Civiel recht overig

KG Oekrainse vennootschap heeft conservatori beslag gelegd ten laste van Volga-Dnepr Logistics BV. Vordering…

Rechtbank Amsterdam, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
14 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/791193 / KG ZA 26-652
Procedure
Conservatoire maatregel
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10155
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

KG Oekrainse vennootschap heeft conservatori beslag gelegd ten laste van Volga-Dnepr Logistics BV. Vordering tot opheffing van dit beslag wordt afgewezen

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/791193 / KG ZA 26-652 LV/MV

Vonnis in kort geding van 12 oktober 2026

in de zaak van

VOLGA-DNEPR LOGISTICS B.V.,

te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer),

eisende partij bij dagvaarding van 22 juli 2026,

hierna te noemen: Volga,

advocaten: mr. M.G.T. Boer, mr. B.A. Boersma en mr. J.E.T. van Oort,

tegen

de vennootschap naar Oekraïens recht

LLC MANUFACTURING AND COMMERCIAL COMPANY AVTODORKOMPLEKT,

te Zaporizja (Oekraïne),

gedaagde partij,

hierna te noemen: Avtodor,

advocaten: mr. M.C. van Leyenhorst en mr. A. Oorthuys.

1 De procedure

1.1.

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 21 september 2026 heeft Volga de dagvaarding toegelicht. Avtodor heeft mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd.

1.2.

Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Avtodor heeft bezwaar gemaakt tegen de producties 16 tot en met 23 van Volga omdat de late toezending daarvan in strijd zou zijn met de goede procesorde. De voorzieningenrechter heeft de producties toegelaten omdat zij – in overeenstemming met het procesreglement – meer dan 24 uur voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn ingediend. Indien blijkt dat de inhoud van de producties doorslaggevend is bij haar oordeelsvorming, zal de voorzieningenrechter Avtodor in de gelegenheid stellen hier alsnog bij akte op te reageren.

1.3.

Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van Volga: mr. Boer, mr. Boersma en mr. Van Oort;
aan de zijde van Avtodor: mr. Van Leyenhorst en mr. Oorthuys.

1.4.

Na verder debat is vonnis bepaald op 12 oktober 2026.

2 De feiten

2.1.

Volga treedt op als houdster- en financieringsmaatschappij voor de werkmaatschappijen in de Russische Volga-Dnepr Group, die zich bezig houdt met luchtvrachttransport, onderhoud van vliegtuigen en leaseactiviteiten.

2.2.

Avtodor is een Oekraïense vennootschap die zich bezig hield met de winning,

verwerking en verkoop van granietproducten. Avtodor is failliet verklaard. Zij procedeert in eigen naam, maar onder bewind van haar curator ( [curator] ).

2.3.

Op 28 juli 2025 heeft Avtodor bij de rechtbank Zaporizja (te Oekraïne) een procedure aanhangig gemaakt tegen 34 Russische en Europese rechtspersonen, waaronder Volga. In die procedure heeft Avtodor – kort gezegd – gevorderd gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van (omgerekend) ongeveer
€ 590.000.000.

2.4.

Bij verzoekschrift van 30 juli 2025 heeft Avtodor aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd tot het leggen van conservatoire derdenbeslagen ten laste van Volga onder vier banken (Deutsche Bank AG, ABN AMRO Bank N.V., ING Bank N.V. en Coöperatieve Rabobank UA). De onder 2.3 genoemde procedure geldt, aldus het beslagrekest, als de hoofdzaak in het kader van het te leggen conservatoir beslag.

2.5.

