Omgevingsrecht
Verlening kapvergunning. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de kapvergunning in…
Rechtbank Amsterdam, 3 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:6856 · Rechtbank Amsterdam · 3 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/omgevingsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbams-2026-6856
Zaakgegevens
Op 3 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Datum publicatie
- 6 juli 2026
- Zaaknummer
- AMS 26/3152
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:6856
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verlening kapvergunning. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de kapvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/3152
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (hierna: het college, gemachtigde: mr. A. Bajnath).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] . uit Amsterdam (hierna: vergunninghouder).
Samenvatting
1. Op 11 mei 2026 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van een houtopstand op het perceel van [adres] (hierna: de kapvergunning). Verzoekster is het niet eens met de verlening van de kapvergunning. Zij heeft daarom bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij voert daartoe een aantal gronden aan.
2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat hij van oordeel is dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
4. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend om een kapvergunning. Een deskundige van de afdeling Boombeheer heeft op 27 maart 2026 advies gegeven over die aanvraag (hierna: het kapadvies). Het college heeft de kapvergunning vervolgens op 11 mei 2026 verleend. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2026 op zitting behandeld, het onderzoek op de zitting geschorst en de zaak op de zitting van 30 juni 2026 inhoudelijk behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, vergezeld door de heer [persoon 1] , de gemachtigde van het college en de heer [persoon 2] als vertegenwoordiger van vergunninghouder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
6. Voor het vellen van bepaalde houtsopstanden (hierna: het kappen van een boom) is een omgevingsvergunning vereist. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Bomenverordening 2014 kan de omgevingsvergunning worden geweigerd in verband met:
-
de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;
-
de waarde van de houtopstand voor het stadsschoon of het landschap;
-
de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;
-
e waarde van de houtopstand voor de leefbaarheid.
7. Uit de toelichting op artikel 5 van de Bomenverordening 2014 volgt dat het college in dat kader bij een aanvraag voor het kappen van een boom een afweging moet maken van alle betrokken belangen. Het gaat dan zowel om de belangen die aanleiding voor de aanvraag vormen als de belangen tot behoud van de houtopstand.
8. De beslissing om een kapvergunning te verlenen is een discretionaire bevoegdheid. Artikel 5 is namelijk een zogenaamde ‘kan’-bepaling. Dat heeft tot gevolg dat de voorzieningenrechter niet zelf beoordeelt welke uitkomst van de belangenafweging het meest evenwichtig is, maar toetst of het college in redelijkheid tot deze uitkomst heeft kunnen komen.
Artikel 5 van de Bomenverordening 2014 en de belangenafweging
9. Verzoekster heeft gewezen op de natuur- en milieuwaarde van de boom, de waarde voor het stadsschoon en het landschap en op de emotionele waarde die de boom heeft voor haarzelf, haar familie en omwonenden. Volgens verzoekster heeft het college het criterium ‘bijzondere waarde’ verkeerd toegepast, nu het woord ‘bijzonder’ wel in artikel 12 maar niet in artikel 5 van de Bomenverordening 2014 wordt genoemd.
10. Het college heeft de kapvergunning verleend onder verwijzing naar artikel 5 van de Bomenverordening 2014 en het kapadvies. De deskundige heeft in het kapadvies geadviseerd de aangevraagde kapvergunning af te geven, omdat de boom geen bijzondere waarden heeft die zich tegen de kap verzetten. Het verlies aan groenwaarde zal worden gecompenseerd door het aanplanten van een nieuwe boom. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van het college gesteld dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat ook niet nodig is.
11. In tegenstelling tot wat de gemachtigde van het college tijdens de zitting heeft gesteld, maakt de voorzieningenrechter uit het kapadvies op dat er wel een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Zo staat in het kapadvies onder andere dat de boom een algemene natuurfunctie vervult als schuilplaats en broedplek voor vogels en insecten, maar dat geen sprake is van een unieke functievervulling die niet door andere bomen in de omgeving wordt vervuld (onderdeel 4.1), dat de boom door omwonenden of bezoekers goed kan worden waargenomen, maar de boom geen bijzondere waarde van standsschoon heeft (onderdeel 4.2) en dat de boom naast de waarde voor stadsschoon en algemene functies met betrekking tot schaduw, demping van warmte en productie van zuurstof, geen bijzondere waarde heeft voor de leefbaarheid (onderdeel 4.4). Ook wordt er geadviseerd een boom van minimaal de 3de grootte te herplanten (onderdeel 7). Deze herplantplicht is als voorschrift in de kapvergunning opgenomen.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college op grond van die belangenafweging in redelijkheid tot het verlenen van de kapvergunning heeft kunnen komen. De omstandigheden waar verzoekster op heeft gewezen in het kader van natuur- en milieuwaarde en de waarde voor het stadsschoon en landschap maken dat niet anders, nu de deskundige van het college heeft geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere waarden en verzoekster geen stukken of deskundigenadvies heeft ingediend waaruit blijkt dat dat standpunt onjuist is. De voorzieningenrechter begrijpt dat de boom voor verzoekster en anderen een grote emotionele waarde heeft, mede omdat de boom er al zo lang staat, maar vindt niet dat het college de vergunning om die reden had moeten weigeren.
