoe duidelijk moet het worden? Hoe duidelijk moet het worden? Natuurlijk hebben we weer een spoed kort geding aangetekend, maar daar hebben we niet heel veel vertrouwen in en er ook niet op wachten.” (...) “Tot snel mensen we gaan er een feestje van maken zondag op het Malieveld.”
Tegen de achtergrond van de wanordelijkheden tijdens de demonstratie van 21 juni 2020, kunnen de weergegeven uitlatingen van de verdachte bepaald niet worden opgevat als het oproepen tot een ‘vreedzaam protest’, zodat ook de feitelijke grondslag van zijn verweer niet aannemelijk is geworden. Daarbij wijst het hof in het bijzonder op de woorden “Het is niet tegen te houden. Bouw in Verzet die komt waarschijnlijk met 500 trekkers dus maak je geen zorgen. We openen de snelwegen als dat moet.” Dat dit alles slechts metaforisch was bedoeld, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, acht het hof - gelet op de gekozen bewoordingen in hun onderling verband gelezen - ongeloofwaardig. Het verweer wordt dus verworpen.
Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte dusdanig laakbaar gedrag heeft vertoond dat daartegen - zeker gelet op de toenmalige context - strafrechtelijk optreden geboden was, zodat de daaruit voortvloeiende beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was.
Overigens is in deze zaak het strafrechtelijke optreden als geheel - waaronder ook de hierna te bespreken bestraffing - naar het oordeel van het hof niet zo ingrijpend dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het hof in deze zaak (voor een tweetal gevallen van opruiing) zal volstaan met de oplegging van een taakstraf van relatief beperkte duur en voorts dat de door de verdachte in deze zaak ondergane voorlopige hechtenis is bevolen tegen de achtergrond van een meeromvattende verdenking dan de feiten waarvoor de verdachte is veroordeeld, terwijl de tijd in voorlopige hechtenis relatief beperkt is gebleven.
De veroordeling in deze zaak is gelet op het voorgaande dus niet in strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 dan wel het recht op vrijheid van vergadering als bedoeld in artikel 11 EVRM.”
2.2.5
Het hof heeft aan de verdachte een taakstraf opgelegd van zestig uren. Het hof heeft daartoe onder meer overwogen:
“Ernst van het bewezenverklaarde
De verdachte heeft zich op verschillende tijdstippen in de bewezen verklaarde periode schuldig gemaakt aan opruiing.
Op 26 juni 2020 heeft de verdachte in een livestream op Facebook zijn volgers opgeroepen om op 28 juni 2020 te komen demonstreren op het Malieveld in Den Haag. Die demonstratie was verboden door de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio Haaglanden. Het verbod was gegrond op de bescherming van de volksgezondheid en het voorkomen van wanordelijkheden. Bij dat laatste was van belang dat kort daarvoor, te weten op 21 juni 2020, een eveneens verboden demonstratie was ontaard in een gewelddadige confrontatie tussen demonstranten en de politie. Daarbij waren meerdere mensen gewond geraakt en meer dan vierhonderd aanhoudingen verricht. Door zijn volgers toch op te roepen deel te nemen aan een verboden demonstratie, heeft de verdachte anderen aangezet tot het plegen van een strafbaar feit, te weten overtreding van artikel 11 van de Wet Openbare Manifestaties. De verdachte wist dat niet alleen zijn volgers, maar ook andere groepen zich mogelijk bij de demonstratie zouden aansluiten. Bij een massale opkomst zou het onmogelijk zijn om de destijds in het kader van de bescherming van de volksgezondheid geldende coronamaatregelen in acht te nemen, met (in ieder geval naar de destijds breed gedragen opvattingen) de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s voor in ieder geval de deelnemers aan de demonstratie. Bovendien was de kans reëel dat de demonstratie opnieuw zou leiden tot ongeregeldheden met verstoring van de openbare orde als gevolg. De verdachte was zich blijkens de inhoud van zijn uitlatingen van dat laatste risico kennelijk ook bewust. Dit alles vormde voor de verdachte kennelijk geen aanleiding om van zijn oproep af te zien.
Op 16 november 2021 heeft de verdachte daarnaast een bericht op Twitter geplaatst, waarin hij oproept te zorgen voor zoveel mogelijk infecties met het coronavirus, met name bij het jongere segment (onder de 70) zonder gezondheidsklachten. Door het plaatsen van deze oproep heeft de verdachte anderen aangespoord tot het overtreden van de coronamaatregelen die waren bedoeld om verdere verspreiding van het virus zoveel mogelijk tegen te gaan en zo het aantal (IC-)opnames in ziekenhuizen te beperken. Het is een feit van algemene bekendheid dat het grote aantal coronapatiënten heeft geleid tot overbelasting van de zorg en zijn medewerkers. Operaties moesten worden uitgesteld om coronapatiënten te kunnen behandelen. Door op te roepen te zorgen voor zoveel mogelijk infecties heeft de verdachte niet alleen de gezondheid van anderen in gevaar gebracht, maar ook het risico in het leven geroepen dat de zorgcapaciteit verder overbelast zou raken.
