Civiel recht overig

Huurovereenkomst; ontbinding en ontruiming; vermindering van eis.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
12288608 \ CV EXPL 26-2324
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10491
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Huurovereenkomst; ontbinding en ontruiming; vermindering van eis.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: 12288608 \ CV EXPL 26-2324

Vonnis van 28 oktober 2026

in de zaak van

WONINGSTICHTING WOONVIZIER,

te Made,

eisende partij,

hierna te noemen: Woningstichting Woonvizier,

gemachtigde: Landelijke Associatie Van Gerechtsdeurwaarders B.V. te Groningen,

tegen

[huurder] ,

te [plaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [huurder],

procederend in persoon.

De zaak in het kort

[huurder] huurt een woning van Woningstichting Woonvizier. Op dit moment is er een huurachterstand. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Woningstichting Woonvizier haar eis vanwege omstandigheden beperkt tot betaling van die achterstand, vermeerderd met proceskosten. Daarmee ziet Woningstichting Woonvizier af van ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. De kantonrechter zal de (verminderde) vordering van Woningstichting Woonvizier toewijzen. Hierna legt de kantonrechter dit oordeel uit.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 4 juni 2026 met producties;
- de conclusie van antwoord van 1 juli 2026;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- de akte van Woningstichting Woonvizier met een actueel overzicht van de openstaande huurachterstand;

- de mondelinge behandeling van 8 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Woningstichting Woonvizier verhuurt met ingang van 22 mei 2023 aan [huurder] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt bij dagvaarding € 706,71 per maand en momenteel € 731,80 per maand. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.

2.2.

[huurder] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Woningstichting Woonvizier heeft [huurder] aangemaand op 9 april 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.

2.3.

Woningstichting Woonvizier heeft [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [huurder] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. Woningstichting Woonvizier heeft [huurder] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

2.4

[huurder] heeft inmiddels een budgetcoach en er is bemiddeling bij schulden via de Kredietbank op gang gebracht. De lopende huur wordt door middel van de budgetcoach betaald.

3 Het geschil

3.1.

Woningstichting Woonvizier beperkt haar eis tijdens de mondelinge behandeling tot een bedrag van in totaal € 3.571,47 aan huurachterstand, vermeerderd met de proceskosten. Daarmee ziet de verhuurder af van ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Daarom hoeft de vordering tot ontruiming van het gehuurde en de andere vorderingen die daarbij horen niet verder te worden behandeld. De stichting voert aan dat in overleg met Kredietbank Nederland een afkoopregeling is getroffen, waarin de huurachterstand is meegenomen. Ook zegt zij dat de huur de afgelopen maanden wel is betaald, maar te laat.

3.2.

Woningstichting Woonvizier heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [huurder] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. In de akte van 2 september 2026 heeft Woningstichting Woonvizier een overzicht overgelegd van de actuele huurachterstand. Tijdens de procedure is de huurachterstand toegenomen. [huurder] heeft de huur van september 2026 namelijk (nog) niet betaald. Dit maakt dat de actuele huurachterstand € 3.571,47 bedraagt tot en met september 2026.

3.3.

[huurder] erkent dat er een achterstand is in de huurbetalingen, zoals Woningstichting Woonvizier ter zitting heeft gesteld. Deze achterstand is ontstaan doordat [huurder] een periode zonder werk zat. Op dit moment werkt [huurder] via een uitzendbureau en heeft hij uitzicht op een dienstverband. Daarnaast geeft [huurder] aan dat er inmiddels een afkoopregeling loopt via zijn budgetcoach en de Kredietbank. Enkel nog één schuldeiser moet daarmee akkoord gaan. Tot slot geeft [huurder] aan dat de huur voor september 2026 nog niet is betaald, omdat zijn budgetcoach de huur elke maand op de 10e betaalt.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op de erkenning aan de zijde van [huurder] ligt de gevorderde huurachterstand, die - berekend tot en met september 2026 - € 3.571,47 bedraagt, voor toewijzing gereed.

Daarbij overweegt de kantonrechter dat ter zitting door Woningstichting Woonvizier is erkend dat de huur telkens rond de 10e van maand wordt betaald en dat zij met deze betaalwijze akkoord is gegaan. Dat betekent dat mogelijk de huur over de maand september 2026 een aantal dagen na de mondelinge behandeling alsnog is betaald. De kantonrechter wijst dan ook de gevorderde huurachterstand toe, met dien verstande dat daarvan een maand huur moet worden afgetrokken als de huur over de maand september 2026 inmiddels is voldaan. Alsdan dient [huurder] een bedrag van € 2.839,67 te betalen.

4.2.

[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woningstichting Woonvizier worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

153,77

- griffierecht

€

529,00

- salaris gemachtigde

€

506,00

(2 punten × € 253,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.332,77

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [huurder] om te betalen aan Woningstichting Woonvizier € 3.571,47 aan achterstallige huur tot en met september 2026, dan wel tot betaling van een bedrag van € 2.839,67 indien de huur over de maand september 2026 op of omstreeks 10 september 2026 is voldaan;

5.2.

veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.332,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.