Strafrecht overig
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen, bestemd voor het…
Rechtbank Amsterdam, 16 mei 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:3529 · Rechtbank Amsterdam · 16 mei 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2019-3529
Zaakgegevens
Op 16 mei 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 mei 2019
- Datum publicatie
- 16 mei 2019
- Zaaknummer
- 13/730017-18
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2019:3529
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen, bestemd voor het bewerken van cocaïne. Tevens heeft verdachte een – geringe – hoeveelheid cocaïne voorhanden gehad in zijn eigen woning. Gevangenisstraf 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/730017-18 (Promis)
Datum uitspraak: 21 maart 2019
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1971,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres]
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2019.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kerkhoff en van wat verdachte en raadsman mr. D.C. Smits naar voren hebben gebracht.
2 Inleiding
Onderzoek 13HAILSHAM/medeverdachten
Het onderzoek 13Hailsham heeft geleid tot de gelijktijdige berechting van verdachte en de volgende medeverdachten:
-
[medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] )
-
[medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] )
-
[medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] )
Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 21 mei 2018 tot en met 8 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval
opzettelijk aanwezig heeft gehad (onder meer):
( [adres] , Amsterdam)
- een hoeveelheid van ongeveer 12,706 kilogram cocaïne (te weten twee blokken van 2190 gram (goednummers 5616421 en 5616422 in AH-tas 1 5614631) en/of twee blokken van 2145 (goednummers 5616424 en 5616426 in AH-tas 2 5614633) gram en/of een blok van 1177 gram (goednummer 5616423 in AH-tas 3 5614635) en/of een blok van 1030 en/of een blok van 1031 (goednummers 5616416 en 5616417 in AH-tas 4 5614636) en/of een blok van 1153 gram (goednummer 5616418 in AH-tas 4 5614636) en/of een blok van 534 gram (goednummer 5616420 in AH-tas 4 5614636) en/of twee brokken van 219 gram (goednummer 5616415 in AH-tas 4 5614636) en/of een blok van 1154 gram (goednummer 5616428 in AH-tas 5 5614638) en/of twee blokken van 2073 gram (goednummers 5616430 en 5616431 in Lidl-tas 5614639), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
en/of
( [adres 2] , Amsterdam)
- een hoeveelheid van ongeveer 0,768 cocaïne (residu item 5616191B), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op een of meer tijdstip(pen) geleden in of omstreeks de periode van 21 mei 2018 tot en met 8 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen,
- stoffen en/of voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) en/of
- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen,
hebbende verdachte en/of (een of meer) van zijn mededader(s)
voorhanden gehad een of meer:
- ( hydraulische) persmachine(s) en/of
- persblok(ken) en/of
- vacuümmachine(s)/sealappara(a)t(en) en/of-
- sealbag(s) en/of
- zwarte rubberen verpakkingsmateriaal en/of
- ( grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën en/of (versnijdings)middel(en), te weten onder meer procaïne en/of lidocaïne en/of methylethylketon, bestemd voor het versnijden en/of wassen en/of bewerken en/of verwerken van cocaïne en/of andere middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1
- harde schijf/schijven en/of
- administratie(s) en/of document(en) met aantekeningen en/of
- laptop(s) en/of
- telefoon(s) en/of
- auto('s)
en/of
een of meermalen een of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën en/of (versnijdings)middel(en), te weten onder meer procaïne en/of lidocaïne en/of methylethylketon, bestemd voor het versnijden en/of wassen en/of bewerken en/of verwerken van cocaïne en/of andere middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, vervoerd naar en/of verkocht en/of verstrekt en/of overgedragen aan [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer
andere (onbekend gebleven) personen.