Strafblad van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 februari 2025. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2025 verklaard dat de onderhavige zaak een grote impact heeft op zijn leven. Hij is naar eigen zeggen niet alleen strafrechtelijk geruïneerd, maar ook op financieel vlak. Als hij zaken wil doen met een financiële instelling, krijgt hij nul op het rekest, omdat uit zijn backgroundcheck blijkt dat hij een ‘person of interest’ is. De verdachte is zijn bankrekening kwijt en kan geen verzekering afsluiten. Hij is gestopt met zijn dansschool en is het vastgoed in gegaan. Daarnaast zet hij zich nog steeds in voor de stichting "viruswaarheid’.
Afweging ten aanzien van de straf
Het hof is van oordeel dat de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de inbreuk die daarmee is gemaakt op de rechtsorde de oplegging van een onvoorwaardelijke (taak) straf rechtvaardigt, zoals ook de advocaat-generaal heeft gevorderd. Op die manier ervaart de verdachte ook dat zijn handelen strafrechtelijke consequenties heeft. Hiermee wordt ook uitdrukking gegeven aan het strafdoel van vergelding. Bij het bepalen van de hoogte van de taakstraf heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte van vier van de zes tenlastegelegde uitlatingen zal worden vrijgesproken. Verder heeft het hof in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met de relatieve ouderdom van het bewezenverklaarde, alsmede met de aannemelijk geworden omstandigheid dat de onderhavige zaak een grote impact op het leven van de verdachte heeft gehad en nog steeds heeft.
Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding daarnaast aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zich sinds zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan opruiing en ook niet wegens andersoortige verdenkingen in aanraking is gekomen met justitie. Ook heeft het hof in ogenschouw genomen dat de coronapandemie, en de daarmee gepaard gaande beperkingen en de discussie daarover, met de rol die de verdachte daarin speelde, verleden tijd is.
Vanuit het oogpunt van (generale en speciale) preventie is de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte dan ook niet langer nodig.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”
2.2.6
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2025 heeft de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Venetië Commissie
De Venetië Commissie heeft een richtlijn opgesteld waarin alle Europese jurisprudentie is meegenomen tot en met 2019.
De belangrijkste artikelen die betrekking hebben op deze specifieke demonstratie van 10 oktober 2020 wil ik u graag voorhouden.
(...)
Het oproepen valt in principe onder dezelfde bescherming van artikel 11 EVRM zolang de oproepen niet oproepen tot strafbaar feiten, waarvan het oproepen tot een demonstratie, ook als deze verboden is, is uitgezonderd.
132. Verbod als laatste redmiddel. Het verbieden van een bijeenkomst moet een laatste redmiddel zijn en mag alleen worden overwogen als een minder restrictieve reactie niet het door de autoriteiten nagestreefde doel zou bereiken. Over elk verbod of verbod op een bijeenkomst moet slechts van geval tot geval worden beslist, waarbij de legitimiteit, noodzaak en evenredigheidstoets voor elke individuele bijeenkomst moet worden uitgevoerd. Om een verbod te rechtvaardigen moet de staat bewijzen dat hij eerst heeft geprobeerd een bijeenkomst te faciliteren, of minder belastende beperkingen op te leggen. Hieruit volgt ook de verplichting om eerst te kijken of middels WOM art 6 de demonstratie toch door kan gaan in een aangepaste vorm.
(...)
133. Geen algemene verboden. Algehele wettelijke beperkingen - bijvoorbeeld het verbieden van alle bijeenkomsten gedurende bepaalde tijden, of van bepaalde locaties of openbare plaatsen die geschikt zijn voor het houden van bijeenkomsten - zijn in de regel buitensporig en vormen een schending van het recht op vrijheid van vergadering. De 10 demonstraties op 28 juni 2020, die wij hebben aangemeld in 10 verschillende steden, werden allemaal verboden. Dit geeft aan dat dit onrechtmatig was, een algeheel verbod is niet toegestaan.
(...)
Voor de volledigheid: ook de demonstratie van 28 juni verliep vergelijkbaar. Hier hebben we wederom het verbod voor de rechter gelegd en om ongeregeldheden te voorkomen juist tot een alternatieve actie hebben opgeroepen, namelijk het leggen van bananen bij rechtbanken. Zoals ook in deze stukken te zien, is daarnaast is ook expliciet opgeroepen om niet naar het Malieveld te komen.
https://nos.nl/artikel/2338714-viruswaanzin-verliest-spoedprocedure-en-roept-op-niet-naar- malieveld-te-komen
(...)