In het beslagrekest van Avtodor staat onder meer het volgende :

- Avtodor bezit mijnbouwrechten op graniet- en diorietafzettingen op ongeveer 65 kilometer

van de stad Mariupol in de provincie Donetsk in Oekraïne;

- in januari 2022 is Avtodor gestart met de winning en verwerking van graniet voor de

levering aan een Oostenrijkse afnemer waarmee zij een contract had gesloten;

- in februari 2022 lanceerde de Russische Federatie, met vrijwillige, directe en actieve

financiering en logistieke en materiële steun van verschillende Russische industriële

groepen de “2022 Russische Campagne”; die campagne omvatte de invasie en bezetting van Oekraïne en de verduistering door, en herverdeling onder, loyale Russische industriële groepen, van activa van Oekraïense bedrijven (waaronder Avtodor’s bedrijf);

- tot de Russische industriële groepen die de Russische Campagne mogelijk maakten,

behoort de groep waarvan Volga onderdeel uitmaakt;
- deze groep was ten tijde van de Russische Campagne volledig (indirect) eigendom van de Russische zakenlieden [naam 1] en [naam 2] ;

- de vliegtuigen van de Volga-groep waren actief betrokken bij de Russische invasie in Oekraïne, onder meer door Russisch militair materieel conform instructies van het Russische Ministerie van Defensie te vervoeren en te verplaatsen;

- de Volga-groep heeft bedoeld, voorzien of had moeten voorzien dat haar handelingen

de Russische Campagne mogelijk zouden maken en bevorderen en dat als gevolg

daarvan schade zou worden toegebracht aan partijen zoals Avtodor;

- na de bezetting van de locatie waar Avtodor haar mijnbouwcomplex had werd dit complex

onrechtmatig in bezit genomen door het “staats”-mijnbouwbedrijf Nedra DPR van de niet-

erkende Volksrepubliek Donetsk;

- Nedra DPR kwalificeert vermoedelijk als de partij die het meest direct verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de veroorzaakte schade, maar Avtodor acht de kans van een

succesvolle tenuitvoerlegging van een vonnis tegen Nedra DPR te verwaarlozen en heeft

Nedra DPR daarom niet in de hoofdzaak betrokken;

- in de dagvaarding in de hoofdzaak van 28 juli 2025 is de hoofdelijke aansprakelijkheid van Volga gestoeld op groepsaansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad en alter ego-aansprakelijkheid;

- op grond van de Oekraïense IPR-wet is de Oekraïense rechter bevoegd en is Oekraïens

recht van toepassing;

- het door de Oekraïense rechter te wijzen vonnis in de hoofdzaak kan in Nederland worden

erkend en ten uitvoer gelegd;

- de conservatoire beslagen zijn noodzakelijk en voldoen aan de eisen van proportionaliteit

en subsidiariteit.

2.6.

Op 31 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof verleend. De vordering is hierbij (inclusief rente en kosten) begroot op € 910.000.000.

2.7.

Op 1 augustus 2025 heeft Avtodor de conservatoir derdenbeslagen ten laste van Volga gelegd. Alleen het beslag op de bankrekeningen van Volga onder ING Bank N.V. (hierna ING) heeft doel getroffen.

2.8.

Op 15 augustus 2025 heeft ING een Verklaring Derdenbeslag afgegeven aan de deurwaarder. Hierin staat dat de tegoeden van Volga op haar bankrekeningen bij ING op het moment van beslaglegging € 151.122,61 en USD 76.046.440,90 bedroegen.

2.9.

Bij e-mail van 3 september 2025 heeft ING op vragen van de deurwaarder onder meer als volgt gereageerd:
Naar aanleiding van uw vraag omtrent de van toepassing zijnde sancties het volgende. Twee van Volga Dnepr Logistics’ (VDL) (indirecte) aandeelhouders ( [naam 1] en [naam 2] ) zijn sinds augustus 2024 onderhevig aan Amerikaanse “blocking” sancties; meer specifiek zijn zij “OFAC SDN” onder Executive Order 14024 “Blocking Property with Respect to Specified Harmful Foreign Activities of the Government of the Russian

Federation”. Omdat zij samen meer dan 50% van de aandelen in VDL bezitten, wordt VDL op grond van de zogenaamde “50% rule” beschouwd als onderhevig aan dezelfde blocking sancties. Voor ING als internationaal opererende bank is dit een tweede, separate grond om de tegoeden van VDL te blokkeren.

2.10.

