Strafrecht overig

Conclusie AG. Overtredingen WWM en moord. Falend middel met verschillende bewijsklachten. Conclusie strekt…

Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
5 oktober 2026
Zaaknummer
25/03657
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:968
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Overtredingen WWM en moord. Falend middel met verschillende bewijsklachten. Conclusie strekt tot verwerping.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer25/03657

Zitting 6 oktober 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 8 oktober 2025 (parketnr. 21-001933-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens

- onder 1: “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2, meermalen gepleegd”;

- onder 2: “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II onderdeel 7, meermalen gepleegd”;

- onder 3: “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd”;

- onder 4: “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”;

- onder 5 primair: “witwassen” en

- onder 6: “moord”

veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 jaren. Daarnaast heeft het hof twee geldbedragen verbeurdverklaard, beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. In eerste aanleg was de verdachte bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 4 mei 2022 voor het onder 6 ten laste gelegde vrijgesproken.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, M.J. van Berlo en B.P.L. de Vries, allen advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel gaat over de bewezenverklaring van moord.

De bewezenverklaring en bewijsmotivering

4. De bewezenverklaring onder 6 houdt in dat de verdachte:

“op 31 december 2019 in de gemeente [plaats] , [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen meerdere malen op/in de richting van die [slachtoffer] te schieten (en deze [slachtoffer] te raken), ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.”

5. Het hof vangt zijn bewijsoverwegingen aan met vaststellingen over het moment waarop [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) werd doodgeschoten. Het slachtoffer parkeerde op 31 december 2019 in [plaats] zijn auto voor zijn woning en werd, toen hij uitstapte, onder vuur genomen. Dit gebeurde om 20:13 uur, zo leidt het hof af uit camerabeelden. Hij is toen gevlucht. Ook tijdens zijn vlucht werd hij beschoten. Uiteindelijk is hij een stukje verderop dood aangetroffen. Langs de vluchtroute zijn hulzen en ingeslagen kogels gevonden. Op de plaats delict zijn 61 hulzen, 9 patronen en 2 gedeformeerde kogels aangetroffen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er camerabeelden zijn van een deel van de vluchtroute. Daarop zijn kort achter elkaar (om 20:13 uur) schimmen van twee verschillende personen te zien.

6. Op 8 september 2020 heeft de politie in een bosperceel in [plaats] vijf tonnen aangetroffen die bij elkaar in de buurt in de grond waren ingegraven. Daarin werden vuurwapens, munitie, handgranaten en geldbiljetten bewaard. De voorwerpen waren individueel verpakt in pakketjes met stickers, sommige in doorzichtig plastic tape en sommige gewikkeld in bruine tape. Bij forensisch onderzoek van de tonnen en de daarin verborgen voorwerpen is celmateriaal aangetroffen. In 41 gevallen matcht het DNA-profiel daarvan met dat van de verdachte. Elke ton kon zodoende met de verdachte in verband worden gebracht. Er is in aantal gevallen ook DNA-materiaal aangetroffen van andere personen, maar dat aantal is aanzienlijk geringer. Het DNA-materiaal werd gevonden op verschillende wapens, het verpakkingsmateriaal en in twee gevallen ook op de tonnen zelf. Naast het aangetroffen celmateriaal werden op een aantal voorwerpen, waaronder verpakkingsmateriaal en tape, ook dactyloscopische sporen aangetroffen die door het hof aan de verdachte worden toegeschreven. Het handschrift op de stickers van de verpakkingen van de in de tonnen aangetroffen voorwerpen is vergeleken met het handschrift in een agenda die bij een doorzoeking in de woning van de verdachte in beslag is genomen. De conclusie van de handschriftdeskundige is dat de bevindingen aan de handschriften veel waarschijnlijker zijn wanneer degene die de aantekeningen in de agenda heeft geschreven ook degene is die de stickers op de verpakkingen heeft geschreven, dan wanneer dit een andere persoon betreft. Het hof concludeert hieruit dat de stickers op de verpakkingen van de in de tonnen aangetroffen voorwerpen zijn geschreven door de verdachte. Uit onder meer het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte al deze voorwerpen voorhanden heeft gehad op momenten in de periode van 1 december 2019 tot en met 8 september 2020. Onder deze voorwerpen bevond zich het moordwapen.

