Bestuursrecht overig
Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk besloten…
Raad van State, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6345 · Raad van State · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-6345
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202501044/1/R2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6345
Samenvatting
Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk besloten tot invordering van door [appellanten] verbeurde dwangsommen tot een bedrag van € 12.000,00. Bij besluit van 1 juli 2019 heeft het college aan [appellanten] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het in strijd met het "Bestemmingsplan [locatie]" gebruiken van het perceel aan de [locatie] in Sambeek (het perceel). Het college heeft [appellanten] onder meer gelast de illegale aanwezigheid van een grondverzetbedrijf op het perceel permanent te staken, op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per week tot een maximum van € 15.000,00. Bij besluit van 16 maart 2020 is het door [appellanten] tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en hiertegen is geen beroep ingesteld, zodat de last onder dwangsom onherroepelijk is.
Uitspraak
202501044/1/R2.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Sambeek, gemeente Land van Cuijk,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 4 februari 2025 in zaak nr. 24/1455 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk.
Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft het college besloten tot invordering van door [appellanten] verbeurde dwangsommen tot een bedrag van € 12.000,00.
Bij besluit van 14 februari 2024 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 22 september 2026, waar [appellant A], bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat in Twello, en [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Verbroekken, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij besluit van 1 juli 2019 heeft het college aan [appellanten] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het in strijd met het "Bestemmingsplan [locatie]" gebruiken van het perceel aan de [locatie] in Sambeek (het perceel). Het college heeft [appellanten] onder meer gelast de illegale aanwezigheid van een grondverzetbedrijf op het perceel permanent te staken, op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per week tot een maximum van € 15.000,00. Bij besluit van 16 maart 2020 is het door [appellanten] tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en hiertegen is geen beroep ingesteld, zodat de last onder dwangsom onherroepelijk is.
2. Een toezichthouder van de gemeente Land van Cuijk heeft op 15 juli 2021 een controle uitgevoerd en geconstateerd dat op het perceel geen zaken aanwezig waren die betrekking hebben op [bedrijf A]. Vervolgens heeft een toezichthouder van de gemeente Land van Cuijk op 11 oktober 2022 weer een controle uitgevoerd. Tijdens deze controle is een aantal overtredingen geconstateerd, namelijk de aanwezigheid van zaken gerelateerd aan [bedrijf A] op het perceel. Het college heeft [appellanten] medegedeeld dat zij van rechtswege een dwangsom van € 1.500,00 hebben verbeurd. Vervolgens hebben toezichthouders van de gemeente Land van Cuijk op 13 december 2022, 24 januari 2023, 27 februari 2023, 7 maart 2023, 14 maart 2023, 23 maart 2023 en 3 april 2023 controles uitgevoerd. Tijdens deze controles zijn eveneens overtredingen geconstateerd. Na elke controle heeft het college [appellanten] medegedeeld dat zij van rechtswege een dwangsom van € 1.500,00 hebben verbeurd. Vervolgens heeft het college op 9 oktober 2023 besloten tot invordering van door [appellanten] verbeurde dwangsommen tot een bedrag van € 12.000,00.
Aangevallen uitspraak
3. De rechtbank heeft het invorderingsbesluit in stand gelaten. Daarover heeft de rechtbank geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dwangsommen tot een bedrag van totaal € 12.000,00 zijn verbeurd. De rechtbank heeft overwogen dat er geen reden is te veronderstellen dat er na de constatering van 15 juli 2021 geen dwangsommen meer konden worden verbeurd. Ook heeft het college naar het oordeel van de rechtbank terecht uit de controlerapporten afgeleid dat op de momenten van controle sprake was van een overtreding van de last. Nu dwangsommen van rechtswege verbeuren, is bij elke geconstateerde overtreding van de last van rechtswege een dwangsom van € 1.500,00 verbeurd. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, het college geen aanleiding heeft hoeven zien om (gedeeltelijk) van invordering af te zien.
Toetsingskader
4. Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
Zijn er dwangsommen verbeurd?
5. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat dwangsommen tot een bedrag van totaal € 12.000,00 zijn verbeurd. Daarover voeren zij aan dat de rechtbank onder 7 ten onrechte heeft vastgesteld dat de last gaat over voertuigen en machines die betrekking hebben op [bedrijf A]. De last gaat niet over voertuigen en machines, maar over de vestiging van het bedrijf. Verder voeren [appellanten] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college terecht uit de controlerapporten heeft afgeleid dat op de momenten van controle sprake was van een overtreding van de last. Ter plaatse woont de directeur en aandeelhouder van het grondverzetbedrijf en staat er incidenteel een auto van het bedrijf vanwege milieu-hygiënische overwegingen en een verantwoorde logistiek. [appellanten] hebben op de zitting toegelicht dat opslag op het perceel plaatsvindt, maar dat deze opslag niet valt onder de activiteiten van het grondverzetbedrijf, maar een (verhuur)activiteit is die [appellanten] uitoefenen op het perceel. Er is dan ook geen overtreding van de last.
5.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak gemotiveerd geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dwangsommen tot een bedrag van totaal € 12.000,00 zijn verbeurd. De rechtbank heeft in de onder 14.2 en 14.3 opgenomen overwegingen op juiste gronden uiteengezet waarom sprake is van een overtreding en dwangsommen zijn verbeurd. Wat [appellanten] in hoger beroep hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Daaraan voegt de Afdeling nog toe dat het grondverzetbedrijf op grond van de last al haar activiteiten op het perceel permanent moet staken. Dit geldt onder meer voor de opslag van materialen. Naar het oordeel van de Afdeling worden daaronder ook voertuigen en machines begrepen. Dit betekent dat ook al zou op het perceel alleen opslag plaatsvinden, de voer- en werktuigen van het grondverzetbedrijf in gebruik zijn voor de activiteiten van dit bedrijf. Verder maakt het enkele feit dat [appellanten] (een deel van) het perceel verhuren aan [persoon] voor opslag, niet dat er geen activiteiten van het grondverzetbedrijf op het perceel plaatsvinden.
Het betoog slaagt niet.
Dwangsommen ten onrechte ingevorderd
6. [appellanten] betogen dat het college ten onrechte heeft besloten tot invordering van de verbeurde dwangsommen, omdat enkel handhavend wordt opgetreden tegen bedrijfswagens op het perceel waar de naam "bedrijf A]" op staat, terwijl tegen de bedrijfswagens op het perceel waar de naam "[bedrijf B]" op staat niet handhavend wordt opgetreden. Daarmee is volgens [appellanten] sprake van misbruik van bevoegdheid en heeft het college in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel.
6.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht het invorderingsbesluit in stand gelaten. Voor zover dit betoog is gericht tegen het handhavingsbesluit, overweegt de Afdeling dat deze grond is gericht tegen de last onder dwangsom en daarom tegen de last onder dwangsom had moeten worden aangevoerd. Voor zover dit betoog is gericht tegen het invorderingsbesluit, overweegt de Afdeling dat uit de controlerapporten van 13 december 2022, 27 februari 2023, 7 maart 2023 en 3 april 2023 volgt dat op het perceel zaken zijn aangetroffen gerelateerd aan [bedrijf A], waaronder een werkbus met reclame van [bedrijf B], zodat ook wordt opgetreden tegen de aanwezigheid van bedrijfswagens op het perceel waar de naam "[bedrijf B]" op staat.
Het betoog slaagt niet.
Overige beroepsgronden
7. In wat voor het overige is aangevoerd in het kader van de Gentlemen’s Agreement bestaat geen aanleiding voor vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
723-1150