Bestuursrecht overig
Bij beslissing van 31 december 2025 heeft de decaan van de Tilburg School of Economics and Management (de…
Raad van State, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6338 · Raad van State · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rvs-2026-6338
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202602289/1/A2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6338
Samenvatting
Bij beslissing van 31 december 2025 heeft de decaan van de Tilburg School of Economics and Management (de decaan) [appellant] voorwaardelijk toegelaten tot de masteropleiding Econometrics and Mathematical Economics (E&ME). [appellant] heeft verzocht om toelating tot de masteropleiding E&ME en de masteropleiding QFAS (gezamenlijk ook: de masteropleidingen), beide aan de Tilburg School of Economics and Management. De decaan heeft [appellant] voor beide masteropleidingen toegelaten onder de voorwaarde dat hij uiterlijk 31 januari 2026 de bacheloropleiding Econometrie & Operationele Research heeft afgerond. Aan voornoemde voorwaarde heeft [appellant] niet voldaan. Hij is daarom niet toegelaten tot de masteropleidingen. Het CBE heeft zich in de beslissingen op het standpunt gesteld dat de bevoegdheid om studenten toe te laten tot een opleidingsprogramma een discretionaire bevoegdheid is van de decaan.
Uitspraak
202602289/1/A2.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Breda,
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van Tilburg University (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 31 december 2025 heeft de decaan van de Tilburg School of Economics and Management (de decaan) [appellant] voorwaardelijk toegelaten tot de masteropleiding Econometrics and Mathematical Economics (E&ME).
Bij beslissing van 31 december 2025 heeft de decaan [appellant] voorwaardelijk toegelaten tot de masteropleiding Quantitative Finance and Actuarial Science (QFAS).
Bij beslissingen van 21 mei 2026 heeft het CBE de door [appellant] tegen de beslissingen van de decaan ingestelde administratief beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissingen heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 oktober 2026, waar [appellant], via een videoverbinding, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. L. Maas, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellant] heeft verzocht om toelating tot de masteropleiding E&ME en de masteropleiding QFAS (gezamenlijk ook: de masteropleidingen), beide aan de Tilburg School of Economics and Management.
3. De decaan heeft [appellant] voor beide masteropleidingen toegelaten onder de voorwaarde dat hij uiterlijk 31 januari 2026 de bacheloropleiding Econometrie & Operationele Research heeft afgerond. Aan voornoemde voorwaarde heeft [appellant] niet voldaan. Hij is daarom niet toegelaten tot de masteropleidingen.
Beslissingen van het CBE
4. Het CBE heeft zich in de beslissingen op het standpunt gesteld dat de bevoegdheid om studenten toe te laten tot een opleidingsprogramma een discretionaire bevoegdheid is van de decaan. De toelatingseisen voor de masteropleidingen zijn opgenomen in Bijlage III van het Onderwijs- en Examenregeling van de Tilburg School of Economics and Management 2025-2026 (OER). Niet is gebleken dat [appellant] voldoet aan die toelatingseisen. Hij heeft namelijk niet de bacheloropleiding Econometrie & Operationele Research afgerond, terwijl hij er bij de voorwaardelijke toelating op is gewezen dat dit een voorwaarde is. Verder heeft [appellant] niet aangegeven op basis van een andere vooropleiding toelaatbaar te zijn. Dat hij in een andere masteropleiding vakken heeft afgerond die overlappen met de masteropleidingen waarvan hij om toelating verzoekt, maakt niet dat hij toelaatbaar is. De vooropleidingseisen worden niet alleen gesteld om er zeker van te zijn dat een student de relevante voorkennis bevat, maar ook omdat in de vooropleiding kennis en vaardigheden worden getoetst die nodig zijn om aan de eindtermen van masteropleiding te voldoen, omdat die daarin niet (meer) worden getoetst. Dat voldaan moet worden aan toelatingseisen, ook als overlappende vakken zijn behaald in een andere masteropleiding, is verder geen omstandigheid op grond waarvan de hardheidsclausule had moeten worden toegepast.
Beroep en de beoordeling daarvan
5. Het beroep van [appellant] komt er in de kern op neer dat hij betoogt dat het CBE ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat hij niet toelaatbaar is tot de masteropleidingen. Bij de beoordeling of hij toelaatbaar is, is niet meegewogen dat hij recent de masteropleiding Business Analytics and Operations Research (BAOR) heeft afgerond. In die masteropleiding heeft hij vakken behaald die ook deel uitmaken van het curriculum van de masteropleidingen. Een groot deel van het curriculum van de masteropleidingen heeft hij dus al afgerond. [appellant] zou voor het diploma alleen nog een paar kernvakken en de scriptie moeten afronden. De reeds behaalde resultaten van de overlappende vakken hadden dan ook gezien artikel 4.13 en 4.15 van de OER bij de beoordeling voor het toelatingsverzoek moeten worden betrokken. Uit de reeds behaalde masteropleiding BAOR blijkt overigens ook dat hij beschikt over de capaciteiten om een masteropleiding aan de Tilburg School of Economics and Management af te ronden. Er zijn volgens [appellant] dus geen deficiënties. Ook heeft [appellant] zich ingeschreven voor vergelijkbare masteropleidingen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Vrije Universiteit van Amsterdam, waarvoor hij wel was toegelaten. Verder is er nooit een beslissing genomen over de noodzaak van het premasterprogramma voor toelating tot de masteropleidingen, terwijl hij tussentijds wel een andere masteropleiding heeft afgerond.
