Bestuursrecht overig
Bij besluit van 24 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Heiloo het bestemmingsplan "Runxputteweg tussen 24…
Raad van State, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6336 · Raad van State · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rvs-2026-6336
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202405021/1/R1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6336
Samenvatting
Bij besluit van 24 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Heiloo het bestemmingsplan "Runxputteweg tussen 24 en 26" vastgesteld. Het plan voorziet in een vrijstaande woning op een nu onbebouwd perceel tussen Runxputteweg 24 en 26 in Heiloo. De gronden krijgen op basis van het plan de bestemming "Wonen", met daarbinnen een bouwvlak, en de bestemming "Tuin". Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, ten oosten van de Runxputteweg en tussen de dorpskernen Heiloo en Limmen. Het plangebied wordt omringd door vrijstaande bebouwing met verschillende functies, waaronder woon- en bedrijfsfuncties. [appellant A] is eigenaar van de eenmanszaak "[bedrijf]" aan de [locatie], een recreatieve paardenhouderij en ponyclub voor jongeren, waar paardrijlessen worden gegeven en paarden worden getraind voor de harddraverij. [appellant B] is eigenaar van de dierenkliniek aan de [locatie 2].
Uitspraak
202405021/1/R1.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Heiloo,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Heiloo,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Runxputteweg tussen 24 en 26" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[partij] en anderen hebben gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.
[appellanten], de raad en [partij] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 augustus 2026, waar [appellanten], bijgestaan door ing. M.J.H. van den Berg, rechtsbijstandverlener in ’t Zand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. Y. Kliphuis, advocaat in Hoofddorp, en S. Jager zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. D. Quakernaat, rechtsbijstandverlener in Leusden, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 21 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan voorziet in een vrijstaande woning op een nu onbebouwd perceel tussen Runxputteweg 24 en 26 in Heiloo. De gronden krijgen op basis van het plan de bestemming "Wonen", met daarbinnen een bouwvlak, en de bestemming "Tuin". Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, ten oosten van de Runxputteweg en tussen de dorpskernen Heiloo en Limmen. Het plangebied wordt omringd door vrijstaande bebouwing met verschillende functies, waaronder woon- en bedrijfsfuncties.
[appellant A] is eigenaar van de eenmanszaak "[bedrijf]" aan de [locatie], een recreatieve paardenhouderij en ponyclub voor jongeren, waar paardrijlessen worden gegeven en paarden worden getraind voor de harddraverij. [appellant B] is eigenaar van de dierenkliniek aan de [locatie 2]. Het perceel van [appellanten] is ontsloten via de Runxputteweg, direct langs de zuidzijde van het plangebied. Het geldende bestemmingsplan "Zandzoom" voorziet voor het perceel in de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "dierenkliniek". Zij zijn het niet eens met het plan en hebben daartegen beroep ingesteld. Volgens [appellanten] zullen zij door de komst van de woning onevenredig worden beperkt in hun bedrijfsvoering.
[partij] woont aan [locatie 3] direct ten noorden van het plangebied en is initiatiefnemer van het plan.
Op de zitting is gebleken dat de omgevingsvergunning voor de voorziene woning inmiddels is verleend en dat de omgevingsvergunning bij het besluit op bezwaar in stand is gebleven.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroepsgronden
Ingetrokken beroepsgronden
4. [appellanten] hebben op de zitting de beroepsgronden over participatie en parkeren ingetrokken. De Afdeling zal daarom geen inhoudelijk oordeel geven over die gronden.
Woon- en leefklimaat en beperking bedrijfsvoering
5. [appellanten] betogen dat ze onaanvaardbaar worden beperkt in hun bedrijfsvoering, omdat de voorziene woning te dichtbij komt. Zij voeren daartoe aan dat de raad bij de beoordeling is uitgegaan van een te beperkte invulling van hun bedrijfsactiviteiten. Onder verwijzing naar een second opinion van Rombou van 20 juni 2024 wijzen [appellanten] erop dat de raad daardoor ook is uitgegaan van een verkeerde richtafstand van de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering". Volgens [appellanten] vallen de activiteiten van de dierenkliniek en de paardenhouderij onder milieucategorie 3.2 en niet onder milieucategorie 1. Zij vinden de vergelijking van de dierenkliniek met een artsenpraktijk in milieucategorie 1, waarvoor binnen gemengd gebied een richtafstand van 0 m geldt, niet op zijn plaats.
Daarnaast betogen [appellanten] dat ter plaatse van de voorziene woning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd, voor zover het betreft de aspecten geluid, geur en trillingen, omdat de juiste richtafstanden niet in acht zijn genomen.
6. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat het gebouw van de dierenkliniek op ongeveer 39 m van de voorziene woonbestemming staat. Ten zuidoosten van de dierenkliniek bevinden zich een paardenhouderij en een ponyclub, met onder meer een rijbak, paardenstallen en een mestplaat. De rijbak ligt op ongeveer 100 m afstand van de voorziene woonbestemming. De paardenstallen en de mestplaat liggen daarachter. Ook dit is niet in geschil. Verder hebben [appellanten] op de zitting toegelicht dat zich direct naast de dierenkliniek ook enkele paardenstallen en een mestplaat bevinden. Dit is tussen partijen wel in geschil.
6.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de beoordeling of de voorziene woning leidt tot een onaanvaardbare beperking van de bedrijfsactiviteiten en of ter plaatse van de voorziene woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd, moet uitgaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden op het perceel van [appellanten]. De Afdeling zal daarom niet verder ingaan op de feitelijke situatie op het perceel van [appellanten], maar stelt hierna eerst vast welke activiteiten op grond van het bestemmingsplan ter plaatse zijn toegestaan. Vervolgens beoordeelt zij of de raad bij zijn beoordeling is uitgegaan van die maximale planologische mogelijkheden en op het perceel van [appellanten]l.