7. In ton 2 vond de politie namelijk een Glock 17. Uit deskundigenonderzoek leidt het hof af dat de hulzen en kogels die zijn gevonden op de plaats delict, zijn afgeschoten met essentiële onderdelen van deze Glock. Ergens na de dood van het slachtoffer en de vondst van dit wapen op 8 september 2020 is het wapen gemodificeerd, waarbij de loop werd vervangen. Op de ruwe delen en de trekker van de Glock werd een DNA-mengprofiel met minimaal twee donoren aangetroffen, waarover op 30 juli 2025 is gerapporteerd dat deze bemonstering “op basis van de piekhoogte relatief meer DNA bevat dat afkomstig kan zijn van [plaats] dan van andere donoren”. Het hof concludeert op basis van dit DNA-onderzoek dat op de ruwe delen en trekker van de Glock celmateriaal van de verdachte aanwezig was. Daarnaast is dactyloscopisch onderzoek uitgevoerd naar sporen op de verpakking van de Glock. Daaruit bleek dat op verschillende plaatsen op die verpakking en de daarvoor gebruikte tape vingersporen van de verdachte zaten.

8. Naast het voorgaande constateert het hof dat de verdachte geen alibi heeft, en dus de gelegenheid had om op 31 december 2019 het slachtoffer dood te schieten. De verdachte was ten tijde van de beschieting in [plaats] , waar hij die avond met de auto verschillende mensen heeft bezocht. Zij verklaren geen van allen dat de verdachte bij hen was op het tijdstip van het delict, om 20:13 uur. Het laatste tijdstip waarop de verdachte door een ander vóór het delict is gezien is om 20:00 uur. De vriendin van de verdachte heeft daarnaast verklaard over bellen/facetimen om 20:30/20:45 uur. Het hof heeft vastgesteld dat het vanaf alle door de verdachte opgegeven adressen ongeveer zeven tot acht minuten rijden was naar de plaats delict. De door de verschillende getuigen opgegeven tijdstippen waarop zij de verdachte (elders) hebben gezien of telefonisch hebben gesproken, zijn dus verenigbaar met het scenario waarin de verdachte het delict heeft begaan.

9. Ook stelt het hof vast dat de verdachte bij zijn aanhouding op 16 maart 2021 – nadat hij zich vrijwillig bij de politie had gemeld – niet in het bezit bleek te zijn van zijn mobiele telefoon, terwijl hij daarmee eerder die dag nog had gebeld. De verdachte verklaarde dat zijn telefoon in zijn auto zou moeten liggen, die diezelfde dag in beslag is genomen. De politie heeft die telefoon echter niet gevonden in de auto. Het hof concludeert dat de verdachte zelf zijn telefoon heeft kwijtgemaakt en dat hij daarmee heeft willen verhullen dat hij degene was die het slachtoffer heeft doodgeschoten op oudejaarsdag 2019. Daarbij betrekt het hof dat de verdachte op 16 maart 2021 omstreeks 12:31 uur, kort voordat hij zichzelf bij de politie meldde, met zijn mobiele telefoon een telefoongesprek met [betrokkene 1] voerde. In dit gesprek zegt [betrokkene 1] tegen de verdachte dat hij, de verdachte, zijn telefoon moet leegmaken en uitzetten. De verdachte zegt dan: “ja dat komt wel”.

10. In zijn nadere bewijsoverwegingen gaat het hof in op de vraag of er alternatieve scenario’s zijn, die onverenigbaar zijn met het scenario waarin de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Het hof merkt in dat verband op dat het “zich ervan bewust [is] dat tussen het moment van de moord op 31 december 2019 en het aantreffen van het moordwapen op 8 september 2020 met daarop DNA van verdachte, een tijdsbestek van 9 maanden zit.”

11. Het hof gaat in op de verklaring(en) van de verdachte, afgelegd ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep. De verdachte heeft (enkel) verklaard dat hij nog nooit de loop van een wapen heeft vervangen en dat hij in 2016-2017 met een groepje mensen wapens heeft vastgehouden, toen deze moesten worden onderhouden. Het hof merkt op dat het niet zo kan zijn dat het DNA-materiaal van de verdachte (enkel) op dat moment op het wapen is gekomen. Vast staat immers dat de Glock op 31 december 2019 is gebruikt, dat daarna de loop is vervangen en dat het wapen vervolgens is verpakt en in een ton in de grond verborgen. Gezien de vingerafdrukken op de verpakking en de tape moet de verdachte het wapen ook nog na 31 december 2019 voorhanden hebben gehad. Voor zover de verdachte heeft willen stellen dat zijn DNA-materiaal op het genoemde moment in 2016 of 2017 op het wapen terecht is gekomen, is die verklaring dus niet aannemelijk, concludeert het hof. Een andere verklaring heeft de verdachte niet gegeven.

