Bestuursrecht overig

Het Gerecht heeft het bezwaar tegen het ontslagbesluit terecht niet-ontvankelijk verklaard. Van een…

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 24 mei 2023

Zaakgegevens

Op 24 mei 2023 heeft de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Datum uitspraak
24 mei 2023
Datum publicatie
30 mei 2023
Zaaknummer
AUA2022H00219 en AUA2022H00220
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:ORBAACM:2023:29
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het Gerecht heeft het bezwaar tegen het ontslagbesluit terecht niet-ontvankelijk verklaard. Van een professioneel werkende jurist mag ook in een situatie waardoor hij emotioneel zeer is aangedaan worden verwacht dat hij maatregelen treft voor lopende zaken. De Raad ziet met het Gerecht geen aanleiding de termijnoverschrijding in bezwaar verschoonbaar te achten.

Uitspraak

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)

Uitspraakdatum: 24 mei 2023

Zaaknummers: AUA2022H00219 en AUA2022H00220

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

VAN ARUBA

uitspraak

op het hoger beroep van:

[Appellant],

wonend in Aruba,

appellant,

gemachtigde: mr. R.P. Lee

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba van
12 september 2022, AUA202103372 en AUA202103940 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:

appellant

en

de Gouverneur van Aruba,

geïntimeerde, hierna: de gouverneur,

gemachtigde: mr. R. Henriquez

Procesverloop

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak op de zitting van 4 mei 2023 behandeld. Voor appellant is zijn gemachtigde verschenen. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij landsbesluit van 28 september 2021, door appellant ontvangen op
8 oktober 2021, heeft de gouverneur appellant de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd (ontslagbesluit).

1.2.

De gemachtigde van appellant (gemachtigde) heeft op 15 november 2021 en 22 december 2021 bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht de bezwaren van appellant niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de bezwaren te laat zijn ingediend en er geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is. Appellant verwijst hiervoor naar de bij het beroepschrift gevoegde medische informatie. Daaruit is op te maken dat de in Nederland wonende dochter van zijn gemachtigde op 7 november 2021 met ernstige klachten in het ziekenhuis is opgenomen. De gemachtigde was daardoor zo emotioneel aangedaan dat hij pas na een week in staat was om zijn werk weer op te pakken en een bezwaarschrift in te dienen. Daarnaast heeft de gemachtigde nog naar voren gebracht dat hij door niet aan hem toe te rekenen omstandigheden nog geen advocaat is, zodat hij voor het maken van bezwaar een door appellant ondertekende machtiging nodig had. Deze machtiging is pas op donderdag 4 november 2021 ondertekend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de laatste dag van de bezwaartermijn
8 november 2021 was en dat de bezwaren tegen de bestreden beschikking te laat zijn ingediend. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad met het Gerecht geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De Raad motiveert dit als volgt.

4.2.

De gemachtigde van appellant is een professioneel werkende jurist. De Raad heeft er weliswaar begrip voor dat de gemachtigde emotioneel zeer was aangedaan door de medische situatie van zijn dochter, maar ook in deze situatie had echter van hem mogen worden verwacht dat hij maatregelen had getroffen voor zijn lopende zaken. De gemachtigde was zich ervan bewust dat de bezwaartermijn op
8 november 2021 zou verstrijken. Hij had dan ook direct nadat appellant op
4 november 2021 de machtiging had ondertekend, kunnen volstaan met het indienen van een pro-forma bezwaarschrift. Dat de gemachtigde, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, zijn acties altijd uitstelt tot het einde van gestelde termijnen en dat hij juist in die periode werd geconfronteerd met de situatie van zijn dochter, komt voor zijn risico.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 november 2020, ECLI:NL:ORBAACM:2020:36, dienen de gevolgen van (processueel) handelen of nalaten van een gemachtigde voor rekening te blijven van degene die de behartiging van zijn belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd. Dat appellant de gemachtigde niet zelf heeft uitgekozen, zoals hij stelt, geeft de Raad geen aanleiding om daarover in dit geval anders te oordelen.

4.4.

De slotsom is dat er geen redenen zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.P. van der Pluijm-Vrede en mr. M.A. Evertsz, leden, uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2023 in aanwezigheid van de griffier.