In de onder 2.3 genoemde procedure heeft de rechtbank te Zaporizja op 10 februari 2026 een tussenvonnis gewezen, op 28, 29 en 30 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden en op 30 juni 2026 is een eindvonnis gewezen. In dit eindvonnis zijn de 34 gedaagden, waaronder Volga, hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van ongeveer € 610.000.000. Volga heeft in deze procedure geen verweer gevoerd.

3 Het geschil

3.1.

Volga vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. alle door Avtodor gelegde conservatoire beslagen op te heffen;

II. Avtodor te gebieden om ING schriftelijk te berichten dat het onder haar gelegde beslag is opgeheven;

III. Avtodor te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000.000 voor iedere dag dat de veroordeling onder II niet volledig wordt nagekomen;

IV. subsidiair Avtodor te veroordelen zekerheid te stellen tot een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, in de vorm van een onherroepelijke bankgarantie afgegeven door een in Nederland gevestigde bank, op straffe van verval van het beslag;

V. Avtodor te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding.

3.2.

Volga legt aan haar vorderingen – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. Avtodor heeft ter voldoening van haar schade niet alleen conservatoir beslag gelegd ten laste van Volga, maar ook ten laste van een aantal Gazprom-vennootschappen en ten laste van een aantal EuroChem-vennootschappen. Die Gazprom- en EuroChem-vennootschappen zijn, net als Volga, gedaagden in de onder 2.3 genoemde procedure in Oekraïne. De Gazprom-vennootschappen hebben in een eerdere procedure eveneens opheffing van ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen gevorderd. Het gerechtshof Amsterdam heeft die vordering toegewezen in zijn arrest van 13 januari 2026 omdat sprake was van (1) misbruik van bevoegdheid, (2) omzeiling van immuniteit van jurisdictie en (3) schending door Avtodor van artikel 21 Rv. De door het gerechtshof aangenomen opheffingsgronden gelden onverkort in dit kort geding. Ter toelichting geldt het volgende:
(ad 1) Avtodor maakt misbruik van (beslag)bevoegdheid. Het beslag treft Volga onevenredig zwaar omdat het haar bedrijfsvoering ernstig ontwricht, terwijl Volga (een Nederlandse vennootschap) geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Volga kan bovendien (naar Nederlands recht) niet zo maar worden vereenzelvigd met een Russische groepsmaatschappij. Dat het beslag de bedrijfsvoering van Volga ernstig ontwricht blijkt onder meer uit het feit dat:
- Volga de kosten voor haar Engelse en Nederlandse advocaten niet (of pas na veel moeite) kan voldoen,
- Volga de kosten voor haar postadres niet meer kan betalen (zodat zij niet langer kan voldoen aan de eisen van artikel 5 Handelsregisterwet),
- Volga haar garantieverplichtingen (uit hoofde van leaseovereenkomsten van vliegtuigen) niet langer kan nakomen,
- Volga niet meer beschikt over voldoende liquide middelen om haar lopende verplichtingen na te komen (dit geldt ook voor de Volga-groep als geheel).
Het beslag kan voorts als een Event of Default kwalificeren onder Volga’s financierings-overeenkomsten, hetgeen leidt tot onmiddellijke opeisbaarheid van haar leningen.