12. Ook heeft het hof onderzocht of er buiten de verklaring van de verdachte om indicaties zijn dat de verdachte toch niet schuldig is. In dat kader merkt het hof op dat vijftien persons of interest (hierna: POI) uit het politieonderzoek naar voren kwamen, waarvan de verdachte één was. De politie heeft alle andere daarvoor in aanmerking komende POI uitgerechercheerd, waarbij ook hun DNA-profiel is vergeleken met het aangetroffen mengprofiel op de Glock. Dat heeft geen match opgeleverd. Het onderzoek bevat volgens het hof ook overigens geen concrete aanwijzingen voor (een) andere mogelijke dader(s). Het hof verwerpt tot slot het algemene scenario dat de verdachte pas na de moord de beschikking heeft gekregen over het moordwapen en zijn DNA-materiaal daardoor toen pas op het moordwapen terecht is gekomen, omdat de verklaring van de verdachte geen enkel aanknopingspunt biedt voor dit scenario. Bij die verwerping betrekt het hof dat de verdachte zelf zijn telefoon heeft kwijtgemaakt.

13. Op basis van dit alles komt het hof uiteindelijk tot de conclusie dat de verdachte de (toen nog niet gemodificeerde) Glock heeft gebruikt om op 31 december 2019 het slachtoffer te doden.

Een nadere omschrijving van het middel

14. Het middel bevat klachten over de volgende onderdelen van de bewijsmotivering:

1. De Glock 17 en de op de plaats delict aangetroffen hulzen en kogels.

2. De verwerping van het alibi-verweer.

3. De betekenis van het aantreffen van de Glock 17 met DNA-materiaal van de verdachte op 8 september 2020 en het ontbreken van een aannemelijke, alternatieve verklaring daarvoor.

(1) De Glock 17 en de op de plaats delict aangetroffen hulzen en kogels

15. De stellers van het middel klagen dat uit de bewijsmotivering niet blijkt dat de op de plaats delict aangetroffen kogels waaraan onderzoek is verricht, de kogels zijn die het slachtoffer hebben geraakt en gedood. Daarnaast voeren zij aan dat uit de bewijsmotivering niet volgt dat alle 61 kogels (waarvan de hulzen zijn gevonden op de plaats delict) zijn afgevuurd met de Glock 17.

16. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er 61 hulzen zijn gevonden op verschillende plekken op de plaats delict. Ook werden er patronen en (gedeformeerde) kogels aangetroffen. Aan drie van de hulzen en drie van de kogels afkomstig van de plaats delict is onderzoek verricht naar de vraag of deze zijn afgeschoten met de op 8 september 2020 aangetroffen Glock 17. Het hof komt op basis daarvan tot de conclusie dat de onderzochte hulzen en kogels zijn afgeschoten met essentiële delen van de Glock.

17. Cruciaal voor de bewijsredenering van het hof is de vaststelling dat er bij de schietpartij maar één dader was betrokken. Daaruit volgt de conclusie dat de persoon die de Glock 17 heeft gehanteerd, ook degene was die het slachtoffer heeft doodgeschoten. De vaststelling dat er maar één dader was, is niet onbegrijpelijk, gelet op de voor het bewijs gebruikte beschrijving van de camerabeelden (randnummer 5 en voetnoot 1). Of precies de kogels die zijn gebruikt voor het onderzoek tevens de kogels zijn die het slachtoffer dodelijk hebben geraakt, is dan niet relevant. Ook is niet van belang of alle op de plaats delict aangetroffen hulzen en kogels afkomstig zijn van die Glock. Het oordeel dat degene die de Glock heeft gebruikt het slachtoffer heeft doodgeschoten (al dan niet met gebruik van een tweede wapen), is hoe dan ook niet onbegrijpelijk.

18. Deze deelklachten falen.

(2) De verwerping van het alibiverweer

19. De stellers van het middel voeren aan dat de overwegingen van het hof op dit punt niet rijmen met wat het hof in het kader van de voorbedachte raad heeft vastgesteld, namelijk dat de dader het slachtoffer heeft opgewacht. Daaruit volgt dat volgens het hof er dus niet slechts sprake is geweest van een soort hit and run-situatie die slechts enkele minuten heeft geduurd maar van een aanmerkelijk langer durende activiteit. Daar komt nog bij dat het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer is weggerend en bij de achtervolging ook is beschoten en (pas) na 21:40 uur is aangetroffen (bewijsmiddel 1) en kort nadien (21:50 uur) is overleden. Dat de moord om 20:13 uur heeft plaatsgevonden, zoals het hof heeft overwogen, kan dus niet zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

20. Volgens mij heeft het hof in het kader van de overwegingen over voorbedachte raad vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer even (een paar minuten) heeft opgewacht. Dat is immers in lijn met de redenering van het hof over het ontbreken van een alibi (zie randnummer 8) en past ook bij de conclusie die het hof aan die vaststelling verbindt, namelijk dat de “verdachte voorafgaand aan zijn handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen of het te nemen besluit.” Dat het slachtoffer pas om 21:40 uur is aangetroffen, neemt verder niet weg dat het hof heeft kunnen concluderen dat de beschieting plaatsvond om 20:13 uur. Die conclusie is gelet op de inhoud van de camerabeelden niet onbegrijpelijk (zie randnummer 5 en voetnoot 1).

