Strafrecht overig
Veroordeling wegens twee winkeldiefstallen. Oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaar.
Rechtbank Amsterdam, 15 februari 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:1090 · Rechtbank Amsterdam · 15 februari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2023-1090
Zaakgegevens
Op 15 februari 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 februari 2023
- Datum publicatie
- 28 februari 2023
- Zaaknummer
- 13/281576-22 (A) & 13/024750-22 (B)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:1090
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling wegens twee winkeldiefstallen. Oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaar.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummers: 13/281576-22 (A) & 13/024750-22 (B) (Promis)
Datum uitspraak: 15 februari 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [naam PI] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 februari 2023.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.A. Groenendijk, en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. van den Berg, en reclasseringswerker [naam] naar voren is gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Zaak A
diefstal van een koffiezetapparaat van de Vomar op 31 oktober 2022 te Amsterdam.
Zaak B
diefstal van meerdere goederen van de Vomar op 27 januari 2022 te Amsterdam.
De tekst van de integrale tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Zaak A
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde diefstal heeft begaan. Dit volgt uit de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden waarop te zien is dat verdachte met een grote doos in zijn handen de kassa passeert. Verdachte bekent ter terechtzitting ook dat hij de persoon is op die beelden.
Zaak B
De officier van justitie vindt dat bewezen kan worden dat verdachte de in de tenlastelegging opgenomen goederen heeft gestolen. Uit de aangifte volgt dat deze goederen zijn gestolen en uit de beschrijving van de camerabeelden volgt ook dat de verdachte de inhoud van een mandje vol met goederen heeft gestolen, waaronder twee koffers met accuboren. Dat bij de aanhouding van verdachte twee andere koffers met borensets zijn aangetroffen doet daar niet aan af.
Het standpunt van de verdediging
Zaak A
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal, omdat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat het betreffende koffiezetapparaat is gestolen. Uit de aangifte en de camerabeelden blijkt namelijk niet of verdachte de doos met het koffiezetapparaat al in zijn handen had toen hij de winkel in liep. Op grond van het dossier kan daarom niet worden vastgesteld dat verdachte de doos heeft weggenomen uit de winkel.
Zaak B
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat ten aanzien van de (accu)boormachines dient te worden volstaan met een bewezenverklaring van ‘enig goed’, aangezien de ten laste gelegde boormachines niet overeenkomen met de borensets waarvan verdachte ook heeft bekend dat hij die heeft gestolen.
Het oordeel van de rechtbank
Zaak A
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde diefstal heeft begaan. Uit de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden volgt dat verdachte de kassa passeert, terwijl hij in zijn handen een doos heeft met daarin het koffiezetapparaat. Uit de aangifte begrijpt de rechtbank dat dat koffiezetapparaat zich op dat moment in het assortiment van die Vomar bevindt. Verdachte biedt deze doos, met daarin het koffiezetapparaat, niet ter betaling aan en wordt na het verlaten van de winkel aangehouden.
Het ter zitting gevoerde verweer dat verdachte de winkel misschien heeft betreden met de doos al in zijn bezit vindt de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte heeft dit ook niet in een eerder stadium verklaard. Ook volgt dit niet uit de beschrijving van de camerabeelden en bovendien blijkt uit het dossier dat verdachte de doos met koffiezetapparaat na zijn aanhouding heeft teruggegeven aan de winkel.
Zaak B
Uit de beschrijving van de camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte volgt dat verdachte twee Bosch borensets heeft gestolen van de Vomar. Dat verdachte twee borensets en geen (accu)boormachines heeft gestolen blijkt ook het proces-verbaal van bevindingen van 27 januari 2022, waarin staat beschreven dat verdachte twee borensets bij zich heeft en waarvan een foto is bijgevoegd. Die twee borensets komen overeen met de koffers die op de camerabeelden van de Vomar te zien zijn. De rechtbank zal volstaan met de bewezenverklaring van ‘enig goed’ en spreekt verdachte partieel vrij van de in de tenlastelegging opgenomen goederen. Deze goederen volgen namelijk slechts uit de aangifte en komen niet overeen met de overige bevindingen in het dossier.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bewezen dat verdachte:
Zaak A
op 31 oktober 2022 te Amsterdam een koffiezetapparaat, toebehorende aan winkelbedrijf Vomar (locatie: [adres 1] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak B
op 27 januari 2022 te Amsterdam enig goed, toebehorende aan Vomar (gevestigd aan [adres 2] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
6 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht aan verdachte geen ISD-maatregel op te leggen, omdat er voldoende alternatieven zijn. Verdachte heeft geen verblijfstitel en maakt geen aanspraak op sociale voorzieningen in Nederland. Oplegging van de ISD-maatregel komt in zijn geval neer op kale detentie. Verdachte wil geholpen worden bij zijn problematiek, maar hiervoor zijn in Nederland geen mogelijkheden, ook niet gedurende een ISD-maatregel. Verdachte heeft eerder een ISD-maatregel voor de duur van één jaar opgelegd gekregen en tijdens die maatregel is ook niet gewerkt aan zijn problematiek. Verdachte ziet in dat hij geen kansen heeft in Nederland en wil daarom terug naar [land van herkomst] .