Het beslag is bovendien onnodig, omdat Avtodor voor dezelfde vordering reeds beslag heeft gelegd onder tal van andere vennootschappen en de cumulatieve waarde daarvan de gestelde schade ruimschoots overtreft. Tot slot zal Avtodor voor de schade die het beslag veroorzaakt geen verhaal bieden, nu zij in staat van faillissement verkeert.
(ad 2) Uit het beslagrekest alsmede uit eerdere Oekraïense vonnissen volgt dat Rusland (vertegenwoordigd door Nedra DPR) verantwoordelijk wordt gehouden voor de onteigening van de onderneming van Avtodor. Onteigening is een vorm van overheidshandelen (acte jure imperii), waarvoor immuniteit van jurisdictie geldt. Avtodor ontkent dit niet en heeft Rusland om die reden niet betrokken bij de procedure in Oekraïne. Door private rechtspersonen aan te spreken voor schade die is veroorzaakt door Rusland omzeilt Avtodor de immuniteit van jurisdictie. Of sprake is van immuniteit van jurisdictie dient de voorzieningenrechter ambtshalve te toetsen. Het betreft dwingend recht. Is sprake van immuniteit van jurisdictie, dan ontbreekt rechtsmacht. De voorzieningenrechter kan deze toets niet doorschuiven naar de latere tenuitvoerleggingsfase. Dit volgt onder meer uit het VN-Immuniteitsverdrag. Artikel 6 lid 2 sub b van dit verdrag bepaalt bovendien dat immuniteit niet alleen geldt wanneer een vreemde staat partij is, maar ook wanneer de procedure beoogt diens eigendommen, rechten, belangen of activiteiten te raken (indirect impleading). Artikel 6 lid 2 van het verdrag codificeert internationaal gewoonterecht, hetgeen onder meer wordt bevestigd door het arrest van het gerechtshof ‘s Hertogenbosch van 23 juli 2024. In dit geval raakt de Oekraïense bodemprocedure de eigendommen, rechten, belangen en activiteiten van Rusland. De rechter in die procedure dient immers de rechtmatigheid te beoordelen van de Russische militaire activiteiten en de vordering strekt ertoe de onteigening door Rusland ongedaan te maken. De verschillende door Avtodor gevoerde procedures zijn bovendien communicerende vaten. Toewijzing in de ene procedure wijzigt van rechtswege de omvang van de verplichtingen van Rusland in de andere procedure.
(ad 3) Avtodor heeft in haar beslagrekest artikel 21 Rv geschonden door essentiële informatie te verzwijgen. Avtodor heeft nagelaten om toe te lichten waarom immuniteit van jurisdictie geen beletsel zou vormen voor het leggen van beslag. Ook heeft zij nagelaten het belang van eerdere Oekraïense vonnissen die zijn gewezen op vordering van Avtodor (tegen Rusland en tegen een aantal Gazpromvennootschappen als alter ego’s van Rusland) te schetsen.

3.3.

Het beslag moet eveneens worden opgeheven, aldus Volga, omdat de vordering van Avtodor summierlijk ondeugdelijk is als bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv. In dit kader voert Volga aan dat de Oekraïense rechter onbevoegd is om kennis te nemen van vorderingen die voortvloeien uit soeverein overheidshandelen. Avtodor’s vordering had volgens Oekraïens internationaal privaatrecht moeten worden gebaseerd op het recht van de staat waar de schadeveroorzakende handeling heeft plaatsgevonden. Het door Avtodor als onrechtmatig bestempelde handelen van de Russische vennootschap van de Volga-groep – het beweerdelijk transporteren van militaire uitrusting – vond plaats in Rusland, Belarus en China, niet in Oekraïne. Avtodor baseert haar vordering ten onrechte op Oekraïens recht. Naar Oekraïens en Russisch recht is bovendien geen sprake van een onrechtmatige daad, onder meer omdat het causaal verband ontbreekt. Volga is in de Oekraïense procedure niet volgens de eisen van het Haags Betekeningsverdrag van 1965 opgeroepen en ook om die reden kan een Oekraïens vonnis niet in Nederland worden erkend of ten uitvoer worden gelegd. Het Erkenningsverdrag is niet van toepassing omdat Oekraïne op 8 december 2023 een territoriale uitsluiting van toepassing heeft verklaard voor onder meer Zaporizja. Bovendien kan een Oekraïens vonnis in dit geval niet worden erkend en tenuitvoergelegd wegens strijd met de openbare orde. Volga beschikt immers over vergaande aanwijzingen dat de vordering van Avtodor berust op fraude. De hoogte van de vordering is volstrekt ongeloofwaardig.

3.4.

Avtodor heeft verweer gevoerd en aanspraak gemaakt op een volledige kostenvergoeding omdat Volga zich in de dagvaarding schuldig heeft gemaakt aan schending van artikel 21 Rv. De kosten voor het opstellen van de conclusie van antwoord maximeert zij op € 6.000.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 705 lid 2 Rv kan de opheffing van een conservatoir beslag onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag.

4.2.

