Strafrecht overig

Conclusie AG. Middel over wettelijke rente faalt bij gebrek aan belang. Conclusie strekt tot verwerping.

Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
5 oktober 2026
Zaaknummer
24/04196
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:965
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Middel over wettelijke rente faalt bij gebrek aan belang. Conclusie strekt tot verwerping.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/04196

Zitting 6 oktober 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 6 november 2024 (parketnr. 23-001069-24) door het gerechtshof Amsterdam wegens “poging tot zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij (deels) toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel komt op tegen de bepaling dat de wettelijke rente voor de (gehele) materiële schade begint te lopen op 11 juli 2023.

4. Het hof heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij voor zover relevant het volgende overwogen:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 27.386,27, bestaande uit € 7.386,27 aan materiële schade, € 10.000,00 aan immateriële schade en € 10.000,00 aan toekomstschade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen een bedrag van € 10.026,36, bestaande uit € 2.526,39 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij de vordering aangepast tot een bedrag van € 12.526,39 en als volgt nader toegelicht:

- ten aanzien van de materiële schade: de vordering wordt gehandhaafd tot het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 2.526,39. Het overige komt te vervallen. De aangepaste vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

o € 35,00 daggeldvergoeding voor het ziekenhuis;

o € 1.078,00 mantelzorg/huishoudelijke hulp;

o € 352,00 (huishoudelijke) hulp vanaf week 36/2023;

o € 368,00 (huishoudelijke) hulp vanaf week 1/2024;

o € 60,50 kaakfysiotherapie d.d. 03-11-2023

o € 60,50 kaakfysiotherapie d.d. 22-12-2023

o € 385,00 eigen risico zorgverzekering;

o € 107,39 reiskosten;

o € 80,00 abonnementskosten sportschool voor één maand.

- ten aanzien van de immateriële schade: de vordering wordt gehandhaafd voor het oorspronkelijke bedrag van € 10.000,00.

- de stelpost toekomstschade komt te vervallen.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.526,39. De vordering is niet inhoudelijk betwist en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

(…)

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

(…)

Vordering van de benadeelde [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.026,39 (tienduizend zesentwintig euro en negenendertig cent) bestaande uit € 2.526,39 (tweeduizend vijfhonderdzesentwintig euro en negenendertig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

(…)

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.026,39 (tienduizend zesentwintig euro en negenendertig cent) bestaande uit € 2.526,39 (tweeduizend vijfhonderdzesentwintig euro en negenendertig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

(…)

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 11 juli 2023.”

5. De stellers van het middel stellen zich op het standpunt dat uit het verhandelde ter zitting volgt dat ten aanzien van volgende posten de materiële schade aanmerkelijk later is ontstaan dan op 11 juli 2023:

- € 352,00 (huishoudelijke) hulp vanaf week 36/2023;

- € 368,00 (huishoudelijke) hulp vanaf week 1/2024;

- € 60,50 kaakfysiotherapie d.d. 03-11-2023;

- € 60,50 kaakfysiotherapie d.d. 22-12-2023;

- € 385,00 eigen risico zorgverzekering;

- € 107,39 reiskosten.

Het beoordelingskader

6. In beginsel is de wettelijke rente op grond van artikel 6:83 aanhef en onder b BW zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment dat de schade die het gevolg is van de onrechtmatige gedraging, is ingetreden. Bij concrete kosten, zoals ziekenhuiskosten als gevolg van letselschade, ontstaat de schade (dus) op het moment dat bij een derde ten aanzien van deze kosten een opeisbare vordering ontstaat, dat wil zeggen: op het moment dat daadwerkelijk kosten worden gemaakt.

De beoordeling van het middel

7. Het oordeel van het hof dat de materiële schade, voor zover die ziet op de kosten voor huishoudelijke hulp, kaakfysiotherapie, het eigen risico voor de zorgverzekering en de reiskosten, is ingetreden op 11 juli 2023, is niet zonder meer begrijpelijk. Uit de onder randnummers 4 en 5 beschreven vordering van de benadeelde partij en de relevante bijlagen bij het verzoek tot schadevergoeding volgt namelijk dat de daadwerkelijke kosten voor deze posten zijn gemaakt in de periode na 11 juli 2023. De klacht is dus terecht voorgesteld.

8. De vraag rijst of de verdachte in dit geval voldoende belang heeft bij cassatie.

9. Uitgaande van het moment waarop de kosten vermeld onder randnummer 5 daadwerkelijk zijn gemaakt, betreft het verschil aan wettelijke rente vergeleken met aanvangsdatum 11 juli 2023 ongeveer € 27,-. Dat is minder dan 0,27% van de totaal toegewezen vordering van € 10.026,39.

10. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 april 2026 meen ik dat het financiële belang in dit geval te gering is.

11. Hoewel terecht voorgesteld kan het middel niet tot cassatie leiden nu de verdachte een te gering financieel belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak.

Slotsom

12. Het middel kan niet tot cassatie leiden en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga, r.o. 2.5. S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1 (Monografieën BW nr. B34), Deventer: Wolters Kluwer 2026, p. 75. Vgl. 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1558. Zie bijv. ook HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:185 (HR: 80a), waarin € 14,- een te gering financieel belang was. HR 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:684. De Hoge Raad volgde op dit punt A-G Sinnige in haar conclusie dat een bedrag van € 53,35, hetgeen 0,24% van de totale vordering betrof, werd beschouwd als een te gering financieel belang. Zie conclusie A-G Sinnige 17 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:247, onder 3.10.