3 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft overeenkomstig het door haar op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Bewezen kan worden dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de productie van cocaïne (feit 1). Hij heeft hier in een nauwe en bewuste samenwerking met de overige verdachten aan meegewerkt. Hij is betrokken geweest bij het productieproces van drugs in internationaal verband en had een aansturende rol. Het aansturen van degenen die in Nederland zijn, het aanleveren van grondstoffen en het delen in de winst laten een voldoende bepalende en belangrijke rol in het proces zien. Verdachte heeft aantoonbaar onjuist verklaard over zijn aanwezigheid in de buurt van de woning. Op basis van de CellID, die hem vanaf mei 2018 meerdere keren daar plaatst en door het aantreffen van verschillende goederen die bestemd zijn voor de productie van cocaïne bij hem thuis acht de officier van justitie ook feit 2 bewezen. De verschillende goederen die zijn aangetroffen op de woning aan de [adres] te Amsterdam komen ook overeen met spullen die bij verdachte thuis zijn aangetroffen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit, met uitzondering van het voorhanden hebben van de flessen MEK en de versnijdingsmiddelen die verdachte tijdens zijn aanhouding bij zich droeg. Voor dat onderdeel refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft, onder verwijzing naar zijn pleitnota, kort samengevat aangevoerd dat met betrekking tot feit 1 er geen sporen van verdachte zijn aangetroffen in de woning aan de [adres] . Er zijn ook geen foto’s van verdachte in de woning boven tafel gekomen of anders persoonlijke eigendommen aangetroffen die duiden op een eerder bezoek. Bovendien heeft het observatieteam verdachte nooit in de woning gezien tijdens de observaties. Er zijn geen bewijsmiddelen waaruit volgt dat verdachte enige beschikkingsmacht had over de aangetroffen blokken. Het feit dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding in de [adres] liep wordt verklaard door andere omstandigheden en levert geen bewijs op van kennis, laat staan beschikkingsmacht van verdachte over de aangetroffen 12 kilo cocaïne in de woning aan de [adres] . Ten aanzien van de aangetroffen cocaïne-aanslag in de fles MEK, die werd aangetroffen in zijn woning, ontbreekt het opzet. Verdachte wist niet en kon niet zien dat de witte aanslag in de fles aanwezig was en dat deze aanslag sporen van cocaïne zou bevatten. Voor een bewijsconstructie van voorwaardelijk opzet moet te veel geleund worden op aannames. Het wettig maar ook het overtuigend bewijs ontbreekt. Ten aanzien van feit 2 blijkt eveneens de rol van verdachte als medepleger niet uit het dossier. De voorwerpen zijn aangetroffen in de woning aan de [adres] en verdachte wist niet wat er zich in die woning bevond en heeft de voorwerpen ook nooit voorhanden gehad. Daarom moet verdachte worden vrijgesproken van de tenlastegelegde voorwerpen aangetroffen in de [adres] .
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Naar aanleiding van afgeschermde informatie inhoudende dat de bewoners/gebruikers van [adres 3] te Amsterdam, waaronder [medeverdachte 2] , criminele contacten zouden hebben en betrokken zouden zijn bij overdachten van verdovende middelen is een opsporingsonderzoek gestart onder de naam 13Hailsham. In het kader van die verdenking hebben op verschillende data observaties plaatsgevonden en is er een peilbaken geplaatst in de Chevrolet Aveo met het kenteken [nummer] welke auto in gebruik zou zijn bij [medeverdachte 2] .
Op 8 augustus 2018 worden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de woning aan de [adres] te Amsterdam aangehouden. [medeverdachte 1] en [verdachte] worden later die dag afzonderlijk van elkaar in de nabijheid van de woning aangehouden. Tijdens de doorzoeking in de woning aan de [adres] zijn naast 12,7 kilo cocaïne diverse goederen aangetroffen zoals verpakkingsmateriaal, weegschalen, een pers, een tweetal mallen, diverse logo’s en chemicaliën zoals methylethylketon (MEK), zoutzuur, zwavelzuur, aceton en lidocaïne.
Aantreffen cocaïne (feit 1)
Vrijspraak ten aanzien van de cocaïnevondst in de woning aan de [adres]
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om voor verdachte tot een bewezenverklaring te komen met betrekking tot de cocaïne aangetroffen in de woning aan de [adres] . Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet is vast te stellen dat verdachte wist dat er cocaïne in de woning lag, dan wel dat verdachte enige beschikkingsmacht had over de aangetroffen cocaïne. Tevens kan niet worden vastgesteld dat sprake is van medeplegen. De rechtbank acht daarmee niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 betrekking hebbende op de [adres] wordt verweten. Verdachte wordt daarvan dan ook vrijgesproken.
