Strafrecht overig
Verdachte heeft opzettelijk zijn 50-jarige partner in haar eigen woning gedood door haar te verwurgen…
Rechtbank Amsterdam, 9 april 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:2539 · Rechtbank Amsterdam · 9 april 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2019-2539
Zaakgegevens
Op 9 april 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 9 april 2019
- Datum publicatie
- 8 april 2019
- Zaaknummer
- 13/665336-17 (Promis)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2019:2539
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft opzettelijk zijn 50-jarige partner in haar eigen woning gedood door haar te verwurgen. Gevangenisstraf 12 jaar.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/665336-17 (Promis)
Datum uitspraak: 9 april 2019
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het Detentiecentrum [naam] te [plaats] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 maart 2019.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Lobregt en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.C. Sneep naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1. hij in of omstreeks de periode van 18 september 2017 tot en met 19 september 2017 te Amstelveen, in elk geval in Nederland opzettelijk (en met voorbedachte rade) [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] (na kalm beraad en rustig overleg) te (ver)wurgen en/of te verstikken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;
2. hij in of omstreeks de periode van 18 september 2017 tot en met 19 september 2017 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon en/of een paspoort en/of een bankpas en/of kleding en/of (een) siera(a)d(en),in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] ,in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;
3. hij in of omstreeks de periode van 18 september 2017 tot en met 19 september 2017 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen
- diverse kledingstukken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of
- diverse kledingstukken en/of schoenen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval goederen toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte.
3 Waardering van het bewijs
Feit 1
Inleiding
Op dinsdag 19 september 2017 rond 22:40 uur is het slachtoffer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) door haar huisgenoten dood aangetroffen in haar slaapkamer aan de [adres] te [woonplaats] . Het slachtoffer werd gekleed en liggend op de grond op haar rechterzijde met haar gezicht naar het bed en haar rug naar het raam tegen de onderzijde van het bed aangetroffen. Uit haar neus kwam bloed. Op de kussensloop, de dekbedhoes en het hoeslaken zaten bloedvlekken. Uit sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] bleek dat zij als gevolg van verwurging en/of smoren om het leven is gekomen. [slachtoffer 1] was op 20 september 2017 om 00:50 uur vermoedelijk tussen de 24 en 36 uur dood.
Verklaringen verdachte
Verdachte heeft verschillende verklaringen afgelegd over de toedracht van het overlijden van [slachtoffer 1] . Tijdens het verhoor door de politie op 22 november 2017 heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer 1] door zijn toedoen is overleden. Dit is volgens hem gebeurd tijdens een sekspelletje, een soort wurgseks, in de slaapkamer. Ze waren naakt. Hij zou haar keel met verschillende dingen dicht hebben geknepen, ook met een laken en een kussen. Verdachte zou niet de bedoeling hebben gehad haar te doden.
Tijdens het verhoor door de politie op 1 februari 2018 heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer 1] en hij gekleed waren. Tijdens een seksueel spelletje heeft verdachte [slachtoffer 1] heel erg sterk tegen zich aangedrukt. Hij had zijn handen achter haar hoofd.
[slachtoffer 1] kreeg een bloedneus. Dit gebeurde in de keuken. [slachtoffer 1] heeft niet geprobeerd los te komen. Er was niet veel tijd tussen het moment dat zij thuis kwam en dat ze is overleden, het heeft niet langer geduurd dan twee uur.
Tijdens het verhoor op 2 februari 2018 heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft gewurgd in de keuken. De volgorde van handelingen kan hij zich niet herinneren. Het wurgen duurde heel kort, volgens verdachte fragmenten van seconden. Verdachte heeft haar omarmd, bij haar keel gepakt en tegen zich aan gedrukt. Verdachte heeft zijn hand voor haar mond gehouden zodat het sneller ging en zij geen pijn zou hoeven lijden. Verdachte was zich bewust van wat hij deed. Hij had er ooit eerder aan gedacht om haar te doden maar had niet bedacht hoe hij dat zou doen. Deze gedachte kwam op vanwege het verdriet van [slachtoffer 1] over het recente overlijden van haar moeder.
Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 1] in de slaapkamer, terwijl zij op bed lagen, heeft verwurgd door haar heel hard tegen zich aan te drukken. Hij heeft [slachtoffer 1] tegen het kussen gedrukt en heeft haar omhelsd.
