Strafrecht overig
Medeplegen (poging tot) diefstal door middel van braak (meermalen gepleegd), art. 311.1 Sr. Strafoplegging…
ECLI:NL:HR:2026:50 · Hoge Raad · 13 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-50
Zaakgegevens
Op 13 januari 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 januari 2026
- Datum publicatie
- 13 januari 2026
- Zaaknummer
- 23/02844
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:50
Samenvatting
Medeplegen (poging tot) diefstal door middel van braak (meermalen gepleegd), art. 311.1 Sr. Strafoplegging (gevangenisstraf van 156 dagen en voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden), art. 57.1 Sr. Had hof o.g.v. art. 57.1 Sr 1 straf moeten opleggen?
HR: Om redenen vermeld in CAG klaagt middel hierover terecht maar leidt het niet tot cassatie. CAG: Bewezenverklaarde levert meer dan 1 misdrijf op. Hof heeft daarvoor in strijd met art. 57.1 Sr i.p.v. 1 vrijheidsstraf 2 vrijheidsstraffen opgelegd, namelijk gevangenisstraf van 156 dagen met aftrek van voorarrest (dat volgens hof eveneens 156 dagen is) en gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met proeftijd van 2 jaren. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden. In onderling verband en samenhang bezien blijkt uit ’s hofs overwegingen in strafmotivering en dictum onmiskenbaar dat hof heeft beoogd deels onvoorwaardelijke en deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarvan onvoorwaardelijk deel 156 dagen beloopt (gelijk aan duur van reeds ondergaan voorarrest) en voorwaardelijk deel 90 dagen met aftrek a.b.i. in art. 27.1 Sr.
HR verstaat dat verdachte is veroordeeld tot gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig art. 27.1 Sr.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 10 juli 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:1508Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 november 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1065Hoge Raad · 13 januari 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:50
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02844
Datum 13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 juli 2023, nummer 22-002301-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Simo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot het verstaan dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 246 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27 lid 1 Sr en verder tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof in strijd met artikel 57 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet één straf heeft opgelegd.
Het cassatiemiddel klaagt hierover terecht, maar leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.2 tot en met 4.7. De Hoge Raad zal verstaan dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 lid 1 Sr.
3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- verstaat dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 lid 1 Sr;
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 239 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 lid 1 Sr beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.