- wat zijn de planologisch toegestane activiteiten?
6.2. Op grond van het geldende bestemmingsplan "Zandzoom" uit 2005 heeft het gehele perceel van [appellanten] de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "dierenkliniek". Op grond van artikel 5, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" bestemd voor bedrijven in de categorie 1 en 2 van de bij planregels horende Staat van Bedrijven en voor een dierenkliniek voor zover de aanduiding "dierenkliniek" geldt. Het begrip "dierenkliniek" is niet nader gedefinieerd in de planvoorschriften. Een recreatieve paardenhouderij behoort niet tot de op grond van artikel 5 toegestane activiteiten. Op grond van het hiervoor geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" uit 1997 had het perceel van [appellanten] de bestemming "Agrarisch aanverwante bedrijven" met de aanduiding "dierenkliniek" en niet de aanduiding "paardenpension". Op grond van het daarvoor geldende bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1987 had het perceel de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de aanduiding "paardensportcentrum".
[appellanten] hebben op de zitting toegelicht dat de paardenhouderij zich al sinds 1987 op het perceel bevindt. Zij wijzen daarbij op de milieuvergunning van 10 april 1996, die volgens hen betrekking heeft op het recreatieve gebruik en de verzorging en begeleiding van sportpaarden. Ook hebben zij gewezen op een memo dat is opgesteld door Oprecht Advocaten waarin wordt ingegaan op het gebruik op het perceel sinds de jaren ‘80 van de vorige eeuw. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellanten] zo dat zij ook een beroep doen op het overgangsrecht in het bestemmingsplan "Landelijk gebied" uit 1997 en het bestemmingsplan "Zandzoom" en dat zij stellen dat de activiteiten van de recreatieve paardenhouderij daarom tot de maximale planologische mogelijkheden behoren.
Degene die een beroep doet op het overgangsrecht van een bestemmingsplan, moet in beginsel aannemelijk maken dat het met het plan strijdige gebruik op de peildatum (de datum van de inwerkingtreding van het plan) plaatsvond en daarna ononderbroken is voortgezet. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1046, onder 8.5.
[appellanten] hebben met de door hen aangevoerde feiten en de overgelegde milieuvergunning en memo van Oprecht Advocaten niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de gronden als recreatieve paardenhouderij op de relevante peildata plaatsvond en sindsdien ononderbroken is voortgezet. Uit de milieuvergunning volgt niet wat de feitelijke omvang was van de activiteiten die op de peildatum werden verricht en in welke omvang deze activiteiten sindsdien zijn voortgezet. Dit is ook in de memo van Oprecht Advocaten niet met stukken onderbouwd. Het beroep op het overgangsrecht slaagt in deze procedure naar het oordeel van de Afdeling daarom niet.
Dit betekent dat gelet op wat is aangevoerd in deze procedure alleen het gebruik van de gronden als dierenkliniek, en niet als recreatieve paardenhouderij, onder de planologisch toegestane activiteiten valt.
- is de raad uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden?
6.3. De Afdeling is van oordeel dat de raad bij de beoordeling van de gevolgen van het plan voor de bedrijfsvoering van [appellanten] en het woon-en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woning niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden op het perceel van [appellanten] zoals omschreven onder 6.2, maar van de feitelijke situatie op het perceel.
In paragraaf 4.7.2 van de plantoelichting staat dat wordt voldaan aan de volgens de raad voor de dierenkliniek geldende richtafstand van 10 m uit de VNG-brochure. De bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ligt echter over het volledige perceel van [appellanten], inclusief de toegangsweg die direct grenst aan de woonbestemming van het voorliggende plan. De richtafstand moet volgens de VNG-brochure worden gemeten vanaf de grens van de bestemming die bedrijven toelaat tot de uiterste situering van de gevel van een woning die op grond van het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Op grond van de planregels van het voorliggende plan mogen binnen de woonbestemming gebouwen worden gebouwd op 3 m van de erfgrens aan de zijde van het perceel van [appellanten]. Dat volgens de raad aan een richtafstand van 10 m wordt voldaan, betekent dus dat de raad niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden.
Verder overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting staat dat volgens de inschrijvingen in het register van de Kamer van Koophandel op de locatie [locatie 2] een dierenartspraktijk is gevestigd, en dat op de locatie [locatie 1] een stal met een manege (paardensport en maneges) zit. Daarnaast staat in de plantoelichting dat voor de dierenkliniek op grond van de VNG-brochure een richtafstand van 10 m geldt, terwijl een dierenkliniek volgens het geldende bestemmingsplan "Zandzoom" een milieucategorie 3 bedrijf is, waarvoor een grotere richtafstand van 100 m geldt. Ook gelet hierop is de raad niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, maar van de feitelijke situatie op het perceel.
Gelet op het voorgaande is de raad niet uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden op het perceel van [appellanten] bij de beoordeling of de voorziene woning leidt tot een onaanvaardbare beperking van de bedrijfsactiviteiten en of ter plaatse van de voorziene woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
Het betoog slaagt.
6.4. Omdat het betoog gelet op wat onder 6.3 is overwogen al slaagt, zal de Afdeling het overige aangevoerde over geur, geluid en trillinghinder niet inhoudelijk bespreken.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Het plan moet worden vernietigd vanwege strijd met artikel 3:2 van de Awb.
8. De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Heiloo van 24 juni 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Runxputteweg tussen 24 en 26";
III. veroordeelt de raad van de gemeente Heiloo tot vergoeding van de bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IV. gelast dat de raad van de gemeente Heiloo aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Driel Kluit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
703-1138