Verzocht wordt aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, dan wel voor maximaal de duur van zes maanden. Verdachte heeft dan voldoende tijd om vervoer naar [land van herkomst] te regelen.
Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht te volstaan met de ISD-maatregel voor de duur van één jaar, hoewel verdachte in dat geval liever een gevangenisstraf voor de duur van één jaar opgelegd krijgt. Indien de ISD-maatregel wordt opgelegd, wordt verzocht om te bepalen dat na zes maanden na ingang van de maatregel de noodzaak van de maatregel tussentijds wordt getoetst.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan.
Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. De rechtbank overweegt dat diefstal een hinderlijk feit is waarbij vaak financiële schade voor de winkelier ontstaat. Ook zorgt het voor veel overlast in de maatschappij en bij het winkelend publiek in het bijzonder. Hij heeft zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen en hij heeft geen oog gehad voor de belangen van het bedrijf waar hij de goederen heeft gestolen.
De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Leger Des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 23 januari 2023, opgemaakt door [naam] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in. Er is sprake van een delictpatroon aangaande vermogensdelicten. Verdachte heeft in maart 2020 de ISD-maatregel voor de duur van één jaar opgelegd gekregen met als doel terugkeer naar [land van herkomst] . Verdachte is hierna echter teruggekeerd naar Nederland en is sinds mei 2021 vervallen in het plegen van vermogensdelicten. Verdachte is dakloos en de reclassering ziet aanwijzingen voor verslavingsproblematiek. Verdachte voldoet aan de harde ISD-criteria. Hij heeft als onderdaan van de Europese Unie (EU) onvoldoende sociale rechten opgebouwd, waardoor de structurele hulpverleningsmogelijkheden met toekomstperspectief binnen Nederland ernstig worden belemmerd. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies en voorwaarden het hoge recidiverisico te beperken. Ook binnen de ISD-maatregel kan niet worden toegewerkt naar resocialisatie in Nederland, omdat hij geen recht heeft op sociale voorzieningen. Indien verdachte de rechtbank niet kan overtuigen van een concreet, realistisch en haalbaar plan waarmee de risico’s voldoende zijn gedekt, adviseert de reclassering om aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen. Gedurende die maatregel worden de repatriëringsnoodzaak en -mogelijkheden, eventueel voorafgegaan door gedragsinterventies, onderzocht.
Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting reclasseringswerker [naam] als deskundige gehoord. Zij heeft voornoemd reclasseringsadvies bevestigd en nader toegelicht.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 22 december 2022 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 31 oktober 2022 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en maatregel en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblaf van verdachte is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
De rechtbank is van oordeel dat ook is voldaan aan de zachte ISD-criteria. Verdachte is veelvuldig veroordeeld wegens (met name) vermogensdelicten en heeft eerder de ISD-maatregel opgelegd gekregen. Deze straffen en maatregel hebben hem er kennelijk niet van kunnen weerhouden om opnieuw strafbare feiten te begaan. Verdachte heeft als EU-onderdaan onvoldoende rechten opgebouwd in Nederland en maakt geen aanspraak op sociale voorzieningen. Daarbij kampt hij met verslavingsproblematiek, waarvoor hij in Nederland geen hulp of begeleiding kan krijgen. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen reëel alternatief, omdat hiermee het recidiverisico onverminderd hoog blijft. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist en zij zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. De inzet van de ISD-maatregel dient te worden gericht op zijn terugkeer naar [land van herkomst] . Uitzetting vanuit de ISD-maatregel biedt de mogelijkheid om terugkeer met een zachte landing te organiseren. Terwijl dit wordt georganiseerd, kan diagnostiek en eventueel behandeling van de (middelen)problematiek van verdachte plaatsvinden. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
Tussentijdse beoordeling
De verdediging heeft verzocht een tussentijdse toets te bepalen na zes maanden, omdat de ISD-maatregel gericht is op terugkeer van verdachte naar [land van herkomst] en na zes maanden kan worden bezien of hier voldoende actie op wordt ondernomen. De rechtbank overweegt dat de verwachting niet is dat verdachte na zes maanden al gerepatrieerd zal zijn naar [land van herkomst] . Gelet hierop en gelet op het gegeven dat de verdediging binnen de wettelijke kaders gedurende de maatregel een tussentijdse toets kan aanvragen, ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit vonnis een tussentijdse toets na zes maanden te bepalen.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het in zaak A en zaak B ten laste gelegde: telkens:
diefstal.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Dolfing, voorzitter,
mrs. G. Oldekamp en J. Mees-Bolle, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. I. Meulman en D.J.L. Rantong, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 februari 2023.