Strafrecht overig
Rechtbank Amsterdam · Eerste aanleg - meervoudig · Strafrecht overig
Rechtbank Amsterdam, 2 juni 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:5060 · Rechtbank Amsterdam · 2 juni 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2022-5060
Zaakgegevens
Op 2 juni 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 juni 2022
- Datum publicatie
- 29 augustus 2022
- Zaaknummer
- 13/239803-20
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:5060
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dagvaarding nietig
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/239803-20
Datum uitspraak: 2 juni 2022
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
laatst opgegeven [adres 1]
.
1 Onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juni 2022. Verdachte was hierbij niet aanwezig.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie, mr. M. Lommers, en het standpunt van de (niet gemachtigde) raadsman van verdachte, mr. O.S. Pluimer, over de betekening van de dagvaarding.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is - kort samengevat - ten laste gelegd dat hij zich op 26 april 2020 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het (medeplegen van) witwassen van € 72.800,-.
De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Geldigheid van de dagvaarding
Verdachte heeft bij zijn politieverhoor van 27 april 2020 het [adres 2] ’ opgegeven.
Verdachte was eerder gedagvaard voor een zitting op 14 december 2021. Blijkens het naar aanleiding van die zitting gewezen vonnis van 14 december 2021, heeft de rechtbank destijds vastgesteld dat moet worden begrepen dat het opgegeven adres het adres ‘[adres 1] betreft en dat de dagvaarding toen niet op de in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voorgeschreven wijze naar laatstgenoemd adres was verzonden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de dagvaarding niet juist is betekend.
De rechtbank komt thans tot eenzelfde conclusie. Uit de akte van uitreiking blijkt namelijk dat de dagvaarding deze keer is verzonden naar het niet-bestaande [adres 3] Overigens is ook geen [buitenlandse] vertaling van de dagvaarding naar dat adres meegezonden.
Omdat de dagvaarding opnieuw niet juist is betekend en verdachte ook niet op de terechtzitting is verschenen, zal de rechtbank de betekening van de dagvaarding nietig verklaren op grond van artikel 36n, eerste lid, Sv.
4 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart de betekening van de dagvaarding nietig.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. A.J. Scheijde en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. van der Post, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2022.
[Bijlage]