Strafrecht overig

Tussenuitspraak. Vervolgings-EAB Duitsland. Nader informatie vereist omtrent het Duitse verzoek tot overname…

Rechtbank Amsterdam, 12 juni 2018

Zaakgegevens

Op 12 juni 2018 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
12 juni 2018
Datum publicatie
18 juli 2018
Zaaknummer
13/751204-17
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2018:5110
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussenuitspraak. Vervolgings-EAB Duitsland. Nader informatie vereist omtrent het Duitse verzoek tot overname van de strafvervolging van de opgeëiste persoon.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751204-17

RK-nummer: 17/2692

Datum uitspraak: 12 juni 2018

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 april 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 10 februari 2017 door Staatsanwaltschaft Duisburg (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

ingeschreven [BRP adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De behandeling van de vordering was gepland op 7 november 2017. Van een inhoudelijke behandeling is het toen niet gekomen, omdat de rechtbank de zaak heeft aangehouden aangezien de opgeëiste persoon – destijds gedetineerd in een andere zaak – niet was aangevoerd vanuit de PI te Alphen aan den Rijn.

De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 17 april 2018. De behandeling heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.M. van Dam, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft op 17 april 2018 het onderzoek ter zitting geschorst voor bepaalde tijd tot 17 mei 2018 om de officier van justitie nader onderzoek te laten verrichten naar de vraag of de strafvervolging door Nederland is overgenomen ten aanzien van het feit dat aan het EAB ten grondslag ligt.

De behandeling van de vordering is vervolgens hervat op de openbare zitting van 17 mei 2018. De behandeling heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,

mr. J.J.M. Asbroek en de raadsman van de opgeëiste person, mr. J.M. van Dam. Omdat de opgeëiste persoon kort voor de zitting was aangehouden en zich op het moment van de behandeling op een politiebureau in Rotterdam bevond, is het onderzoek opnieuw geschorst en wel tot 29 mei 2018, teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen bij de behandeling van het overleveringsverzoek aanwezig te zijn.

Op 29 mei 2018 heeft de behandeling plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. J.M. van Dam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van het Amtsgericht Dinslaken van 20 januari 2017 (referentie: 4 Gs 19/17).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De uitvaardigende autoriteit heeft op 5 mei 2017 de volgende garantie ten aanzien van de opgeëiste persoon gegeven:

“Hierbij wordt uitdrukkelijk verzekerd dat de vervolgde persoon in geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van de geldende versie van het kaderbesluit 2008/909/JBZ van 27 november 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (Publicatieblad L 327 van 5 december 2008, pagina 27), voor de verdere voltrekking van zijn straf terug aan Nederland zal worden overgedragen.”

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. De rechtbank heeft in rubriek 4 van deze uitspraak al vastgesteld dat aan deze voorwaarde is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6 Overname strafvervolging, weigeringsgrond artikel 9 OLW en onschuldverweer

Uit het dossier volgt dat het Staatsanwaltschaft Duisberg op 17 juni 2015 een verzoek heeft gedaan tot overname van de strafvervolging door Nederland van onderliggende strafzaak met betrekking tot de opgeëiste persoon en zijn medeverdachten. In deze brief staat het volgende vermeld:

Alle verdachten hebben de Nederlandse nationaliteit, voor een deel zijn het jongeren. Uitlevering (de rechtbank begrijpt: overlevering) komt op proportionaliteitsgronden niet in aanmerking.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de strafvervolging door Nederland niet is overgenomen. De officier van justitie heeft dit per e-mail van 16 april 2018 nagevraagd bij haar Duitse collega Staatsanwälltin Mc Culler, die bij e-mail van 17 april 2018 heeft bevestigd dat de strafvervolging door Nederland inderdaad niet is overgenomen. De officier van justitie heeft ter zitting van 29 mei 2018 verklaard dat haar is gebleken dat het Nederlandse Openbaar Ministerie per abuis niets met het Duitse verzoek tot overname heeft gedaan; het verzoek is niet in behandeling genomen, er is niets over het verzoek geregistreerd in Nederland en er is niet op het verzoek gereageerd.

