Arbeidsrecht

Mondelinge uitspraak. Directeur met een loonvordering van ruim € 48.000 die dit bedrag zonder overleg aan…

Rechtbank Amsterdam, 19 januari 2026

Zaakgegevens

Op 19 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
19 januari 2026
Datum publicatie
15 april 2026
Zaaknummer
11936149 \ EA VERZ 25-1229
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:3727
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mondelinge uitspraak. Directeur met een loonvordering van ruim € 48.000 die dit bedrag zonder overleg aan zichzelf overmaakt, terecht op staande voet ontslagen. De vordering van werkgever tot terugbetaling van het achterstallig salaris zal worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer / rekestnummer: 11936149 \ EA VERZ 25-1229

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 19 januari 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] (België),

verzoeker, verweerder in het tegenverzoek,

hierna te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: mr. M.G. Jansen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerder] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verweerster, verzoekster in het (voorwaardelijke) tegenverzoek,

hierna te noemen: [verweerder],

gemachtigden: mr. T.R. Dalmolen en mr. J.H. Hagoort.

1 De mondelinge behandeling

1.1.

Op 20 januari 2026 zijn voor mr. I.M. Bilderbeek, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, ter zitting verschenen:

- [verzoeker] met mr. Jansen en mr. W.A.A.M. Duineveld,
- aan de zijde van [verweerder]: [naam 1], bestuurder, en [naam 2], CFO, met mr. Dalmolen en mr. Hagoort. Voor [verweerder] waren tevens twee tolken aanwezig.

1.2.

Partijen hebben op de zitting vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten toegelicht, [verzoeker] mede aan de hand van spreekaantekeningen. [verzoeker] heeft ter zitting zijn primaire verzoek ingetrokken. De kantonrechter heeft na een korte schorsing de behandeling van de zaak gesloten en op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

2 De mondelinge uitspraak

2.1.

[verzoeker] heeft op 30 september 2025 zonder voorafgaand overleg een bedrag van € 48.854,40 uit hoofde van achterstallig salaris aan zichzelf overgemaakt. Naar aanleiding daarvan is hij op 1 oktober 2025 op staande voet ontslagen.

2.2.

[verzoeker] berust in het ontslag, maar doet diverse verzoeken die verband houden met dit, in zijn ogen onterechte ontslag. [verweerder] vordert onder meer terugbetaling van het bedrag van € 48.854,40.

2.3.

De eerste vraag die beantwoord dient te worden, is of [verzoeker] terecht op staande voet is ontslagen.

2.4.

Geoordeeld wordt dat een dringende reden aanwezig is. De betaling heeft plaatsgevonden zonder voorafgaand overleg met [naam 2] of [naam 1] en ook zonder dat de betreffende betaling voorkwam in het pdf-bestand dat normaliter werd aangeleverd door [naam 3] over de salarisbetalingen.

2.5.

Van belang is dat het een vermeende vordering betreft die ziet op een periode waarbij het bedrijf in een opstartfase was en er al wel werkzaamheden werden verricht door [verzoeker]. In die periode is er kennelijk voor gekozen om betalingen door middel van een lumpsum te laten plaatsvinden en pas op een later moment is overgegaan op betalingen van netto bedragen onder inhouding van loonbelasting.

2.6.

Dat [verzoeker] aanspraak maakte op betaling van achterstallig salaris over deze periode is eerst schriftelijk duidelijk gemaakt in een brief van 29 augustus 2025 van zijn advocaat. Ter zitting is duidelijk geworden dat de advocaat van [verweerder] vervolgens contact heef topgenomen met de advocaat van [verzoeker] om deze en vele andere kwesties die tussen partijen liepen te berspreken.

2.7.