In een van de rapporten van de NCTV wordt dit ook opgemerkt.
Samenvatting
• Zeer rustige zondag de meeste corona-aandacht gaat uit naar de (verboden) demonstratie in Den Haag
• Gisteren riep actiegroep ‘Virus Waanzin’ mensen op niet te gaan demonstreren na een verloren kort geding. [verdachte]: "Wij zullen als organisatie morgen ook niet op persoonlijke titel aanwezig zijn. De heer Remkes is naar mijn idee uit op een confrontatie, in ieder geval is ons duidelijk gemaakt dat er met harde hand opgetreden zal worden. Wij nemen de verantwoordelijkheid nu om op te roepen om niet naar het Malieveld te komen. Ik heb morgen een vrije dag”
https://voorwaarheid.nl/wp-content/uploads/2022/12/Bijlage-2-VWS-Omgevingsanalyses-COVID- 19-vanaf-juni-2020.pdf pagina2
(...)
Halsema wist zelfs op 1 juni 2020 al dat het recht van demonstratie belangrijker was dan een anderhalvemetergebod.
(...)
Halsema: 1,5-meterregel geen reden om demonstratie te beëindigen
Het Parool
Je zou verwachten dat er nu, 4 jaar na dato, talloze studies zijn over de effectiviteit van de anderhalve meter. Gek genoeg is er geen enkele en mogen we er vanuit gaan, nee, moeten we er vanuit gaan dat de maatregel niet effectief is; er is niet eens moeite gedaan omdat de verwachting om iets te kunnen meten er simpelweg niet was en is.
Ook is te lezen dat het OMT uitdrukkelijk aangeeft dat er geen wetenschappelijke onderbouwing is voor duur of groepsgrootte.
Het OMT geeft aan dat er nog geen wetenschappelijke onderbouwing is voor een verantwoorde duur of groepsgrootte bij demonstraties. Gelet op het huidige niveau van besmettingen is het denkbaar om als lijn te hanteren dat de demonstratieduur zich beperkt tot twee uur. Het aantal demonstranten tot 100 en als locatie alleen aangemerkt kan worden die plek waar de 1,5 meter in voldoende mate gerealiseerd kan worden.
Afhankelijk van de (lokale) omstandigheden kan hier naar boven of naar onder van worden afgeweken. NB de beslissing om eventuele extra beperkingen op te leggen aan een demonstratie vereist een juridisch sluitende argumentatie in de zgn Wom brief
https://voorwaarheid.nl/wp-content/uploads/2021/10/06-05-2021-Gemeente-Hilversum-WOB Manifistatie-Police-for-Freedom.pdf.”
Het juridisch kader
2.3.2
Verder zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 10 EVRM, in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
- Artikel 11 EVRM, in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
2.5.4
Artikel 11 EVRM beschermt het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent dat een samenkomst waarbij de organisatoren en deelnemers gewelddadige intenties hebben, niet valt onder de reikwijdte van artikel 11 EVRM. In zijn uitspraak van 21 november 2023, nr. 56896/17 (Laurijsen e.a./Nederland) heeft het EHRM de rechtspraak over dit toepassingsbereik van artikel 11 EVRM als volgt samengevat:
“48. Article 11 of the Convention only protects the right to “peaceful assembly”, a notion which does not cover a demonstration where the organisers and participants have violent intentions. The guarantees of Article 11 therefore apply to all gatherings except those where the organisers and participants have such intentions, incite violence or otherwise reject the foundations of a democratic society (see Kudrevicius and Others, cited above, § 92).
49. In order to establish whether an applicant may claim the protection of Article 11, the Court takes into account (i) whether the assembly was intended to be peaceful or whether the organisers had violent intentions; (ii) whether the applicant demonstrated violent intentions when joining the assembly; and (iii) whether the applicant inflicted bodily harm on anyone (see Shmorgunov and Others v. Ukraine, nos. 15367/14 and 13 others, § 491, 21 January 2021). It notes that where both sides – demonstrators and police – were involved in violent acts, it is sometimes necessary to examine who started the violence (see Primov and Others v. Russia, no. 17391/06, § 157, 12 June 2014).
50. It should be noted that an individual does not cease to enjoy the right to freedom of peaceful assembly as a result of sporadic violence or other punishable acts committed by others in the course of the demonstration if the individual in question remains peaceful in his or her own intentions or behaviour. The possibility that persons with violent intentions who are not members of the organising association might join the demonstration cannot as such take away that right. Even if there is a real risk that a public demonstration might result in disorder as a result of developments outside the control of those organising it, such a demonstration does not as such fall outside the scope of paragraph 1 of Article 11, and any restriction placed thereon must be in conformity with the terms of paragraph 2 of that provision (see Kudrevicius and Others, cited above, § 94).