Ten aanzien van de cocaïne aangetroffen in de woning aan het [adres 2]
Tijdens de doorzoeking op 8 augustus 2018 in de woning van verdachte aan [adres 2] zijn verschillende goederen in beslag genomen, waaronder een literfles MEK. Uit onderzoek blijkt dat er 0,768 gram cocaïne in deze fles zat. De rechtbank is van oordeel dat verdachte minstgenomen het voorwaardelijk opzet had op het aanwezig hebben van de aangetroffen cocaïne. Verdachte heeft willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat in de MEK fles resten cocaïne zouden zitten. Uit het dossier en hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard komt naar voren dat hij wist waarvoor MEK doorgaans wordt gebruikt. De rechtbank verwerpt het verweer en acht het opzet op het aanwezig hebben van de cocaïne bewezen met name ook nu de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van hetgeen onder feit 2 aan verdachte is tenlastegelegd. De rechtbank is van oordeel dat van medeplegen geen sprake is. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.
Voorbereidingshandelingen (feit 2)
Op 8 augustus 2018 omstreeks 16.28 uur wordt gezien dat verdachte door een taxi op het [adres 4] wordt afgezet en richting de [adres] loopt. Verdachte had een zwarte rugtas en een gele plastic tas van de Jumbo bij zich. Gezien wordt dat verdachte ter hoogte van [huisnummer] aanstalten maakt om rechtsaf te slaan richting de voordeur. Op het moment dat verdachte voor het perceel [adres] was, draaide zijn bovenlichaam naar rechts en zette hij daarbij zijn rechterbeen/voet naar rechts, kennelijk om aanstalten te maken om de voortuin te betreden. Op 8 augustus 2018 wordt verdachte aangehouden voor de woning aan de [adres] . In de zwarte rugtas worden drie zakken met poeder bevattende procaïne aangetroffen en in de Jumbo tas vijf literflessen MEK. Verdachte heeft verklaard dat hij de mensen in de woning niet kent en nooit in de woning is geweest. Hij verklaart dat hij was benaderd door iemand om de tas met inhoud aan iemand af te leveren. De rechtbank acht de verklaring van verdachte over wat hij daar deed in samenhang bezien met zijn looproute onaannemelijk. De rechtbank stelt vast dat verdachte op 8 augustus 2018 op weg was naar de [adres] om daar de procaïne en MEK af te leveren en daarmee heeft hij deze versnijdingsmiddelen voorhanden gehad. Verdachte heeft hierbij nauw en bewust samengewerkt met medeverdachten. Hoewel verdachte naar eigen zeggen vaker MEK afleverde wanneer mensen hem daar om vroegen en er MEK flessen in zijn woning zijn aangetroffen, kan de rechtbank niet vaststellen of deze eerdere leveringen gekoppeld kunnen worden aan deze woning in de [adres] . De rechtbank acht gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de in deze woning aangetroffen cocaïne niet bewezen dat verdachte ook de overige (in de woning) tenlastegelegde voorwerpen voorhanden heeft gehad.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op met 8 augustus 2018 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
( [adres 2] , Amsterdam)
- een hoeveelheid van ongeveer 0,768 cocaïne (residu item 5616191B), zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
op 8 augustus 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of vervaardigen van hoeveelheden cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededaders wisten, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit
hebbende verdachte
een grote hoeveelheid chemicaliën en versnijdingsmiddelen, te weten onder meer procaïne en methylethylketon, bestemd voor het versnijden en/of wassen en/of bewerken en/of verwerken van cocaïne, vervoerd naar [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, de straf die voor een dergelijk feit - het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen - doorgaans opgelegd wordt ruimschoots overstijgt. Bovendien heeft verdachte een procedure lopen voor een vaste verblijfsvergunning. Hoe hoger de straf des te meer invloed dit zal hebben op die procedure. De raadsman verzoekt de rechtbank ook hiermee rekening te houden.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen, bestemd voor het bewerken van cocaïne. Verdachte was met deze middelen onderweg naar een woning waar een grote hoeveelheid cocaïne en goederen bestemd voor het bewerken van cocaïne zijn aangetroffen. Tevens heeft verdachte een – geringe – hoeveelheid cocaïne voorhanden gehad in zijn eigen woning. Verdachte heeft met zijn handelen een rol gehad in het bewerken van verdovende middelen. Algemeen bekend is dat de handel in verdovende middelen behalve gezondheidsrisico’s ook veel gerelateerde vermogens- en andere criminaliteit met zich brengt. Verdachte heeft zich van deze negatieve effecten niets aangetrokken en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin.