In navolging van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 januari 2026 heeft Volga in dit kort geding opheffing gevorderd van de beslagen op grond van (1) misbruik van bevoegdheid, (2) staatsimmuniteit en (3) schending van artikel 21 Rv. Daarnaast heeft Volga gesteld dat de vordering van Avtodor om meerdere redenen summierlijk ondeugdelijk is als bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv.

misbruik van (beslag)bevoegdheid

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van Avtodor. Dat het beslag Volga onevenredig zwaar treft omdat het haar bedrijfsvoering ernstig ontwricht, is niet aannemelijk. Uit de verklaring van ING (zie 2.9) volgt immers dat de beslagen saldi reeds sinds augustus 2024 (dus één jaar voorafgaand aan de beslaglegging) zijn geblokkeerd omdat de (indirect) aandeelhouders van Volga, die samen meer dan 50% van de aandelen bezitten, zijn getroffen door Amerikaanse sancties. Om die reden is niet aannemelijk dat de door Volga gestelde nadelige gevolgen, die zien op de ontwrichting van haar bedrijfsvoering, aan het beslag te wijten zijn. Dat sprake is van sancties blijkt weliswaar uit de door Volga in het geding gebrachte verklaring van ING (zie 2.9), maar zij heeft dit niet vermeld in haar dagvaarding, hetgeen als een schending van artikel 21 Rv kan worden aangemerkt.

4.4.

De sancties maken bovendien dat Volga geen (althans onvoldoende) belang heeft bij opheffing van de beslagen omdat opheffing niet zal leiden tot vrijgave van de beslagen saldi. Weliswaar heeft Volga op de mondelinge behandeling van dit kort geding aangevoerd dat zij eerst de beslagen opgeheven wil zien zodat zij daarna ING kan verzoeken de blokkade op te heffen, maar op welke gronden zij dit verzoek wil doen en dat een dergelijk verzoek kansrijk zou zijn, heeft zij in het geheel niet onderbouwd. Ook de stelling (die voor het eerst op de mondelinge behandeling is ingenomen) dat de aandelen in Volga verkocht kunnen worden aan een (niet-gesanctioneerde derde) als de beslagen zijn opgeheven en dat dan de blokkade zal worden opgeheven is op geen enkele wijze onderbouwd.

4.5.

Evenmin kan misbruik van bevoegdheid worden aangenomen op basis van de stelling van Volga dat het beslag als een Event of Default kan kwalificeren onder Volga’s financieringsovereenkomsten. Ook dit heeft Volga niet onderbouwd. Het beslag is eveneens niet onnodig (ondanks dat Avtodor voor dezelfde vordering beslag heeft gelegd onder tal van andere vennootschappen) omdat niet vaststaat in hoeverre die andere beslagen doel hebben getroffen. Bovendien is niet gebleken dat Avtodor die andere beslagen reeds te gelde heeft kunnen maken. Tot slot is de stelling van Volga dat Avtodor voor de schade die het beslag veroorzaakt geen verhaal kan bieden, onvoldoende om misbruik van bevoegdheid aan te nemen. Dat mogelijke schade te wijten is aan het beslag staat onvoldoende vast nu de beslagen saldi reeds sinds augustus 2024 zijn geblokkeerd vanwege de sancties.


immuniteit van jurisdictie

4.6.

Volga beroept zich op het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 januari 2026 in het kort geding dat was aangespannen door de Gazprom-vennootschappen. In die zaak heeft het hof geoordeeld dat Avtodor de immuniteit van jurisdictie omzeilt (en dat dit ook misbruik van bevoegdheid oplevert). Nadien heeft zowel de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak van de EuroChem-vennootschappen als het gerechtshof Den Haag (in de exequaturverzoeken in de zogenoemde Zhnyva- en Slavutichzaken) kort gezegd geoordeeld dat Rusland in die zaken geen immuniteit van jurisdictie toekomt. Ook heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag Avtodor op 31 juli 2026 opnieuw verlof verleend om ten laste van de Gazprom-vennootschappen conservatoir beslag te leggen, ondanks het arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin die beslagen – onder meer vanwege de immuniteit van jurisdictie – juist waren opgeheven. Anders dan Volga doet voorkomen is de rechtspraak over dit onderwerp dan ook niet eenduidig.