[slachtoffer 1] heeft verdachte gevraagd te stoppen. Hij weet niet waarom hij dit niet heeft gedaan. Verdachte heeft het achteraf voor zichzelf zo uitgelegd dat hij het heeft gedaan om [slachtoffer 1] bij haar moeder te brengen. Op het moment zelf dacht hij dat niet. Verdachte was zich bewust van wat hij had gedaan en is om die reden naar Polen vertrokken. Hij was zich bewust van de strafbaarheid van zijn handelen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door haar te wurgen.
De gedragingen van verdachte moeten worden gekwalificeerd als doodslag. Op basis van de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat verdachte een vooropgezet plan had om [slachtoffer 1] om het leven te brengen. Daarom kan niet bewezen worden dat verdachte dit opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg heeft gedaan en moet verdachte dan ook worden vrijgesproken van de impliciet primair tenlastegelegde moord.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat moord niet bewezen kan worden.
Er is geen aanleiding om er vanuit te gaan dat er een vooropgezet plan was; er was sprake van een gemoedsopwelling. Dit blijkt ook uit de shocktoestand waarin verdachte daarna verkeerde. De raadsman heeft zich ten aanzien van de tenlastegelegde doodslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door verwurging en/of verstikking.
De rechtbank stelt vast dat het niet mogelijk is de toedracht rondom het overlijden van [slachtoffer 1] exact vast te stellen omdat er, behalve de verklaringen van verdachte, geen andere getuigenverklaringen of bewijsmiddelen in het dossier zijn opgenomen waaruit de toedracht blijkt. In zijn verklaringen heeft verdachte wisselend verklaard over waar en op welke manier hij [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht.
Opzet
Uitgaande van de verklaring van verdachte zoals hij deze op de zitting tegenover de rechtbank heeft afgelegd, zijn de door verdachte verrichte handelingen, naar de uiterlijke verschijningsvorm beoordeeld, gericht op en geschikt tot het doden van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft verklaard dat hij zich bewust was van wat hij deed. Hij is doorgegaan nadat [slachtoffer 1] hem vroeg te stoppen. Hij heeft zijn hand voor haar mond gehouden zodat zij sneller zou overlijden. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer 1] .
Voorbedachte raad?
Op basis van het dossier en de verschillende verklaringen van verdachte, kan niet worden vastgesteld dat verdachte zich heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en gevolgen van zijn handelen na te denken en zich daarvan rekenschap te geven waardoor sprake was van voorbedachte raad. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de impliciet primair tenlastegelegde moord.
Conclusie
De verdachte heeft [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven beroofd. De rechtbank acht dan ook de doodslag op het slachtoffer bewezen.
Feiten 2 en 3
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de feiten 2 en 3 bewezen kunnen worden.
Verdachte heeft bekend dat hij deze feiten heeft gepleegd.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt op grond van de volgende bewijsmiddelen tot het oordeel dat bewezen verklaard kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1 tenlastegelegde doodslag en de onder 2 en 3 tenlastegelegde diefstallen.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van alle feiten sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Gelet daarop zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring komt.
Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:
1. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 26 maart 2019 heeft afgelegd.
Ten aanzien van feit 1:
2. Een geschrift, te weten een rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” van 1 maart 2018, opgemaakt door arts en patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe.
Ten aanzien van feit 2:
3. Een proces-verbaal van bevindingen gebruik pinpas met nummer 2017199497 van 25 oktober 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 1] , pagina 516-517.
4. Een geschrift, te weten “proces-verbaal van inspectie van goederen” van 23 september 2017, onderdeel van EOB-U-2017034110.
5. Een geschrift, te weten “proces-verbaal van inbeslagneming van voorwerpen” van 3 oktober 2017, onderdeel van EOB-U-2017034110.
Ten aanzien van feit 3:
6. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2017199497 van 20 september 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam opsporingsambtenaar 2] en [naam opsporingsambtenaar 3] , inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] , pagina 199-210.