21. Ook dit deel van het middel faalt.

(3) De betekenis van het aantreffen van de Glock 17 met DNA van de verdachte op 8 september 2020 en het ontbreken van een aannemelijke verklaring daarvoor van de verdachte

22. Verder besteden de stellers van het middel veel aandacht aan de manier waarop het hof het aantreffen van de Glock met de DNA-sporen van de verdachte waardeert in combinatie met het oordeel dat de verdachte daarvoor geen aannemelijke verklaring heeft gegeven. De klachten houden in dat het hof de onschuldpresumptie heeft geschonden door betekenis toe te kennen aan het ontbreken van een aannemelijke verklaring van de verdachte, dat het oordeel dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd niet begrijpelijk is en dat uit het arrest onvoldoende blijkt dat de verdachte de Glock al op 31 december 2019 voorhanden heeft gehad en daarmee dus een moord heeft gepleegd.

23. Voor de beoordeling van deze klachten wijs ik (andermaal) op de volgende omstandigheden.

- het hof heeft opgemerkt (i) dat DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen op plekken waar een schutter en gebruiker van het wapen dergelijke sporen zou achterlaten, (ii) dat zijn vingersporen op de verpakking van het wapen zaten en (iii) dat hij het wapen na de moord voorhanden had in een grotere voorraad aan wapens, verstopt in vaten in de grond;

- er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de gang van zaken op 31 december 2019. Daaruit blijkt dat het schuldscenario qua tijd en plaats (goed) verenigbaar is met de reisbewegingen van de verdachte op de avond van 31 december;

- ook het feit dat de verdachte vlak voordat hij zich meldde bij het politiebureau zijn telefoon heeft kwijtgemaakt, heeft het hof kunnen aanmerken als een aanwijzing voor zijn betrokkenheid;

- bij de waardering van deze omstandigheden heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn celmateriaal op het moordwapen, en dat ook anderszins geen aanknopingspunten voor een alternatief scenario bestaan. Die werkwijze vormt op zichzelf geen schending van de onschuldpresumptie.

Ook verder bevat het arrest geen overwegingen die de conclusie rechtvaardigen dat het hof de onschuldpresumptie heeft geschonden. Het oordeel dat de verklaring van de verdachte niet aannemelijk is geworden, is daarbij niet onbegrijpelijk, gegeven de motivering van het hof (zie randnummer 11).

Gelet op het totaal van de in de bewijsredenering betrokken omstandigheden, is het oordeel van het hof over het daderschap van de verdachte tot slot ook niet onbegrijpelijk, en evenmin ontoereikend gemotiveerd.

24. Dit deel van het middel faalt eveneens.

Slotsom

25. Het middel faalt in al zijn onderdelen. De rechtbank had de verdachte vrijgesproken van het onder 6 ten laste gelegde. Het ligt daarom niet voor de hand dat de Hoge Raad het middel afdoet met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

26. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Arrest, p. 10 en aanvulling op het verkorte arrest, p. 90: “Via camerabeelden is te zien: • dat het voertuig van [slachtoffer] om 20:12:34 uur over de [a-straat] richting zijn woning rijdt. • dat het voertuig van [slachtoffer] om 20:13:06 stopt op de parkeerplaats voor de woning van [slachtoffer] . • dat om 20:13:10 uur de verlichting van het voertuig van [slachtoffer] uitgeschakeld wordt. • dat om 20:13:15 uur de eerste lichtflitsen nabij het voertuig van [slachtoffer] zichtbaar zijn. • dat om 20:13:39 uur een sensorlamp aan gaat, een persoon (schim) voor het raam van perceel [a-straat 1] langs loopt in de richting van de plaats waar [slachtoffer] later overleden werd aangetroffen.
• dat gelijk hierop, om 20:13:44 uur, nog een persoon voor het raam van perceel [a-straat 1] langsliep in dezelfde richting.”
Arrest, p. 10-11. Aanvulling, p. 90 (zie voetnoot 1). Arrest, p. 5-6. Arrest, p. 5-10. Arrest, p. 11-12. Arrest, p. 12. Arrest, p. 12. Arrest, p. 12-13. Arrest, p. 14. Arrest, p. 15-16. Arrest, p. 13. Arrest, p. 13-14. Arrest, p. 11 en 14. Arrest, p. 16. Arrest, p. 16. Arrest, p. 17. Vgl. HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, NJ 2023/101 m.nt. Vellinga, rov. 3.2.1-3.2.5 over die werkwijze.