Strafrecht overig
Rechtbank Amsterdam · Eerste aanleg - meervoudig · Strafrecht overig
Rechtbank Amsterdam, 17 juni 2021
ECLI:NL:RBAMS:2021:3322 · Rechtbank Amsterdam · 17 juni 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2021-3322
Zaakgegevens
Op 17 juni 2021 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 juni 2021
- Datum publicatie
- 29 juni 2021
- Zaaknummer
- 13-057243-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2021:3322
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
ISD-maatregel
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummers: 13-057243-21, 15-162497-20 (TUL)
Datum uitspraak: 17 juni 2021
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1985,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres] .
1 Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni 2021.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. G. Dankers, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. Schouten, naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
De verdenking komt er – kort gezegd – op neer dat verdachte op 27 februari 2021 levensmiddelen heeft gestolen in een filiaal van Albert Heijn te Amsterdam.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde winkeldiefstal.
Standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting heeft de verdachte zichzelf herkend op een hem ter zitting getoonde still, welke is genomen van de camerabeelden van één van de bewakingscamera’s in de Albert Heijn waar de goederen weggenomen zijn. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte erkent in de winkel te zijn geweest en laat de beoordeling van het ten laste gelegde feit over aan de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 27 februari 2021 te Amsterdam bij de Albert Heijn goederen heeft gestolen. Na eerdere verklaringen van de verdachte dat hij niet in de bewuste Albert Heijn is geweest heeft verdachte zichzelf ter zitting herkend op beelden die zijn genomen in de Albert Heijn van de persoon die blijkens de aangifte de goederen heeft weggenomen. Naar het oordeel staat daarmee vast dat verdachte de persoon is geweest die het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
op 27 februari 2021 te Amsterdam enig goed, dat geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan het winkelbedrijf Albert Heijn, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
5 Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6 Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD)
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 jaren, zonder aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht geen ISD-maatregel op te leggen. Weliswaar wordt aan de harde criteria voldaan, maar niet aan de zachte criteria. Tot begin van het 2020 is verdachte nimmer met politie en justitie in aanraking gekomen. Verdachte is niet alles aangereikt en hem zijn nimmer bijzondere voorwaarden opgelegd, waarbij hij bijvoorbeeld zou kunnen worden geholpen bij het verkrijgen van werk en huisvesting. De raadsvrouw heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van het voorarrest met daarnaast een week voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, waaronder reclasseringstoezicht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dit is een hinderlijk strafbaar feit, waardoor verdachte overlast en economische schade veroorzaakt.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de adviezen van Reclassering Nederland van 19 februari 2021 en 10 mei 2021, beiden opgemaakt door J. Huijbers. Hierin wordt – kort gezegd – geadviseerd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Verdachte komt vanaf maart 2020 veelvuldig in aanraking met justitie. De reclassering constateert een delictpatroon aangaande vermogensdelicten. Sinds verdachte zijn werk kwijt raakte, alsmede zijn onderkomen is er sprake van een neerwaartse spiraal en instabiliteit op alle leefgebieden. Verdachte was tevens dakloos en er was sprake van overmatig alcoholgebruik. Mede door het ontbreken van een ondersteunend netwerk veroorzaakte verdachte steeds meer maatschappelijke overlast. Verdachte heeft destijds geen gebruik gemaakt van het aanbod van het plan van de reclassering, Stichting Amoc en het Openbaar Ministerie om gebruik te maken van vrijwillige repatriëring naar Polen. De houding van verdachte is pro-crimineel; hij vindt het normaal dat hij steelt en drinkt en hij lijkt niet vooruit te denken. Verdachte verblijft rechtmatig in Nederland. Omdat hij geen aanspraak kan maken op sociale voorzieningen is het niet mogelijk hem te begeleiden in het kader van toezicht van de reclassering. De reclassering had ook voor de ISD-zitting van 25 februari 2021 het advies uitgebracht verdachte de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, welk advies niet is gevolgd door de rechtbank. Verdachte is na die ISD-zitting in vrijheid gesteld en is kort daarna, op 27 februari 2021 opnieuw aangehouden wegens onderhavige verdenking. Nadien hebben zich geen veranderingen in de situatie van verdachte voorgedaan.
Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting reclasseringswerker mevrouw J. Huijbers, verbonden aan Reclassering Nederland te Amsterdam, als deskundige gehoord. Zij heeft de beide hiervoor genoemde reclasseringsadviezen opgesteld. Zij heeft een korte toelichting gegeven op het advies en verklaard dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel passend is omdat, in verband met het ontbreken van sociale voorzieningen, een drangkader niet mogelijk is. Binnen de ISD kan onder meer gewerkt worden aan zijn alcoholprobleem en kan worden gewerkt aan zijn repatriëring naar Polen.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 26 april 2021 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 27 februari 2021 meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportages, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens genoemd uittreksel Justitiële Documentatie is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het vonnis van deze rechtbank van 11 maart 2021 (13-297901-20), waarin verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van het voorarrest. In dit vonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen:
“De rechtbank is echter van oordeel dat oplegging van een ISD-maatregel thans nog niet aan de orde is. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Verdachte is weliswaar eerder veroordeeld voor vermogensdelicten, maar deze veroordelingen nopen op dit moment nog niet tot oplegging van een dergelijk ingrijpende maatregel. Het strafblad van verdachte laat zien dat verdachte pas sinds 2020 met justitie in aanraking komt en dat, hoewel verdachte aangemerkt kan worden als een stelselmatige dader, sprake is van een relatief beperkt aantal veroordelingen. Ook ziet de rechtbank geen escalatie in ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het opleggen van een ISD-maatregel thans nog niet passend en geboden, en geeft aan verdachte een laatste kans om zelf zijn leven op orde te krijgen.”
De rechtbank stelt nu vast dat verdachte de hem geboden laatste kans niet heeft benut en dat hij zich vrijwel direct na zijn invrijheidstelling heeft schuldig gemaakt een het bewezen verklaarde feit. Aan de hand van de zich in het dossier bevindende TULP-registratiekaart (SKN: 11311127, d.d. 1 juni 2021) – waaruit de detentiegegevens blijken – en de hiervoor genoemde justitiële documentatie constateert de rechtbank een patroon waarin verdachte steeds binnen korte tijd na invrijheidstelling zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van winkeldiefstallen.
De rechtbank ziet daarom thans reden om de ISD-maatregel op te leggen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 15-162497-20, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 31 juli 2020 van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 week, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte is toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Gezien echter de omstandigheid dat de rechtbank aan verdachte een ISD-maatregel zal opleggen, is zij van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf geen meerwaarde heeft, zodat zij de tenuitvoerlegging zal afwijzen.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
11 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer
15-162497-20.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. G. Oldekamp en J. van Zijl, rechters,
in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2021.
[--]