13. De voorzieningenrechter wijst er op dat in de toelichting bij artikel 5 van de Bomenverordening 2014 staat dat elke boom bijdraagt aan het karakter van zijn directe omgeving en aan de uitstraling van de stedelijke omgeving als geheel. Hoewel het woord ‘bijzonder’ niet expliciet wordt genoemd in artikel 5, kan de voorzieningenrechter op grond van deze toelichting en het stelsel van de Bomenverordening 2014 begrijpen dat het college heeft beoordeeld of de boom een ‘bijzondere’ waarde heeft. Elke boom heeft immers waarde en het is aan het college om een afweging te maken voor welke bomen zij al dan niet een kapvergunning verleent.
Onjuiste gegevens?
14. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat de foto die door vergunninghouder bij de aanvraag is gevoegd geen representatief beeld geeft van de boom omdat deze de hoogte van de boom niet toont en de foto is genomen vóór de bloeiperiode. Verzoekster wijst er op dat het gaat om een magnolia x soulangeana (beverboom) van bijna acht meter hoog en dit niet volledig op het aanvraagformulier en het schouwformulier staat.
15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van een deskundige mag worden verwacht dat hij weet om wat voor soort boom het gaat, hoe groot deze is en hoe de boom eruitziet in de verschillende seizoenen. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting toegelicht dat de deskundige de boom op basis van foto’s en satellietbeelden heeft beoordeeld. De beoordeling heeft dus niet enkel op basis van de foto bij de aanvraag plaatsgevonden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat de deskundige van onjuiste gegevens is uitgegaan.
Nestelende houtduiven
16. Verzoekster heeft aangevoerd dat er een nest houtduiven in de boom zit en dit een beschermde diersoort is.
17. De voorzieningenrechter leest in het kapadvies dat de boom volgens de deskundige een algemene natuurfunctie vervult als schuilplaats en broedplek voor vogels en insecten. Volgens de deskundige is er echter geen sprake van een unieke functievervulling die niet door andere bomen in de omgeving wordt vervuld (onderdeel 4.1). Op advies van de deskundige is in het bestreden besluit het voorschrift opgenomen dat er een schouwronde Flora & Fauna moet worden uitgevoerd voorafgaand aan de kapwerkzaamheden, omdat er geen vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten verstoord mogen worden. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat sprake is van een economisch delict als de boom toch gekapt wordt op het moment dat vastgesteld wordt dat er een vaste rust- of verblijfplaats van een beschermde soort in de boom zit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het feit dat er op dit moment mogelijk een nest in de boom zit, daarom geen reden voor het college had hoeven zijn om de kapvergunning bij voorbaat niet te verlenen. Indien vergunninghouder twijfelt over het gebruik van de boom als vaste rust- en verblijfplaats door een beschermde soort, adviseert verweerder om een deskundige te raadplegen.
Participatie
18. Tot slot heeft verzoekster aangevoerd dat omwonenden voor zover bij haar bekend niet zijn geïnformeerd. Zij vraagt zich af met wie en wanneer er participatie heeft plaatsgevonden.
19. De voorzieningenrechter stelt vast dat de wetgever participatie in een procedure als deze niet verplicht heeft gesteld. Wel moet de aanvrager van een omgevingsvergunning kenbaar maken óf participatie heeft plaatsgevonden en zo ja, wat hiervan de resultaten waren. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij van de vergunninghouder een overzicht heeft gekregen waaruit volgt dat er contact is geweest met de Vereniging van Eigenaars, degene die naast de boom een uitbouw heeft en met verzoekster zelf. Verzoekster heeft tijdens de zitting bevestigd dat er telefonisch contact met haar is geweest. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval aan de voorwaarden voor participatie is voldaan.
Conclusie en gevolgen
20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Dat betekent dat de kapvergunning niet wordt geschorst en vergunninghouder over mag gaan tot het kappen van de boom. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: