Strafrecht overig

Een 32-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden voor het slaan van een…

Rechtbank Amsterdam, 22 juni 2018

Zaakgegevens

Op 22 juni 2018 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 juni 2018
Datum publicatie
20 juni 2018
Zaaknummer
13/741222-17 en 13/139065-16 (tul)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2018:4299
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Een 32-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden voor het slaan van een trambestuurster, beledigingen en een bedreiging. Voor de geweldsdelicten krijgt hij ook tbs met voorwaarden opgelegd (hij moet zich onder meer klinisch laten behandelen).

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/741222-17 en 13/139065-16 (tul)

Datum uitspraak: 22 juni 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in het Justitieel Complex [naam JC] te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.M. Smits, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.A. Muntjewerf, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij:

Feit 1: op 17 september 2017 te Amsterdam heeft gepoogd [slachtoffer 1] (zijnde een trambestuurster bij het GVB) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

subsidiair: op 17 september 2017 te Amsterdam voornoemde [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

Feit 2: op 17 september 2017 te Amsterdam voornoemde [slachtoffer 1] heeft beledigd;

Feit 3: op 15 september 2017 te Amsterdam [slachtoffer 2] (conductrice bij het GVB) heeft beledigd;

Feit 4: op 5 augustus 2017 te Amsterdam zijn vriendin [slachtoffer 3] heeft mishandeld;

Feit 5: op 5 augustus 2017 te Amsterdam voornoemde [slachtoffer 3] heeft bedreigd;

Feit 6: op 5 augustus 2017 te Amsterdam twee kinderen, [naam kind 1] ( [geboortedatum] ) en [naam kind 2] ( [geboortedatum] ), heeft mishandeld;


Feit 7: op 5 augustus 2017 te Amsterdam [slachtoffer 4] (werkzaam als brigadier bij de politie eenheid Amsterdam) heeft beledigd;


Feit 8: op 5 augustus 2017 te Amsterdam [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] (werkzaam als hoofdagenten bij de politie Eenheid Amsterdam) heeft beledigd.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Ook kan verdachte voor alle overige feiten worden veroordeeld op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Volgens de raadsvrouw dient verdachte van het onder feit 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken omdat onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen bij aangeefster. Voor feit 1 subsidiair en de feiten 2, 3, 7 en 8 refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw bepleit verder vrijspraak van de feiten 4, 5 en 6.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraken

4.3.1.1 Vrijspraak van feit 3

Aangeefster doet aangifte van belediging. Zij is op 15 september 2017 werkzaam als conductrice op tramlijn 26/7. Bij de halte Diemerparklijn stapt verdachte in met een GVB-pas(die enkel is bedoeld voor personeelsleden), waarop zij hem aansprak. De man begon hierop te roepen: ‘Wie denk je wel niet dat je bent, jij me je grote tanden in de bek, ga je haar kammen’. Ook zou hij haar hebben uitgescholden voor kut, hoer en kaulo.

Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij de bewuste dag in de tram met aangeefster heeft gesproken. Hij verklaart tegen haar te hebben gezegd dat ‘mensen met een spleet tussen de tanden gek zijn’. Dit was volgens verdachte een grapje. Hij heeft haar niet uitgescholden.

Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster dat zij is uitgescholden. De rechtbank stelt vast dat verdachte stelt grappend een opmerking te hebben gemaakt over de ‘grote tanden’ van aangeefster maar dat deze bewoordingen niet zonder meer geschikt zijn om daarmee andermans waardigheid te miskennen. De aangifte zelf is onvoldoende gespecificeerd en er is onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster. Op camerabeelden van die dag is zichtbaar dat verdachte druk bewegend voor aangeefster staat, maar voor het uitten van de hem verweten beledigende teksten is onvoldoende steunbewijs. Verdachte wordt van feit 3 vrijgesproken.

4.3.1.2 Vrijspraak van feit 4

Aangeefster verklaart dat zij op 5 augustus 2017 een woordenwisseling had met verdachte. Verdachte was geïrriteerd en boos en gaf aangeefster een duw. Zij verklaart dat verdachte haar niet heeft mishandeld en dat zij ook geen aangifte doet.

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van mishandeling vast moet staan dat pijn of letsel is opgetreden en dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte hierop was gericht. Nu uit de verklaring van aangeefster volgt dat zij geen pijn of letsel heeft bekomen, komt de rechtbank niet toe aan de vraag wat er precies is voorgevallen tussen verdachte en aangeefster en zal de rechtbank verdachte vrijspreken van feit 4.

4.3.1.3 Vrijspraak van feit 6

Verdachte wordt verweten dat hij op 5 augustus 2017 de kinderen [naam kind 1] en [naam kind 2] heeft mishandeld door hun hoofden tegen elkaar te stoten. Op 5 augustus 2017 spreekt verbalisant met [naam moeder] , de moeder van [naam kind 1] . Zij verklaart dat zij niet heeft gezien dat haar zoontje is geslagen. Zij heeft dat van haar zoontje gehoord. Ook spreekt verbalisant met [naam kind 2] . Verbalisant hoort haar zeggen dat verdachte haar met haar hoofd tegen het hoofd van [naam kind 1] heeft geslagen. [naam kind 2] zegt dat dit pijn deed.

Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij aan het dollen was met de kinderen en de kinderen elkaar een kusje wilde laten geven waarbij hun hoofden per ongeluk tegen elkaar kwamen.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte niet door het dossier wordt weersproken. Verdachte wordt daarom van feit 6 vrijgesproken.

4.3.2

Veroordelingen

4.3.2.1 Bewezenverklaring van feit 1

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is voor de rechtbank vast komen te staan dat verdachte aangeefster met kracht eenmaal heeft gestompt in het gezicht terwijl zij in de deuropening van een tram stond. Hierbij heeft verdachte haar op het linkeroog geraakt en is zij door de klap uit de tram gevallen en hard op de grond terechtgekomen. Verdachte heeft ook bekend dat hij aangeefster een klap in haar gezicht heeft gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat het stompen in iemands gezicht, zeker wanneer met kracht wordt gestompt – zoals in het onderhavige geval – terwijl de persoon zich in de openstaande deuropening van een tram bevindt, de aanmerkelijke kans kan opleveren dat zwaar lichamelijk letsel ontstaat. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een van de meest kwetsbare en essentiële onderdelen van het lichaam is en dat hoofdletsel ernstige gevolgen kan hebben. Uit de getuigenverklaringen en de ernst van de verwondingen die het slachtoffer heeft opgelopen, blijkt dat verdachte buitengewoon veel kracht moet hebben gebruikt bij zijn stomp op dit kwetsbare lichaamsdeel. Dit terwijl aangeefster zich op dat moment duidelijk zichtbaar gevaarlijk dicht bij de openstaande deuropening van de tram bevond. Aangeefster is door de harde stomp van verdachte vanuit de tram op het asfalt gevallen. Uit deze handeling en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk worden afgeleid dat de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel aanwezig was en dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Het verweer van de verdediging wordt verworpen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.3.2.2 Bewezenverklaring van feit 2

Met de raadsvrouw en officier van justitie is de rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde zoals hierna in rubriek 5 is weergegeven.

4.3.2.3 Bewezenverklaring van feit 5

Verdachte wordt verweten dat hij op 5 augustus 2017 zijn vriendin [slachtoffer 3] heeft bedreigd. Verdachte ontkent dit.

Als verbalisanten ter plaatse komen verklaart getuige [naam getuige 1] dat zij verdachte naar haar zuster [slachtoffer 3] heeft horen schreeuwen: ‘moet ik je op je bek slaan?’ ‘moet ik je op je oog slaan?’ Ook hoorde zij dat hij riep: ‘moet ik je doodmaken’. Vervolgens zag zij dat verdachte een mes pakte en een dreigende houding aannam in de richting van haar zuster. Het feit dat [naam getuige 1] een dag later verklaart dat zij geen mes heeft gezien, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Zij verklaart dan immers nog steeds dat er sprake was van een gespannen sfeer waarbij haar zuster en verdachte ruzie hadden en zegt niet dat de bedreigende woorden niet zijn geuit. Bovendien verklaart getuige [naam getuige 2] ook dat zij hoorde dat verdachte tegen [slachtoffer 3] zei: ‘moet ik je een vuist geven?’ waarbij verdachte op een dreigende manier voor haar stond. Vervolgens zag [naam getuige 2] dat verdachte een mes uit de keuken pakte en zei: ‘moet ik je steken?’ Ook getuige [naam getuige 3] verklaart over bedreigingendoor verdachte en heeft verdachte met een mes in zijn handen gezien. Verdachte zelf tenslotte verklaart ook dat hij een mes in zijn handen heeft gehad, naar zijn zeggen was dat echter bedoeld om mee te koken.

De rechtbank acht gelet op voorgaande verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, dat verdachte op 5 augustus 2017 [slachtoffer 3] heeft bedreigd zoals tenlastegelegd.

4.3.2.4 Bewezenverklaring van de feiten 7 en 8

Met de raadsvrouw en officier van justitie is de rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 7 en 8 ten laste gelegde zoals hierna in rubriek 5 is weergegeven.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1 primair

op 17 september 2017 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, [slachtoffer 1] , (zijnde trambestuurster bij het GVB) gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] (in tramlijn 26) met

grote kracht heeft gestompt in het gezicht, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] uit voornoemde tram is gevallen en hard op de grond terecht kwam;

Ten aanzien van feit 2

op 17 september 2017 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (trambestuurster bij het GVB), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe

te voegen: "Jullie zijn allemaal hetzelfde, jullie zijn allemaal terroristen, kijk dan met je baard, jullie blazen ons toch allemaal op met jullie bommen, moet je haar kijken, jullie zijn allemaal hetzelfde, allemaal terroristen";

Ten aanzien van feit 5

op 5 augustus 2017 te Amsterdam, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen: "moet ik je op je bek slaan" en "moet ik je op je oog slaan" en "moet ik je doodmaken" en "moet ik je steken", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking en vervolgens daarbij met een mes, in de richting van voornoemde [slachtoffer 3] heeft gewezen;

Ten aanzien van feit 7

op 5 augustus 2017 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4] (werkzaam als brigadier bij de politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling

heeft beledigd, door hem (telkens) de woorden toe te voegen: "je bent een flikker".

Ten aanzien van feit 8

op 5 augustus 2017 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 5] (werkzaam als hoofdagent bij de politie Eenheid Amsterdam) en [slachtoffer 6] (werkzaam als hoofdagent bij de politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige

uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: "je bent kankerzielig" en "je bent een kankerflikker" en "ik neuk je moeder" en "je bent een kankersmeerlap" en "je moeder is een kankernederlander"

en "je bent een kankertatta" en "jullie zijn flikkers" en "je bent een flikker voor mij".

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte een gevangenisstraf van 10 maanden op te leggen, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Voorts vordert de officier van justitie dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden wordt opgelegd, met de voorwaarden zoals geadviseerd door GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam in het maatregelrapport van 24 mei 2018. De officier van justitie vordert dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht dan wel een gevangenisstraf van kortere duur dan door de officier van justitie is geëist. Ten aanzien van de gevorderde maatregel heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Oordeel van de rechtbank

Oplegging van na te melden straf en maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is geleken.

Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, meerdere beledigingen en een bedreiging. Hij heeft één van de slachtoffers, te weten [slachtoffer 1] , met kracht in het gezicht gestompt waardoor zij uit de tram op de grond viel. Het slachtoffer had hieraan zwaar lichamelijk letsel kunnen overhouden. Het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat dit gevolg niet is ingetreden. Verdachte heeft hierbij op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . De omstandigheid dat het slachtoffer een medewerker was van het GVB die gewoon haar werk deed en het feit dat mishandeling in een openbare ruimte plaatsvond waar behoorlijk wat omstanders aanwezig waren, weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaar. Voorafgaand aan de mishandeling heeft verdachte [slachtoffer 1] bovendien nog beledigd. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van meerdere politieambtenaren. Uit de bewoordingen die verdachte heeft geuit komt het beeld naar voren dat hij weinig tot geen respect heeft voor (politie)ambtenaren.

Persoon en persoonlijkheid van verdachte

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van verdachte van 23 april 2018. Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven, onder meer tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. De rechtbank houdt hier bij de strafoplegging in strafverzwarende mate rekening mee. Verdachte liep bovendien nog in een proeftijd tijdens het plegen van onderhavige feiten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro Justitia rapporten van M.M. Sprock, psychiater, van 21 januari 2018, en dr. D.J. Burck, psycholoog, van 14 januari 2018 (hierna: de deskundigen). Zij hebben zich uitgelaten over – onder meer – de toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de eventueel aan hem op te leggen maatregel.

Toerekeningsvatbaarheid

Beide deskundigen hebben geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde leed aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een stoornis in alcoholgebruik en een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een andere gespecifieerde

persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken.

De psychiater concludeert dat verdachte vanuit zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis egocentrisch is en er sprake is van impulsiviteit en een gestoorde agressieregulatie, met alcohol op wordt dit alleen maar erger. Verdachte bagatelliseert de feiten die hij zou hebben gepleegd op 5 augustus 2017. Hij was toen fors onder invloed. Er kan een doorwerking gezien worden vanuit de alcoholproblematiek en de antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Ook ten aanzien van de ten laste gelegde feiten van 17 september 2017 kunnen dezelfde componenten worden teruggevonden als egocentrisme, verminderd inlevingsvermogen, gestoorde agressieregulatie, verhoogde krenkbaarheid en verminderde impulscontrole. De verdachte moet tegen zichzelf beschermd worden en de samenleving tegen hem.

De psychloog concludeert dat verdachte qua intelligentie en sociale vaardigheden makkelijk overvraagd kan worden. Verdachte stond bij de ten laste gelegde poging zware mishandeling van [slachtoffer 1] onder spanning omdat hij geschorst was in verband met eerder genoemde feiten. Toen de spanning toenam, schoten zijn copingsvaardigheden al snel te kort en verloor verdachte de controle over zijn gedrag, ten overstaan van zijn vriendengroep / een volle tram is hij vervallen in impulsief gedrag. Het vermogen van verdachte om de situatie te analyseren en handelingsalternatieven te overzien was als gevolg van narcistische kenmerken en de andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis beperkt.


Beide deskundigen komen tot het advies het aan verdachte ten laste gelegde in verminderede mate aan hem toe te rekenen. De kans op recidive wordt door hen ingeschat als hoog – zeer hoog.

De rechtbank kan zich verenigen met bovenstaande overwegingen en conclusies van de deskundigen en legt deze ten grondslag aan haar oordeel. Dit maak dat de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht.

Straf

Gezien de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten en om een naadloze overgang van straf naar (de hierna te bespreken) maatregel mogelijk te maken, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden zoals gevorderd door de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank heeft bij de op te leggen straf geen rekening gehouden met de ad informandum gevoegde feiten omdat verdachte deze feiten niet heeft bekend.

Maatregel

De deskundigen adviseren verdachte op te laten nemen in een klinisch kader, waarbij de focus moet liggen op de stoornis in alcoholgebruik. Verder zal behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek bestaande uit onder andere agressieregulatie en het verbeteren van de copingsvaardigheden onderdeel uitmaken van de behandeling.

In het verleden is er sprake geweest van diverse toezichten door de reclassering in het kader van voorwaardelijke strafdelen met bijzondere voorwaarden. Dit leidde niet tot gedragsverandering zodat er uiteindelijk een onvoorwaardelijke ISD-maatregel werd opgelegd. Tijdens de extramurale fase verviel verdachte direct weer terug in het alcoholgebruik en slikte stiekem zijn medicatie niet.

De psycholoog adviseert behandeling te doen plaatsvinden in het kader van een maatregel waarbij de onderzochte onvoorwaardelijk ter beschikking wordt gesteld met een bevel tot verpleging van overheidswege.

De psychiater geeft in zijn advies TBS ter overweging ter bescherming van de maatschappij tegen het gedrag van verdachte. Met de stok achter de deur van mogelijkheid tot omzetting naar een TBS met verpleging van overheidswege zou een TBS met voorwaarden geprobeerd kunnen worden.

GGZ Reclassering Inforsa heeft op 24 mei 2018 een maatregelrapport uitgebracht. In het advies, opgesteld door H.E. van der Knaap, zijn de mogelijkheden van TBS met voorwaarden onderzocht en is geadviseerd over de aan de TBS te verbinden voorwaarden.


Verdachte is door de Dienst Individuele Zaken aangemeld bij de FPK De Woenselse Poort, gevestigd in Eindhoven.

H.E. van der Knaap, reclasseringsmedewerker, is ter terechtzitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat zij van de Woenselse Poort heeft vernomen dat er binnen 2-3 weken plaats is voor verdachte. De kliniek kan de plek 1-2 weken vasthouden. Mocht deze kliniek geen plaats hebben wanneer de detentie tot een einde komt, dan zal worden gezorgd voor een tijdelijke overbruggingsplek.

Gedurende het onderzoek zijn de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden met verdachte besproken. Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard tot naleving hiervan.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat oplegging van een TBS-maatregel thans geboden is. Uit het oogpunt van beveiliging van de maatschappij kan niet worden volstaan met een andere straf of maatregel. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat voor de feiten 1 en 5 voldaan wordt aan de eisen die de wet aan het opleggen van een TBS–maatregel stelt, te weten:

  • bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de strafbare feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

  • op het gepleegde misdrijf zoals onder feit 1 (primair) is ten laste gelegd, is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;

  • het gepleegde feit onder 5 betreft het misdrijf omschreven in artikel 285, eerste lid, van het wetboek van Strafrecht;

  • de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

Met inachtneming van genoemd maatregelenrapport van de reclassering van 24 mei 2018 kan naar het oordeel van de rechtbank worden volstaan met het opleggen van TBS onder na te noemen voorwaarden. Met deze voorwaarden – waaronder de mogelijkheid van een time-out plaatsing indien nodig - is de voor de bescherming van de maatschappij noodzakelijke behandeling van verdachte geborgd. Verder vormt de de mogelijkheid dat alsnog TBS met verpleging zal worden opgelegd, als de voorwaarden niet worden nageleefd, een stevige stok achter de deur voor verdachte om zich aan de voorwaarden te houden en zich in te zetten voor zijn behandeling.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op de hiervoor besproken rapportage is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Tevens acht de recht bank aangewezen dat na afloop van de detentie de behandeling van verdachte direct zal beginnen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar is.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde een materiële schadevergoeding van € 32,91 en een immateriële schadevergoeding van € 1870,-- te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie vordert dat de vordering van de benadeelde partij geheel wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw is van mening dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd met het bedrag dat reeds is uitgekeerd door het Schadefonds Geweldsmisdrijven, te weten € 1000,-. Voor het overige van de vordering refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

9.3

Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 1870,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de vordering niet dient te worden gematigd met het bedrag dat reeds door het Schadefonds Geweldsmisdrijven is uitgekeerd.

Vast staat eveneens dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade van € 32,91 dan ook toewijzen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van partij [slachtoffer 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij de stukken bevindt zich de op 10 augustus 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/139065-16, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 5 april 2017 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 200,-- , subsidiair 4 dagen hechtenis, met bevel dat van deze straf een gedeelte niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

Gelet op het feit dat de rechtbank verdachte de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden oplegt en deze voorwaarden voorts dadelijk uitvoerbaar verklaart, acht de rechtbank de tentuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde geldboete, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter te Amsterdam van 5 april 2017 (parketnummer 13/139065-16) niet opportuun en zal zij de vordering afwijzen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 45, 57, 266, 267, 285, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3, 4 en 6 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 5, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Ten aanzien van de feiten 2, 7 en 8:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 5

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte voor de feiten 1, 2, 5, 7 en 8 tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast met betrekking tot de feiten 1 en 5 dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

? betrokkene pleegt geen strafbare feiten;

? betrokkene begeeft zich niet zonder toestemming van de reclassering en het Openbaar Ministerie buiten de landsgrenzen van Nederland. Betrokkene overlegt hierover vooraf met de reclassering en het Openbaar Ministerie beslist;

? betrokkene werkt mee aan een klinische behandeling in FPK de Woenselse Poort of een andere, door de DIZ aangewezen, instelling. Hij zal zich tijdens de behandeling houden aan de afspraken met de behandelaren, aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling worden gegeven en aan de regels die in de instelling gelden. Betrokkene dient met justitieel vervoer vanuit de penitentiaire inrichting naar de kliniek te worden gebracht;

? betrokkene gebruikt medicatie volgens voorschrift;

? betrokkene werkt, aansluitend op de klinische behandeling, mee aan een ambulante behandeling gericht op psychiatrische problematiek, persoonlijkheidsproblematiek en verslaving;

? betrokkene werkt, aansluitend op de klinische behandeling, mee aan plaatsing in een geschikte huisvestingssituatie, zoals bijvoorbeeld een instelling voor beschermd of begeleid wonen. Verhuizing dient alleen te geschieden na overleg met en goedkeuring van de reclassering;

? betrokkene heeft een gestructureerde, verifieerbare en bij zijn draagkracht passende vorm van dagbesteding, in de vorm van een behandeling, dagbesteding met behoud van uitkering, vrijwilligerswerk of een betaalde baan;

? betrokkene laat zijn inkomen beheren middels beschermingsbewind. Hij werkt hieraan mee zolang de reclassering dit geïndiceerd acht;

? betrokkene blijft abstinent van alcohol en drugs;

? betrokkene werkt mee aan bloed-, urine-, en/of ademanalysecontroles indien de reclassering dergelijke controles geïndiceerd acht;

? betrokkene geeft aan de reclassering openheid van zaken op alle leefgebieden, zoals zijn financiële situatie en emotionele toestand;

? betrokkene stelt zich controleerbaar op en geeft toestemming aan de reclassering op met alle personen en instellingen, die van belang zijn voor de controle op de naleving van de voorwaarden, contact op te nemen en informatie uit te wisselen;

? betrokkene houdt zich aan de aanwijzingen en afspraken met de toezichthouder van de reclassering;

? na afloop van de klinische behandeling werkt betrokkene, indien geïndiceerd, mee aan een time-out plaatsing in FPK De Woenselse Poort of een vergelijkbare instelling.

Geeft aan GGZ Reclassering Inforsa opdracht de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de op grond van artikel 38 en 38a van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 32,91 (tweeëndertig euro en eenennegentig eurocent) aan materiele schade en € 1870,-- (achttienhonderdzeventig euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 september 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , te betalen de som van van € 32,91 (tweeëndertig euro en eenennegentig eurocent) wegens materiele schade en € 1870,-- (achttienhonderdzeventig euro) wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 september 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 28 (achtentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter van 05 april 2017, gewezen onder parketnummer 13/139054-16.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. R.A. Overbosch en M.J.M. van Beckhoven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.E.H. Eijkhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juni 2018.