Civiel recht overig
Huurder heeft een huurachterstand laten ontstaan. Zijn financiële problemen lijken nu echter voorbij en…
Rechtbank Amsterdam, 30 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10777 · Rechtbank Amsterdam · 30 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rbams-2026-10777
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2026
- Datum publicatie
- 2 november 2026
- Zaaknummer
- 12236011 \ CV EXPL 26-7156
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10777
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Huurder heeft een huurachterstand laten ontstaan. Zijn financiële problemen lijken nu echter voorbij en huurder is in staat de huur te voldoen en de huurachterstand binnen aanvaardbare termijn in te lopen. Ook telt zwaar mee dat hij de zorg heeft voor zijn minderjarige kind. De gevorderde ontbinding en ontruiming worden daarom voorwaardelijk toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12236011 \ CV EXPL 26-7156
Vonnis van 30 oktober 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
1 AMSTERDOMUS BELEGGINGEN C.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. STICHTING BEWAARDER AMSTERDOMUS,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: Amsterdomus,
gemachtigde: mr. E. Doornbos,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 mei 2026, met producties,
- het proces-verbaal van mondeling antwoord,
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2026. Namens Amsterdomus is verschenen de heer [naam] (debiteurenbeheer en incasso), bijgestaan door mr. T.H.T.T. Nguyen. [gedaagde] is in persoon verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van Amsterdomus een specificatie van de actuele huurachterstand overgelegd. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
2 De feiten
Amsterdomus verhuurt met ingang van 6 november 2023 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 1.686,40 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
In 2024 heeft [gedaagde] een huurachterstand van € 15.893,36 laten ontstaan. Amsterdomus is destijds een gerechtelijke procedure tegen [gedaagde] begonnen. Op 18 juni 2024 is de procedure doorgehaald en hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde], naast de lopende huur, de huurachterstand in zestien maandelijkse termijnen aan Amsterdomus moest betalen.
Sinds oktober 2025 heeft [gedaagde] opnieuw een huurachterstand laten ontstaan.
[gedaagde] woont met zijn minderjarige dochter in het gehuurde. In mei 2026 is de moeder van zijn dochter overleden.
Amsterdomus heeft [gedaagde] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagde] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. Amsterdomus heeft [gedaagde] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.
3 Het geschil
Amsterdomus vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad i) ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en ii) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:
-
€ 11.259,41 aan huurachterstand berekend tot en met april 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente,
-
€ 61,28 aan vervallen wettelijke rente,
-
de huurbedragen voor iedere maand vanaf mei 2026 tot de dag van ontruiming,
-
e proceskosten en de nakosten.
Amsterdomus stelt daartoe, kort gezegd, dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst en dat de hoogte van de huurachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Huurachterstand
Amsterdomus vordert dat [gedaagde] de huurachterstand betaalt. Uit een actuele specificatie van de huurachterstand volgt dat de huurachterstand tot en met oktober 2026 € 21.718,61 bedraagt. [gedaagde] heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist, zodat de vordering tot betaling van de huurachterstand volledig toewijsbaar is.
(Voorwaardelijke) ontbinding en ontruiming
Amsterdomus vordert verder dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde] de woning ontruimt. Daarvoor geldt dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen wordt toegewezen als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen (artikel 6:265 lid 1 BW). Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen.
[gedaagde] heeft al eens eerder een forse huurachterstand laten ontstaan. Die achterstand heeft toen tot een gerechtelijke procedure geleid, maar partijen hebben destijds een regeling getroffen. Nu heeft [gedaagde] opnieuw een huurachterstand van € 21.718,61 laten ontstaan. Sinds februari 2026 heeft [gedaagde] niets meer betaald, ondanks meerdere toezeggingen aan Amsterdomus en tijdens het mondeling antwoord. De huurachterstand is daarom in beginsel ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden.
De vraag is vervolgens of een belangenafweging aan de ontbinding en ontruiming in de weg staat. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij verpleger van beroep is. Voorheen werkte hij als zzp’er in de zorg via een bemiddelaar. Die bemiddelaar is failliet gegaan en als gevolg daarvan kreeg [gedaagde] een aantal maanden niet betaald en is hij in financiële problemen terecht gekomen. Omdat er vervolgens beslag op zijn loon is gelegd, is hij in de knel gekomen met de aflossingen aan Amsterdomus. Ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat hij onzorgvuldig met zijn schulden is omgegaan. Inmiddels stelt hij als verpleger op basis van een nul-uren-contract in loondienst te zijn, en daarnaast ook extra flexwerk als uitzendkracht aan te nemen. Gemiddeld verdient hij met beide banen zo’n € 5.000,00 per maand, aldus [gedaagde]. Daarmee zou hij een bedrag van € 500,00 per maand kunnen aflossen, naast betaling van de lopende huur. Ook verwacht hij in oktober of november van dit jaar nog een bedrag van ongeveer € 5.000,00 te ontvangen voor zijn zzp-werk via de bemiddelaar die failliet is gegaan. Dat bedrag is hij bereid direct aan Amsterdomus te betalen. Verder stelt [gedaagde] dat hij ongeveer € 5.000,00 van een vriendin kan lenen om een deel van de huurachterstand op korte termijn af te lossen. De eerdere huurschuld uit 2024 is volledig afbetaald.
