Bestuursrecht overig

Bij besluit van 19 december 2024 heeft de raad van de gemeente Breda het bestemmingsplan "Buitengebied Noord…

Raad van State, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
202500952/1/R2
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6334
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 19 december 2024 heeft de raad van de gemeente Breda het bestemmingsplan "Buitengebied Noord, [locatie 1]" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet erin een voormalige bedrijfslocatie aan de [locatie 1] in Breda om te zetten in een woonlocatie. Hierbij wordt het mogelijk de op locatie aanwezige Vlaamse schuur te veranderen in een woning, waarmee er naast de bestaande boerderijwoning een tweede woning op de locatie komt. Daarnaast voorziet het plan in de mogelijkheid om maximaal 200 m² aan bijgebouwen in gebruik te nemen voor een praktijk voor emotioneel lichaamswerk, therapie en coaching (therapiepraktijk). [appellant] woont aan de [locatie 2] en heeft daar een agrarisch bedrijf. Hij heeft een melkveehouderij, teelt groenten en produceert windenergie. Hij is het niet eens met het bestemmingsplan omdat hij vreest dat er door mogelijke nieuwe omwonenden overlast zal worden ervaren van de activiteiten van zijn bedrijf, waardoor hij zijn werkzaamheden niet meer ongehinderd kan uitvoeren.

Uitspraak

202500952/1/R2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Breda,

appellant,

en

de raad van de gemeente Breda,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Noord, [locatie 1]" vastgesteld.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 19 augustus 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat in Eindhoven, en de raad, vertegenwoordigd door ing. J.P.G. Rockx en F.A.C. Kanters, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], initiatiefneemster, gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 14 november 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het bestemmingsplan voorziet erin een voormalige bedrijfslocatie aan de [locatie 1] in Breda om te zetten in een woonlocatie. Hierbij wordt het mogelijk de op locatie aanwezige Vlaamse schuur te veranderen in een woning, waarmee er naast de bestaande boerderijwoning een tweede woning op de locatie komt. Daarnaast voorziet het plan in de mogelijkheid om maximaal 200 m² aan bijgebouwen in gebruik te nemen voor een praktijk voor emotioneel lichaamswerk, therapie en coaching (therapiepraktijk).

3.       [appellant] woont aan de [locatie 2] en heeft daar een agrarisch bedrijf. Hij heeft een melkveehouderij, teelt groenten en produceert windenergie. Hij is het niet eens met het bestemmingsplan omdat hij vreest dat er door mogelijke nieuwe omwonenden overlast zal worden ervaren van de activiteiten van zijn bedrijf, waardoor hij zijn werkzaamheden niet meer ongehinderd kan uitvoeren.

Toetsingskader

4.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Overschrijding voorkeursgrenswaarden geluidsbelasting

5.       [appellant] betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat in de nieuwe woning geen goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Uit een akoestisch onderzoek dat de raad heeft laten uitvoeren naar de geluidbelasting van weg- en railverkeer volgt namelijk dat de toepasselijke voorkeursgrenswaarden hiervoor worden overschreden door geluid van de rijksweg A16 en door omliggende spoorwegen.

5.1.    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

5.2.    De Afdeling ziet af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond. [appellant] beroept zich met zijn betoog namelijk op een norm die kennelijk niet strekt tot de bescherming van zijn belang, maar van de belangen van bewoners van de nieuwe woning. [appellant] is geen eigenaar van de nieuwe woning en hij zal daar ook niet gaan wonen. [appellant] kan ook niet in zijn bedrijfsvoering worden geraakt door een mogelijk verminderd woon- en leefklimaat als gevolg de overschrijding van de voorkeursgrenswaarden voor weg- en railverkeer, omdat hij niet bijdraagt aan de overschrijding ervan.

Woning op passende locatie

6.       [appellant] betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en het gemeentelijke beleid, omdat het een woning mogelijk maakt op een locatie die niet passend is voor woningen. Als eerste voert hij aan dat de nieuwe woning en de bedrijfsruimte op een te korte afstand van zijn bedrijf liggen. Als tweede voert hij aan dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de cumulatieve geluidsbelasting van de windturbines. Als derde voert hij aan dat er passendere manieren zijn om de monumentale waarden te behouden van de Vlaamse schuur, die recent als gemeentelijk monument is aangemerkt. Zo zou de Vlaamse schuur kunnen worden gebruikt voor de therapiepraktijk, in plaats van deze te verbouwen tot nieuwe woning.

6.1.    De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en gemeentelijk beleid. Ten eerste heeft de raad goed gemotiveerd dat de nieuwe woning niet op een te korte afstand van het bedrijf van [appellant] ligt, omdat de raad heeft aangesloten bij de richtafstand van minimaal 50 meter uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De afstand tussen het bedrijf en de nieuwe woning is in dit geval meer dan 50 meter. [appellant] heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de raad niet had mogen volstaan met een verwijzing naar deze richtafstand.

6.2.    Ten tweede heeft de raad naar aanleiding van de door [appellant] ingediende zienswijze onderzoek gedaan naar de cumulatieve geluidsbelasting van de windturbines en eventuele andere geluidsbronnen. Daaruit volgt dat de windturbines bij cumulatie met andere bronnen leiden tot een maximale toename van 1-2 dB, wat de raad ziet als een acceptabele en niet hoorbare toename. Deze uitkomst is door [appellant] niet onderbouwd weersproken. Daardoor heeft de raad een aanvullend onderzoek terecht niet noodzakelijk geacht.

6.3.    Ten derde heeft de raad zich in de plantoelichting, de nota van zienswijze en het behoud- en herstelplan goed gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verandering van de Vlaamse schuur tot een nieuwe woning bijdraagt aan het behoud van het monumentale gebouw. Het door [appellant] voorgestelde alternatief om de Vlaamse schuur te gebruiken als therapiepraktijk heeft voor de raad niet tot een andere afweging hoeven te leiden. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat door de Vlaamse schuur actief in gebruik te nemen om in te wonen, leegstand en verloedering van het gebouw wordt voorkomen. Een woonfunctie geeft daardoor meer zekerheid dat de monumentale waarden van de Vlaamse schuur worden behouden dan het gebruik ervan als therapiepraktijk. [appellant] heeft geen concrete argumenten naar voren gebracht waarom de raad zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7.       Het beroep is ongegrond.

8.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Kuijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Ahmady-Pikart

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

638-1201