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat de strafvervolging feitelijk wel degelijk door Nederland is overgenomen. Door de Nederlandse politie is immers onderzoek gedaan in deze zaak, waarna is besloten de opgeëiste persoon niet meer als verdachte aan te merken. De raadsman verwijst hierbij naar een door hem overgelegd proces-verbaal van relaas van de Politie Midden Nederland van 23 juni 2016. Dat betekent dus dat de opgeëiste persoon voorafgaand aan die beslissing wel verdachte was en dat de strafvervolging dus door Nederland is overgenomen. De overlevering dient daarom te worden geweigerd op grond van artikel 9 OLW. Uit deze gang van zaken en de overgelegde stukken volgt ook dat de onschuld van de opgeëiste persoon is aangetoond. In het proces-verbaal van 23 juni 2016 wordt immers als volgt gerelateerd:

Op basis van drie foto’s genomen door de snelheidscamera aan de Hammweg in [plaats] in Duitsland, welke mij door de Duitse autoriteiten waren overhandigd in het rechtshulpverzoek in de eenheid om herkenningen gevraagd (de rechtbank begrijpt: heb ik in de eenheid om herkenningen gevraagd).

Ik kreeg hier verschillende processen verbaal van herkenning op terug. Verschillende politieambtenaren herkenden de personen afgebeeld op de foto’s als volgt:

Foto 1: [persoon 1]
(…)
Foto 2: [persoon 2]
(…)

In het rechtshulpverzoek waren de volgende personen als verdachten genoemd:

[opgeëiste persoon] (29/11/1996);
[persoon 3] (19/11/1997);
[persoon 4] (09/02/1970).

Na de herkenningen op basis van de beelden werd besloten [opgeëiste persoon] en [persoon 3] niet meer als verdachten aan te merken (…).

De Nederlandse politie acht de opgeëiste persoon aldus onschuldig en merkt hem niet meer als verdachte aan. Hieruit blijkt dat de Nederlandse politie wel degelijk actie heeft ondernomen ten aanzien van het strafdossier van de opgeëiste persoon, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft ter zitting van 29 mei 2018 begrip getoond voor de frustratie van de verdediging en heeft erkend dat het verloop van de zaak de schoonheidsprijs niet verdient. Van een strafvervolging in Nederland is echter geen sprake, zodat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW niet geldt. Ook het onschuldverweer kan niet slagen, alleen al omdat niet duidelijk is wat het Duitse strafdossier precies behelst, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van relaas dat is opgesteld door het Internationaal Rechtshulp Centrum Midden-Nederland op 23 juni 2016 blijkt dat op 1 januari 2015 een rechtshulpverzoek, voorzien van kenmerk 189 AR 39/15, d.d. 01/01/2015, opgesteld door Der Leitende Oberstaatsanwalt te Duisburg in Duitsland, in Luris geregistreerd onder nummer OVS-l-2015030892, in Nederland in behandeling is genomen.

In dit proces-verbaal staat voorts vermeld dat in het rechtshulpverzoek werd verzocht de strafvervolging van de verdachten over te nemen. Het gaat hierbij om [persoon 4] (de rechtbank begrijpt dat hiermee kennelijk is bedoeld: [persoon 3] ), [persoon 4] en [opgeëiste persoon] , de opgeëiste persoon.

Uit dit proces-verbaal van 23 juni 2016 ontstaat bij de rechtbank de indruk – in tegenstelling tot hetgeen door de officier van justitie ter terechtzitting is gesteld – dat het verzoek tot overname van de strafvervolging van 17 juni 2015 wel degelijk op enige wijze in behandeling is genomen door het Nederlandse Openbaar Ministerie (hierna: OM). Het proces-verbaal van 23 juni 2016 vermeldt immers dat voornoemd rechtshulpverzoek van 1 januari 2015 – waarin tevens is verzocht om de strafvervolging van onder andere de opgeëiste persoon – in behandeling is genomen. Tevens blijkt uit dit proces-verbaal van 23 juni 2016 dat er een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van fotoherkenningen, waarna het OM heeft besloten om de opgeëiste persoon niet langer als verdachte aan te merken in de strafzaak waarop het verzoek tot overname van de strafvervolging ziet.


Voordat de rechtbank zal beslissen op het overleveringsverzoek, wenst zij van de officier van justitie te vernemen hoe de hiervoor geschetste gang van zaken – zoals volgt uit het proces-verbaal van 23 juni 2016 – zich verhoudt tot het standpunt dat er in Nederland niets is gebeurd met het verzoek tot overname van de strafvervolging van de opgeëiste persoon.

7 Beslissing

HEROPENT en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie de volgende vraag voor te leggen: hoe verhoudt de in onderdeel 6 van deze uitspraak geschetste gang van zaken – zoals volgt uit het proces-verbaal van 23 juni 2016 – zich tot het standpunt dat er in Nederland niets is gebeurd met het verzoek tot overname van de strafvervolging van de opgeëiste persoon?

BEVEELT dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en H.G. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 12 juni 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.