Art. 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) vereist dat de rechter bij de beoordeling van ontruimingsvorderingen dient te waarborgen dat de belangen van het kind een eerste overweging vormen. [gedaagde] woont met zijn dochter van elf jaar oud in het gehuurde. [gedaagde] is alleenstaande vader, de moeder van zijn dochter is enkele maanden geleden overleden. De moeder van [gedaagde] woont in de buurt van het gehuurde en helpt met de zorg voor zijn dochter wanneer [gedaagde] aan het werk is. [gedaagde] heeft aangevoerd dat er voor hem en voor zijn dochter op korte termijn geen concrete adequate alternatieve huisvesting is. Bij zijn moeder kunnen ze niet terecht omdat zij maar één slaapkamer heeft. Eén en ander maakt dat de stabiliteit van de huidige woning en de sociale omgeving daarvan van groot belang is voor zijn dochter.
De conclusie is dat [gedaagde] ernstig tekort is geschoten in de betaling van de huur, en dat dit niet de eerste keer is. Anderzijds geldt dat de financiële problemen nu voorbij lijken en [gedaagde] in staat is om de huur te voldoen en de huurschuld, rekening houdend met de 2x € 5000,00 extra aflossing, binnen aanvaardbare termijn wordt ingelopen. Ook telt zwaar mee dat [gedaagde] de zorg heeft voor zijn minderjarig kind. De belangenafweging pakt al met al uit in het voordeel van [gedaagde], maar alleen indien hij zijn betalingstoezeggingen nakomt.
De kantonrechter zal de vorderingen daarom voorwaardelijk toewijzen. Dit betekent dat Amsterdomus aan de toewijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming geen rechten kan ontlenen als:
-
[gedaagde] vanaf 1 november 2026 elke maand, zolang de onder b genoemde afbetaling loopt, de lopende huur aan Amsterdomus betaalt, steeds uiterlijk op de eerste dag van de maand, én
-
[gedaagde] de huurachterstand tot en met oktober 2026 van € 21.718,61, die in dit vonnis wordt toegewezen, aan Amsterdomus betaalt op de hierna genoemde wijze:
Het onder b genoemde bedrag moet op de volgende manier worden betaald. Uiterlijk op 30 november 2026 betaalt [gedaagde] een extra bedrag van € 10.000,00 aan Amsterdomus. Met ingang van 1 december 2026 betaalt [gedaagde] maandelijks € 500,00 extra ter aflossing van de huurschuld tot het restantbedrag van € 11.718,61 is voldaan. De eerste termijn moet uiterlijk op 1 december 2026 zijn ontvangen en iedere volgende termijn steeds uiterlijk op de eerste dag van de daaropvolgende maand.
Als [gedaagde] één van de hiervoor genoemde bedragen niet of niet tijdig betaalt, wordt de huurovereenkomst ontbonden, moet [gedaagde] het gehuurde ontruimen en kan Amsterdomus het restantbedrag in één keer opeisen.
Ambtshalve toetsing
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
Amsterdomus heeft de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden in het geding gebracht, zodat de kantonrechter ambtshalve kan beoordelen of de bedingen die daarin staan een oneerlijk karakter hebben.
Geoordeeld wordt dat het huurprijs- en het servicekostenbeding transparante kernbedingen zijn. Dit betekent dat deze bedingen niet hoeven te worden getoetst op oneerlijkheid.
In artikel 5.2 van de huurovereenkomst is een huurprijswijzigingsbeding opgenomen waarin – kort gezegd – staat dat de huur kan worden gewijzigd op grond van de CPI-index met daarnaast een opslagbeding van maximaal 1%. De kantonrechter acht het huurprijswijzigingsbeding niet oneerlijk.
In artikel 11.2 van de huurovereenkomst is bepaald, voor zover van belang:
“Voor iedere overtreding van een verplichting uit deze huurovereenkomst en bijbehorende algemene bepalingen, voor zover niet reeds hiervoor in artikel 11.1 genoemd, is huurder aan verhuurder een direct opeisbare boete van € 250,00 per kalenderdag verschuldigd, met een maximum van € 10.000,00 onverminderd zijn gehoudenheid om alsnog aan deze verplichting te voldoen en onverminderd verhuurders recht op (aanvullende) schadevergoeding.”
Dit beding geeft Amsterdomus de mogelijkheid een boete op te leggen aan de huurder als deze de huur niet volledig en op tijd betaalt. Deze boete is veel hoger dan de wettelijke rente, die een consument normaliter is verschuldigd. Weliswaar is de boete gemaximeerd, maar in verhouding tot de verschuldigde wettelijke rente is de limiet buitenproportioneel hoog. Dit maakt dat het boetebeding het evenwicht tussen partijen aanzienlijk verstoort, in het nadeel van de consument. Gevolg van de oneerlijkheid is dat het beding buiten toepassing moeten wordt gelaten. Op het beding kan dus geen beroep worden gedaan. Omdat sprake is van een oneerlijk beding, kan ook niet worden teruggevallen op een eventuele wettelijke regeling (zie ECLI:EU:C:2021:68). De gevorderde wettelijke rente wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Amsterdomus worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
559,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
1.154,00 |
(2 punten × € 577,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.010,02 |
Uitvoerbaar bij voorraad
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat het belang van de Amsterdomus bij directe uitvoering thans zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Amsterdomus te betalen de bedragen genoemd in rechtsoverweging 4.7, op de wijze zoals daarin opgenomen,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.010,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
en voorwaardelijk, namelijk voor het geval [gedaagde] niet voldoet aan de veroordeling onder 5.1,
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] in Amsterdam,
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Amsterdomus zijn, en de sleutels af te geven aan Amsterdomus,
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Amsterdomus:
- € 21.718,61 aan achterstallige huur tot en met oktober 2026,
- € 1.686,40 per maand vanaf november 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, kantonrechter, bijgestaan door mr. L.W. Oosthoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026. |
||
64443