5.1. Voorop staat dat het in deze procedure gaat over de (voorwaardelijke) toelating van [appellant] tot de masteropleidingen. In dit kader is niet relevant of [appellant] in aanmerking komt voor een vrijstelling voor vakken die hij reeds heeft behaald in een andere masteropleiding. Daaraan kan pas worden toegekomen nadat hij eenmaal is toegelaten tot de masteropleidingen. Wat [appellant] aanvoert over artikel 4.13 en 4.15 van de OER, die gaan over behaalde eindresultaten en het verlenen van een vrijstelling van een onderwijseenheid, is daarom niet van belang bij de beoordeling of hij voldoet aan de toelatingseisen.
5.2. De Afdeling overweegt verder dat artikel 7.30b, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek aan het instellingsbestuur de bevoegdheid toekent om kwalitatieve eisen vast te stellen voor toelating tot een masteropleiding. Uit artikel 2.17, in samenhang gelezen met Bijlage III van de OER volgt aan welke eisen een kandidaat moet voldoen voor toelating tot de masteropleidingen. Daarvoor geldt dat een kandidaat alleen direct toelaatbaar is als hij de bacheloropleiding Econometrie & Operationele Research heeft afgerond. Is de kandidaat niet in het bezit van een diploma van voornoemde bacheloropleiding, dan is hij voorwaardelijk toelaatbaar. De kandidaat dient de opleidingscoördinator te contacteren voor een overzicht van noodzakelijke vakken om eventuele deficiënties weg te nemen.
5.3. Niet in geschil is dat [appellant] de bacheloropleiding niet heeft afgerond en dus niet direct toelaatbaar is tot de masteropleidingen. De vraag ligt voor of [appellant] anderszins toelaatbaar is. [appellant] stelt zich hierbij op het standpunt dat hij toelaatbaar is omdat hij een vergelijkbare masteropleiding met deels dezelfde vakken heeft afgerond. Daaruit kan volgens hem worden afgeleid dat hij ook de capaciteiten heeft om de masteropleidingen waarvoor hij om toelating heeft verzocht met succes af te ronden. Het CBE heeft daarover op de zitting bij de Afdeling evenwel toegelicht dat het behalen van de masteropleiding BAOR niet betekent dat [appellant] toelaatbaar is. In de door hem behaalde masteropleiding is niet alle kennis en zijn niet alle vaardigheden getoetst die nodig zijn om aan de eindtermen van de masteropleidingen waarvoor hij om toelating heeft verzocht te voldoen. Volgens het CBE heeft [appellant] ook niet kenbaar gemaakt dat de ontbrekende kennis en vaardigheden in het kader van een andere opleiding zijn getoetst. Dit betekent dat [appellant] nog enkele deficiënties heeft ten aanzien van de masteropleidingen, waarvan vaststaat dat deze niet meer worden getoetst in het curriculum daarvan. Voor het wegnemen van de deficiënties moet [appellant] daarom de premaster volgen zoals de academic director dit in zijn e-mail van 25 augustus 2025 naar voren heeft gebracht. Hieraan heeft [appellant] echter geen gevolg gegeven. Dat [appellant], naar hij stelt, wel is toegelaten tot vergelijkbare masteropleidingen aan andere universiteiten, maakt niet dat hij ook toelaatbaar is tot de masteropleidingen aan de Tilburg University. Het valt binnen de discretionaire ruimte van de onderwijsinstelling toelatingseisen te stellen voor opleidingen en daarbij te bepalen welke deficiënties moeten worden weggenomen. [appellant] heeft verder geen onvoorziene onbillijkheden van overwegende aard aangevoerd op grond waarvan moet worden afgeweken van de toelatingseisen. Het CBE heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de decaan [appellant] niet direct toelaatbaar tot de masteropleidingen heeft hoeven achten. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voortgriffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.30b. Toelatingseisen masteropleidingen
[…[.
2. Het instellingsbestuur kan naast de eisen, bedoeld in het eerste lid, kwalitatieve toelatingseisen vaststellen. Deze eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
[…].
Onderwijs- en Examenregeling van de Tilburg School of Economics and Management 2025-2026
Artikel 2.17 vooropleiding
Een kandidaat is toelaatbaar tot de masteropleiding, indien de kandidaat:
a. beschikt over een diploma dat volgens bijlage III bij deze regeling nodig
is voor de toelating tot de opleiding; en
b. voldoet aan de in bijlage III bij deze regeling genoemde kwalitatieve
eisen voor de opleiding waarvoor dergelijke eisen zijn gesteld.
Artikel 6.2 Hardheidsclausule
1. Het orgaan belast met de toepassing van deze regeling kan in individuele
gevallen waarin zich onvoorziene onbillijkheden van overwegende aard
voordoen ten voordele van de student een uitzondering maken op deze
regeling.
2. De decaan beslist in gevallen waarin deze regeling niet voorziet, tenzij een ander orgaan belast is met deze beslissing.