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2017199497 van 20 september 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam opsporingsambtenaar 4] en [naam opsporingsambtenaar 5] , inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] , pagina 242-249.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1. op 18 september 2017 te Amstelveen opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer 1] te (ver)wurgen en/of te verstikken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;
2. op 18 september 2017 te Amstelveen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon en een paspoort en een bankpas en kleding en sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 1] ;
3. op 18 september 2017 te Amstelveen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
- diverse kledingstukken toebehorende aan [slachtoffer 2] en
- diverse kledingstukken en schoenen toebehorende aan [slachtoffer 3] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Motivering van de straf en maatregelen
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar, met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft verzocht om de eis van de officier van justitie naar beneden bij te stellen. Volgens hem worden in vergelijkbare zaken gevangenisstraffen van tussen de 8 en 12 jaar opgelegd. Deze zaak ligt in het gemiddelde van soortgelijke zaken.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
Verdachte heeft opzettelijk zijn 50-jarige partner in haar eigen woning gedood door haar te verwurgen. Verdachte heeft daarover verschillende verklaringen afgelegd waardoor het voor de nabestaanden onduidelijk blijft wat precies de toedracht is geweest en zij zullen moeten leven met de onzekerheid over wat [slachtoffer 1] in de laatste momenten van haar leven heeft doorgemaakt. Nadat [slachtoffer 1] was overleden heeft verdachte niemand gewaarschuwd. Verdachte is daarentegen juist bezig geweest om zijn daderschap te verhullen. Ook heeft hij [slachtoffer 1] en haar huisgenoten bestolen en is vervolgens naar Polen vertrokken.
De nabestaanden, in het bijzonder de zoon van [slachtoffer 1] is groot en onherstelbaar leed toegebracht waarmee zij de rest van hun leven geconfronteerd zullen blijven. De slachtofferverklaring van de zoon getuigt hiervan. Ook alle anderen met wie [slachtoffer 1] een band had, zullen de diepe sporen van dit onverwachte en te vroege verlies met zich mee moeten dragen. Verdachte heeft met het plegen van deze doodslag één van de zwaarste misdrijven begaan die de Nederlandse strafwet kent. Dit feit is onherroepelijk en kan op geen enkele wijze meer ongedaan te maken en leidt begrijpelijkerwijs tot grote verontwaardiging en onrust in de maatschappij.
Persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch rapport van 25 januari 2018 en het psychiatrisch rapport van 29 januari 2018. Volgens de psychiater zijn er aanwijzingen voor het bestaan van persoonlijkheidsproblematiek, maar is het niet mogelijk om tot een diagnose te komen dan wel een diagnose uit te sluiten. Ook volgens de psycholoog kan niet worden vastgesteld of sprake is van een stoornis. Beide deskundigen adviseerden om verdachte ter observatie in het Pieter Baan Centrum te plaatsen.
Verdachte is vervolgens zeven weken opgenomen in het Pieter Baan Centrum. Uit het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie van 23 november 2018 blijkt dat bij verdachte geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Op basis van de voorhanden zijnde informatie zijn geen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis. Op basis van het strafdossier is ook een parafiele belangstelling voor seksuele asfyzie, zogenaamde wurgseks, overwogen, maar een parafiele stoornis kan niet worden onderbouwd. De deskundigen adviseren verdachte het tenlastegelegde volledig toe te rekenen. De rechtbank volgt deze conclusie.
Conclusie
Gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde feiten, vooropstaand feit 1, het leed dat hij daarmee heeft aangedaan aan degenen die [slachtoffer 1] na hebben gestaan en de schok die zijn handelen in de samenleving teweeg heeft gebracht, afgezet tegen zijn persoon en houding ten aanzien van zijn daad, vormt slechts een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende reactie. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 jaar passend en geboden.
Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
[benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 6.092,58 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is als volgt samengesteld.
|
Materiële schade |
|
|
Kosten uitvaart |
€ 3.439,29 |
|
Reiskosten strafzaak |
€ 200,00 |
|
Toekomstige reiskosten |
€ 1.000,00 |
|
Kosten bijstand i.v.m. vertalen |
€ 825,00 |
|
Communicatiekosten |
€ 50,00 |
|
Gestolen geldbedragen |
€ 461,67 |
|
Medische kosten psycholoog |
€ 116,62 |
|
Totale materiële schade |
€ 6.092,58 |
|
Immateriële schade – shockschade |
€ 20.000,00 |
|
Totale schade |
€ 26.092,58 |
De benadeelde partij heeft diverse stukken ingebracht om zijn vordering te onderbouwen.