4.7.

In navolging van de onder 4.6 aangehaalde uitspraken is de voorzieningenrechter ook hier van oordeel dat van directe staatsimmuniteit geen sprake is. Rusland is geen partij in deze of in de hiervoor onder 2.3 genoemde procedure. Ook het leerstuk van indirect impleading baat Volga niet. De vorderingen van Avtodor in Nederland en Oekraïne richten zich niet tegen Rusland en de tenuitvoerlegging van het Oekraïense vonnis (zie hiervoor onder 2.3) in Nederland tast de (eigendoms)rechten, aansprakelijkheden of rechtspositie van Rusland in Nederland niet aan. Dit vormt dus geen grond voor opheffing van de conservatoire beslagen. Voor de verdere motivering van dit oordeel verwijst de voorzieningenrechter naar r.o. 4.2 tot en met 4.5 van het vonnis van de voorzieningenrechter van 11 februari 2026 en naar r.o. 6.29 e.v. van de beschikkingen van het gerechtshof Den Haag van 9 juni 2026.

schending van artikel 21 Rv

4.8.

Volga heeft in dit kader aangevoerd dat Avtodor in haar beslagrekest essentiële informatie zou hebben verzwegen omdat zij zou hebben nagelaten om toe te lichten waarom immuniteit van jurisdictie geen beletsel zou vormen voor het leggen van beslag. Dit gaat – gezien hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.6 en 4.7 – niet op. Overigens heeft Avtodor onder punt 63 e.v. van haar beslagrekest (bij de bespreking van de te verwachten verweren) uitgelegd waarom in haar visie staatsimmuniteit geen rol speelt. Er is in dat verband verwezen naar stukken in een eerder kort geding (van de Gazprom-vennootschappen tegen Avtodor) waarvan de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 24 juli 2025 (dus kort voor het indienen van het beslagrekest) had plaatsgevonden.

4.9.

Ook heeft Avtodor in haar beslagrekest melding gemaakt van eerdere Oekraïense vonnissen (van Avtodor tegen Rusland en van Avtodor tegen een aantal Gazprom-vennootschappen als alter ego’s van Rusland), althans er is verwezen naar stukken in het onder 4.8 genoemde kort geding, waaruit een en ander blijkt. Het verwijt van Volga dat ziet op het niet vermelden van die eerdere vonnissen gaat dus niet op. Dit betekent dat geen sprake is van schending van artikel 21 Rv, laat staan dat een dergelijke schending tot opheffing van de beslagen zou moeten leiden.


vordering summierlijk (on)deugdelijk

4.10.

De vordering van Avtodor waarvoor het beslag is gelegd is toegewezen door de Oekraïense rechter. Dat vonnis dateert van 30 juni 2026, maar is niet genoemd in de dagvaarding van Volga, die op 22 juli 2026 is uitgebracht. Ook dit kan als een schending van artikel 21 Rv worden aangemerkt. Weliswaar heeft Volga op de mondelinge behandeling van dit kort geding aangevoerd dat zij op 22 juli 2026 nog niet de beschikking had over het vonnis, maar Avtodor heeft een e-mail (met daarbij gevoegd het vonnis) in het geding gebracht van 17 juli 2026, die is gericht aan de advocaten van Volga.

4.11.

Nu de vordering waarvoor beslag is gelegd is toegewezen door de Oekraïense rechter, is die vordering niet summierlijk ondeugdelijk als bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv. Dat het vonnis in hoger beroep zal worden vernietigd, zoals Volga impliceert, betekent niet dat de vordering (op dit moment) summierlijk ondeugdelijk is. Dat het vonnis van de Oekraïense rechter niet kan worden erkend in Nederland omdat niet aan de eisen van het Haags Betekeningsverdrag zou zijn voldaan (of omdat de rechter corrupt was of de vordering frauduleus), maakt de vordering evenmin summierlijk ondeugdelijk. De Nederlandse rechter aan wie te zijner tijd het exequaturverzoek zal worden voorgelegd zal aan de hand van wat partijen dan naar voren brengen moeten onderzoeken of in de Oekraïense procedure is voldaan aan alle elementaire beginselen, en zo nee, of dat aan erkenning en tenuitvoerlegging in de weg staat. Overigens heeft Avtodor in dit kort geding aan de hand van producties 12 tot en met 18 voldoende aannemelijk gemaakt dat Volga op meerdere momenten (per e-mail of per post) in kennis is gesteld van het aanhangig maken en het verloop van de procedure in Oekraïne.