Door deze besprekingen niet af te wachten, maar zonder overleg het bedrag van € 48.854,40 naar zichzelf over te maken, heeft [verzoeker] op ernstige wijze zijn vertrouwenspositie als directeur geschonden. Daarbij kan in het midden blijven of terzake van alle betalingen steeds voorafgaand overleg moest plaatsvinden tussen [verzoeker] en [naam 2] en/of [naam 1]. In elk geval had terzake van deze betaling dit overleg moeten plaatsvinden. Het betrof immers een substantieel bedrag waar het laatste woord nog niet over was gezegd en waar het bovendien ging om een betaling aan [verzoeker] in persoon.

2.8.

[verzoeker] bekleedde als directeur een sleutelpositie in het bedrijf en had onbeperkte volmacht tot het doen van betalingen. Een dergelijke positie gaat gepaard met een grote verantwoordelijkheid. [verweerder] moet er blindelings op kunnen vertrouwen dat haar directeur in dergelijke gevallen niet eigenmachtig substantiële bedragen naar zichzelf overmaakt. Dit vertrouwen heeft [verzoeker] ernstig geschonden en dit levert een dringende reden op, op grond waarvan [verweerder] hem op staande voet mocht ontslaan.

2.9.

Het ontslag op staande voet is dus terecht gegeven. Dat betekent dat er geen sprake is van een onregelmatige opzegging, zodat de vordering tot betaling van gefixeerde schadevergoeding zal worden afgewezen.

2.10.

Het handelen van [verzoeker] wordt aangemerkt als ernstig verwijtbaar. In een dergelijk geval is de transitievergoeding in beginsel niet verschuldigd. En er zijn ook geen omstandigheden aanwezig op grond waarvan het niet toekennen van een transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

2.11.

De door [verzoeker] verzochte billijke vergoeding zal eveneens worden afgewezen, omdat het einde van het dienstverband niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder].

2.12.

Gelet op het voorgaande zal ook de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

2.13.

[verweerder] zal worden veroordeeld om binnen tien dagen na het wijzen van deze uitspraak een gespecificeerde eindafrekening te verstrekken. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat er geen indicatie is dat [verweerder] niet aan deze veroordeling zal voldoen.

2.14.

[verzoeker] zal uitvoerbaar bij voorraad worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 68,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De wettelijke rente wordt toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

2.15.

Alle overige vorderingen van [verzoeker] zullen worden afgewezen.

2.16.

Het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerder] behoeft geen bespreking, omdat [verzoeker] berust in het ontslag op staande voet.

2.17.

Op het zelfstandig tegenverzoek van [verweerder] wordt als volgt beslist.

2.18.

De vordering tot terugbetaling van het achterstallig salaris zal worden afgewezen. [verzoeker] heeft door overlegging van zijn bankafschriften alsmede de jaarrekening van [verweerder] en zijn salarisstroken inmiddels genoegzaam onderbouwd dat hem een bedrag van € 48.854,40 aan achterstallig salaris toekwam. [verweerder] heeft hier onvoldoende tegenin gebracht. Dat zij de vordering niet uit haar eigen administratie heeft kunnen afleiden omdat de toegankelijkheid van deze administratie op dit moment nog niet op orde is, kan haar niet baten, nu dit in haar risicosfeer ligt.

2.19.

Nu het tegenverzoek van [verweerder] wordt afgewezen, behoeft het voorwaardelijke verzoek van [verzoeker] in het kader van het tegenverzoek geen bespreking.

2.20.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [verweerder] worden veroordeeld in de proceskosten in het tegenverzoek. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] in verband met het zelfstandig tegenverzoek worden begroot op nihil, omdat niet is gebleken dat [verzoeker] als gevolg van het tegenverzoek kosten heeft hoeven maken.

3 De beslissing

De kantonrechter

op het verzoek en het tegenverzoek

3.1.

veroordeelt [verweerder] om binnen tien dagen na betekening van deze beslissing een gespecificeerde eindafrekening aan [verzoeker] te verstrekken,

3.2.

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 882,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,

3.3.

veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

3.4.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten in het tegenverzoek, tot op heden aan de zijde van [verzoeker] begroot op nihil,

3.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. I.M. Bilderbeek, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.

57170