De advocaat van de benadeelde partij, mr. M.M.P.M. Lousberg, heeft de vordering op de zitting nader toegelicht. Zij heeft verzocht om integrale toewijzing, met uitzondering van de post die ziet op toekomstige reiskosten, nu deze kosten nog niet zijn gemaakt en dit eventueel wel het geval kan zijn wanneer de zaak wordt behandeld in hoger beroep.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering dient te worden toegewezen, met uitzondering van de post toekomstige reiskosten.
De raadsman van verdachte heeft de materiële vordering niet betwist, met uitzondering van de toekomstige reiskosten en de reiskosten voor eerste aanleg aangezien de benadeelde partij niet bij de zitting aanwezig was. De raadsman heeft niet betwist dat vergoeding voor shockschade kan worden toegewezen, maar het bedrag dient volgens hem wel te worden gematigd. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden, aangezien hij de zoon is van het overleden slachtoffer [slachtoffer 1] . Als nabestaande heeft hij op grond van artikel 6:108 BW recht op vergoeding van de schade. Verdachte is voor deze schade naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Ten aanzien van de reiskosten
De rechtbank zal het verzoek om vergoeding van de reiskosten voor eerste aanleg afwijzen, nu deze kosten niet worden gekwalificeerd als materiële schade, maar als proceskosten. Daarnaast is de benadeelde partij niet ter zitting verschenen en is er geen onderbouwing van eventueel gemaakte kosten.
De rechtbank zal ook de post toekomstige reiskosten afwijzen. Het betreft hier immers eveneens (toekomstige) proceskosten die nog niet zijn gemaakt. Bij een eventueel hoger beroep zal het hof bij de vaststelling van de proceskosten met de dan gemaakte reiskosten rekening kunnen houden.
Ten aanzien van de overige kosten
De rechtbank zal de gevorderde kosten voor de uitvaart, bijstand in verband met vertalen, communicatie, gestolen geldbedragen en voor de psycholoog toewijzen, nu deze kosten rechtstreeks voortvloeien uit de bewezen verklaarde feiten, in alle redelijkheid zijn gemaakt, voldoende zijn onderbouwd en niet zijn betwist.
Ten aanzien van de immateriële schade
De advocaat van de benadeelde partij heeft betoogd dat er sprake is van shockschade en heeft dit onderbouwd met een brief van de psycholoog waaruit blijft dat sprake is van psychisch letsel.
De raadsman van verdachte heeft niet betwist dat sprake is van shockschade, maar heeft verzocht het gevorderde bedrag te matigen en voor het overige de vordering niet ontvankelijk te verklaren, omdat voor de bepaling van de hoogte van de schade een deskundige moet worden ingeschakeld wat een te zware belasting voor het strafproces oplevert.
Nu de verdachte heeft erkend dat de benadeelde partij shockschade heeft geleden staat dat tussen partijen vast en dient de rechtbank daarvan uit te gaan.
Anders dan de raadsman stelt, is voor de beoordeling van de omvang van die schade de inschakeling van een deskundige niet nodig. Immateriële schade wordt ingevolge artikel 6:106 BW begroot naar billijkheid. De rechter is bij uitstek aangewezen om een vergoeding naar billijkheid te begroten. De rechtbank waardeert de shockschade in het licht van de overgelegde brief van de psycholoog waaruit blijkt dat de benadeelde als gevolg van de shock leidende is aan een posttraumatische stressstoornis, waarvoor hem therapie is aangebonden, en met in achtneming van de overige omstandigheden, naar billijkheid op € 15.000,00.
Conclusie
Verdachte moet de benadeelde partij [benadeelde partij 1] een schadevergoeding betalen van in totaal € 19.892,58 (waarvan € 4.892,58 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 september 2017.
De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.
In het belang van [benadeelde partij 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de vervangende hechtenis op 90 dagen.
[slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 1.500,- aan materiële schadevergoeding en € 1.500,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering niet is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 287, 310 van het Wetboek van Strafrecht.
9 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
doodslag;
Ten aanzien van feit 2 en feit 3:
diefstal, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Vorderingen benadeelde partijen
Wijst de vordering van [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe tot € 19.892,58 (negentienduizend achthonderdtweeënnegentig euro en achtenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 september 2017 tot aan de dag van de voldoening.
Wijst de vordering voor overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] € 19.892,58 (negentienduizend achthonderdtweeënnegentig euro en achtenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 september 2017 tot aan de dag van de voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 90 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Eichperger, voorzitter,
mrs. G.H. Marcus en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 april 2019.