4.12.

Dat het Erkenningsverdrag niet van toepassing zou zijn vanwege de door Oekraïne op 8 december 2023 afgelegde verklaring die er – kort gezegd – op neer zou komen dat het verdrag niet geldt in die gebieden in Oekraïne waar Russisch recht van toepassing is verklaard of waar een gewapend conflict plaatsvindt, is door Avtodor bestreden. Ook een oordeel hierover is voorbehouden aan de rechter aan wie te zijner tijd het exequaturverzoek zal worden voorgelegd. Op voorhand is niet zo evident dat op deze grond een exequaturverzoek zal worden afgewezen, dat hierop in dit kort geding kan worden vooruitgelopen. Verwezen wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag in het vonnis van 15 augustus 2024. Dit oordeel komt er – kort gezegd – op neer dat de verklaring van Oekraïne van 8 december 2023 er niet aan in de weg staat dat een vonnis van de rechtbank Zaporizja in Nederland wordt erkend. Overigens kan Avtodor ook een ‘quasi-exequatur’ verzoeken op grond van artikel 431 lid 2 Rv.


conclusie tot zover
4.13. De conclusie tot zover is dat geen van door Volga aangevoerde gronden kan leiden tot opheffing van het beslag. Dit houdt in dat vorderingen I, II en III worden afgewezen.

de vordering tot het stellen van zekerheid

4.14.

De subsidiaire vordering (om Avtodor te veroordelen zekerheid te stellen voor schade als gevolg van het beslag, in de vorm van een onherroepelijke bankgarantie) acht de voorzieningenrechter evenmin toewijsbaar. Allereerst heeft Volga nagelaten hieraan een concreet bedrag te verbinden en van de voorzieningenrechter kan niet worden verwacht mogelijke schade te gaan begroten. Belangrijker is echter dat het maar zeer de vraag is of mogelijke schade aan Avtodor kan worden toegerekend nu de beslagen banksaldi al eerder geblokkeerd waren vanwege de sancties.

proceskosten

4.15.

Volga is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De vordering van Avtodor om Volga te veroordelen in de werkelijke advocaatkosten (te maximeren op € 6.000) zal niet worden toegewezen. Hiervoor is vereist dat sprake is van misbruik van procesrecht en dat kan in dit geval niet worden aangenomen. Omdat wel sprake is van schendingen door Volga van artikel 21 Rv (zie hiervoor onder r.o. 4.3 en 4.10), wordt aanleiding gezien het salaris advocaat vast te stellen op € 1.766 in plaats van het in kort geding gebruikelijke tarief van € 1.177. De proceskosten van Avtodor worden derhalve begroot op:

- griffierecht

€

735

- salaris advocaat

€

1.766

- nakosten

€

189

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.690

4.16.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt Volga in de proceskosten van € 2.690 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als Volga niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt Volga tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2026.


ECLI:NL:GHAMS:2026:73 Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht en van staten en hun eigendommen ECLI:NL:GHSHE:2024:2380 (Cerbuco) Verdrag betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnis in burgerlijke of handelszaken van 2 juli 2019 vonnis van 11 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1545 beschikkingen van 9 juni 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1843 en ECLI:NL:GHDHA:2026:1876 productie 25 van Avtodor in dit kort geding ECLI:NL:RBAMS:2025:5971 productie 19 van Avtodor ECLI:NL:RBDHA:2024:13221 zie hiervoor ook Hoge Raad 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 type: MV
coll: JT