Bij de straftoemeting neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in Nederland niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd nu de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie. Tevens ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, als stok achter de deur om verdachte er van te weerhouden dat hij zich in de toekomst opnieuw met strafbare feiten in zal laten.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk passend. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten moet van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf worden aftrokken. Dit betekent dat verdachte terug moet naar de gevangenis. Het voorwaardelijke deel van de straf hoeft verdachte op dit moment niet uit te zitten. Dit komt aan de orde in het geval dat verdachte zich binnen de proeftijd van twee jaren opnieuw schuldig zou maken aan een strafbaar feit. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die rechters in soortgelijke zaken opleggen.
8 Beslag
Onder verdachte zijn blijkens de beslag lijst van 2 februari 2019 de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1. FLS Fles, 5616188
2. 1.00 STK Zak, 5616192 (verpakking item 5616188)
3. 1.00 STK Zak, 5616316
4. 1.00 STK Zak, 5616314
5. 1.00 STK Zak, 5616315
6. 1.00 STK Mes, 5616292
7. 1.00 STK Weegschaal, 5616294
8. 1.00 STK Mes, 5616296
9. 1.00 STK Mes, 5616297
10. 1.00 STK Mes, 5616298
11. 1.00 STK Mes, 5616300
12. 1.00 STK Keukenartikel, 5616301
13. 1.00 STK Schaar, 5616302
14. 1.00 STK Zaktelefoon, NOKIA, 5616183
15. 1.00 STK Zaktelefoon, NOKIA TA 1010, 5616186
16. 1.00 STK Zaktelefoon, SAMSUNG DUOS, 5614590
17. 1.00 STK Zaktelefoon, BLACKBERRY, 5614592
18. 5.00 STK Jerrycan, 5616329
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorwerpen met nummer 1 tot en met 12 en 17 en 18 dienen te worden onttrokken aan het verkeer en de voorwerpen met nummer 13 tot en met 15 dienen te worden verbeurd verklaard. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Algemene opmerkingen
De rechtbank stelt voorop dat de officier van justitie geen standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de onder nummer 16 in beslag genomen telefoon.
Ten aanzien van de telefoons is de rechtbank van oordeel dat de PGP-telefoon dient te worden onttrokken aan het verkeer, nu het een feit van algemene bekendheid is dat deze telefoons doorgaans gebruikt worden voor criminele doeleinden. Hetzelfde geldt voor de telefoon waarmee gesprekken over het tenlastegelegde zijn gevoerd. De telefoons die voor privédoeleinden zijn gebruikt kunnen worden geretourneerd aan de rechthebbende.
Nu de rechtbank voor verdachte enkel tot een bewezenverklaring komt ten aanzien van de voorwerpen die hij op het moment van zijn aanhouding bij zich droeg, zullen de voorwerpen gevonden op het adres [adres 2] , behoudens de fles waarin cocaïne is aangetroffen, worden geretourneerd aan verdachte, zoals hieronder weergegeven.
Onttrekking aan het verkeer
Onder verdachte zijn versnijdingsmiddelen en cocaïne, genoemd onder nummer 1 en 18, in beslag genomen. Deze voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verweer nu de voorwerpen van zodanige aard zijn dat het bezit daarvan in strijd is met de wet. De telefoons, genoemd onder nummer 16 en 17, dienen eveneens, onder verwijzing naar de hierboven genoemde redenering te worden onttrokken aan het verkeer.
Retour rechthebbende
De onder nummer 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 en 15 in beslag genomen voorwerpen behoren aan verdachte toe en zullen aan hem worden geretourneerd.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1
- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2
- medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
De voorwerpen met nummer 1, 16, 17 en 18.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
De voorwerpen met nummer 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 en 15.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. E.M.M. Gabel en J.P.W. Helmonds, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 maart 2019.