51. The burden of proving the violent intentions of the organisers of a demonstration lies with the authorities (see Christian Democratic People’s Party v. Moldova (no. 2), no. 25196/04, § 23, 2 February 2010).
52. In the Court’s view, although not an uncommon occurrence in the context of the exercise of freedom of assembly in modern societies, physical conduct purposely obstructing traffic and the ordinary course of life in order to seriously disrupt the activities carried out by others is not at the core of that freedom as protected by Article 11 of the Convention. This state of affairs might have implications for any assessment of “necessity” to be carried out under the second paragraph of Article 11 (see Kudrevicius and Others, cited above, § 97).”
2.5.6
Over de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, heeft het EHRM in zijn uitspraak van 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevicius e.a./Litouwen) overwogen:
“142. The right to freedom of assembly, one of the foundations of a democratic society, is subject to a number of exceptions which must be narrowly interpreted and the necessity for any restrictions must be convincingly established. When examining whether restrictions on the rights and freedoms guaranteed by the Convention can be considered “necessary in a democratic society” the Contracting States enjoy a certain but not unlimited margin of appreciation (see Barraco, cited above, § 42). It is, in any event, for the Court to give a final ruling on the restriction’s compatibility with the Convention and this is to be done by assessing the circumstances of a particular case (see Osmani and Others v. the former Yugoslav Republic of Macedonia (dec.), no. 50841/99, ECHR 2001-X, and Galstyan, cited above, § 114).
143. When the Court carries out its scrutiny, its task is not to substitute its own view for that of the relevant national authorities but rather to review under Article 11 the decisions they took. This does not mean that it has to confine itself to ascertaining whether the State exercised its discretion reasonably, carefully and in good faith; it must look at the interference complained of in the light of the case as a whole and determine, having established that it pursued a “legitimate aim”, whether it answered a “pressing social need” and, in particular, whether it was proportionate to that aim and whether the reasons adduced by the national authorities to justify it were “relevant and sufficient” (see Coster v. the United Kingdom [GC], no. 24876/94, § 104, 18 January 2001; Ashughyan v. Armenia, no. 33268/03, § 89, 17 July 2008; S. and Marper v. the United Kingdom [GC], nos. 30562/04 and 30566/04, § 101, ECHR 2008; Barraco, cited above, § 42; and Kasparov and Others, cited above, § 86). In so doing, the Court has to satisfy itself that the national authorities applied standards which were in conformity with the principles embodied in Article 11 and, moreover, that they based their decisions on an acceptable assessment of the relevant facts (see Rai and Evans, cited above, and Gün and Others, cited above, § 75; see also United Communist Party of Turkey and Others v. Turkey, 30 January 1998, § 47, Reports 1998-I, and Gerger v. Turkey [GC], no. 24919/94, § 46, 8 July 1999).
144. The proportionality principle demands that a balance be struck between the requirements of the purposes listed in paragraph 2 on the one hand, and those of the free expression of opinions by word, gesture or even silence by persons assembled on the streets or in other public places, on the other (see Osmani and Others, cited above; Skiba, cited above; Fáber, cited above, § 41; and Taranenko, cited above, § 65).
145. Freedom of assembly as enshrined in Article 11 of the Convention protects a demonstration that may annoy or cause offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote (see Stankov and the United Macedonian Organisation Ilinden, cited above, § 86). Any measures interfering with freedom of assembly and expression other than in cases of incitement to violence or rejection of democratic principles – however shocking and unacceptable certain views or words used may appear to the authorities – do a disservice to democracy and often even endanger it (see Güneri and Others v. Turkey, nos. 42853/98 and 2 others, § 76, 12 July 2005; Sergey Kuznetsov, cited above, § 45; Alekseyev, cited above, § 80; Fáber, cited above, § 37; Gün and Others, cited above, § 70; and Taranenko, cited above, § 67).
146. The nature and severity of the penalties imposed are also factors to be taken into account when assessing the proportionality of an interference in relation to the aim pursued (see Öztürk v. Turkey [GC], no. 22479/93, § 70, ECHR 1999-VI; Osmani and Others, cited above; and Gün and Others, cited above, § 82). Where the sanctions imposed on the demonstrators are criminal in nature, they require particular justification (see Rai and Evans, cited above). A peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction (see Akgöl and Göl v. Turkey, nos. 28495/06 and 28516/06, § 43, 17 May 2011), and notably to deprivation of liberty (see Gün and Others, cited above, § 83). Thus, the Court must examine with particular scrutiny the cases where sanctions imposed by the national authorities for non-violent conduct involve a prison sentence (see Taranenko, cited above, § 87).
(...)
149. (...) the freedom to take part in a peaceful assembly is of such importance that a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion (see Ezelin, cited above, § 53; Galstyan, cited above, § 115; and Barraco, cited above, § 44). This is true also when the demonstration results in damage or other disorder (see Taranenko, cited above, § 88).”