Strafrecht overig
Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan een straatroof. Hierbij heeft hij een groot mes…
Rechtbank Amsterdam, 16 december 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:11512 · Rechtbank Amsterdam · 16 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2025-11512
Zaakgegevens
Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 december 2025
- Datum publicatie
- 30 juli 2026
- Zaaknummer
- 13/282562-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2025:11512
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan een straatroof. Hierbij heeft hij een groot mes getoond.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13/282562-24
Datum uitspraak: 16 december 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres]
1 Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.A. van Veen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H.H.M. Helleman, advocaat te Huizen, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mevrouw [medewerker Raad voor Kinderbescherming] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), de heer [medewerker DJGB] , namens de Jeugd & Gezinsbeschermers (hierna: DJGB), [jongerencoach] , jongerencoach bij [zorginstelling 1] , en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
feit 1: afpersing met geweld en/of bedreiging met geweld in vereniging tegen [slachtoffer] en persoon 05990076 op 2 september 2024 te Amstelveen.
feit 2: diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld in vereniging tegen [slachtoffer] en persoon 05990076 op 2 september 2024 te Amstelveen.
feit 3: het voorhanden hebben van een wapen van categorie III, onder 6 van de Wet wapens en munitie (zwaard/machete) op 2 september 2024 te Amstelveen.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en stelt zich op het standpunt dat met betrekking tot feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het vereiste opzet bij verdachte niet kan worden bewezen. Ook voor medeplegen is volgens de raadsvrouw onvoldoende bewijs.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring feiten 1 en 2
Naar het oordeel van de rechtbank kan worden bewezen dat verdachte en zijn mededaders opzet hadden om samen aangever [slachtoffer] te beroven. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 2 september 2024 bij een bushokje in Amstelveen door drie jongens is beroofd. Eén van hen droeg hierbij een groot mes in zijn broekband en heeft dit aan aangever getoond. Aangever heeft een duidelijk signalement van deze persoon gegeven, op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de persoon met het mes verdachte betreft. Twee getuigen, die aangifte deden onder nummer 05990075 en 05990076, bevestigen het verhaal van aangever. Bovendien heeft verdachte bekend dat hij het mes bij zich had en heeft getoond aan aangever. Uit de aangifte blijkt dat aangever zich zo onder druk gezet voelde na het tonen van het mes dat hij zijn airpods heeft afgegeven. Aangever heeft ook verklaard dat toen aangever weigerde zijn telefoon aan de jongens af te geven, de drie jongens aan hem gingen trekken en hem duwden. Hierbij haalde een van de jongens de telefoon van aangever uit zijn broekzak.
Door – samen met de medeverdachten – aangever te benaderen, hem aan te spreken, een mes in de broeksband te tonen en aangever te duwen en aan hem te trekken heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een substantiële bijdrage geleverd aan zowel de afpersing van de airpods als de diefstal van de iPhone. Er is sprake geweest van een gezamenlijke uitvoering en een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat medeplegen bewezen kan worden. Verdachte kan derhalve ook verantwoordelijk worden gehouden voor de handelingen zoals die door de medeverdachten zijn verricht.
Ook acht de rechtbank gezien de rol en het gedrag van verdachte bewezen dat het opzet van verdachte gericht was op de diefstal met geweld en de afpersing. Bovendien heeft verdachte zelf ter zitting verklaard dat hij de buit wilde gebruiken om zijn straatboete te betalen.
Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Bewezenverklaring feit 3
De rechtbank acht het ten laste gelegde onder feit 3 bewezen. Verdachte heeft het feit bekend en zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
feit 1
op 2 september 2024 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar airpods, die geheel aan die [slachtoffer] toebehoorde door tegen voornoemde [slachtoffer] te zeggen: "geef je airpods, geef je airpods", en vervolgens een mes aan voornoemde [slachtoffer] te tonen en vervolgens met kracht aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te trekken en te duwen;
feit 2
op 2 september 2024 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met anderen, een telefoon (merk Apple Iphone), die geheel aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door tegen voornoemde [slachtoffer] te zeggen: "geef je airpods, geef je airpods" en vervolgens een mes, aan voornoemde [slachtoffer] te tonen en vervolgens met kracht aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te trekken en te duwen;
feit 3
op 2 september 2024 te Amstelveen, een wapen van categorie III, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een machete, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
6 Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
7 Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8 Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
9 Motivering van de straf
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd dat hieraan de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, rekening te houden met de beperkte rol van verdachte, de omstandigheden waaronder hij heeft gehandeld en de persoon van verdachte. De raadsvrouw verzoekt de eis van de officier van justitie te matigen, omdat hij vanwege alle hulpverlening weinig tijd over heeft om een werkstraf te verrichten.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan een straatroof. Hierbij heeft hij een groot mes getoond, waardoor het slachtoffer zich behoorlijk geïntimideerd moet hebben gevoeld. Dat blijkt ook uit zijn aangifte. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer en heeft zich alleen bekommerd om zijn eigen financiële gewin. Daarnaast wakkeren dergelijke feiten, gepleegd op de openbare weg en op klaarlichte dag, gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving aan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie
d.d. 14 oktober 2025 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender.
De Raad heeft op 11 december 2025 een rapport over verdachte opgesteld en schrijft – kort samengevat – dat er veel beschermende factoren zijn in het leven van verdachte, die de kans op recidive verkleinen. Echter, er zijn zorgen over de beïnvloedbaarheid van verdachte. Hij lijkt bij het onderhavige delict onder druk te hebben gestaan van anderen. Gesproken wordt over een jeugdbende onder wiens invloed verdachte destijds stond. Binnen de hulpverlening wordt er gewerkt aan het leren weerbaarder te worden in risicovolle situaties. Verdachte heeft momenteel al veel ondersteuning. De Raad is van mening dat deze zorg boven een leerstraf prefereert en vindt daarom een onvoorwaardelijke straf momenteel niet passend. De Raad adviseert aan verdachte een voorwaardelijke werkstraf met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden op te leggen.
Ter zitting heeft de Raad gepersisteerd bij het ingediende advies. De Raad heeft toegelicht dat het van groot belang is dat de lopende hulpverlening onverminderd doorgaat, zodat recidive wordt voorkomen. Verdachte werkt mee en is gemotiveerd om aan zijn toekomst te werken. De geadviseerde bijzondere voorwaarden ondersteunen dit proces. Ook is het cruciaal dat de jeugdreclassering nauw betrokken blijft. Hoewel er sprake is van een ernstige verdenking, speelde er veel meer rondom deze situatie, waar binnen de hulpverlening alle aandacht voor is.
De deskundige vanuit DJGB heeft ter zitting toegelicht dat verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Hoewel hij nog jong is, kan hij zich goed uiten. De begeleiding door een coach, die hem actief ondersteunt en helpt stoom af te blazen, blijkt voor hem zeer waardevol. Hierdoor neemt de kans op recidive steeds verder af.
De coach van [zorginstelling 1] heeft ter zitting verklaard dat het contact in het begin aftastend was, maar dat verdachte zich inmiddels heeft opengesteld. De focus ligt vooral op het vergroten van zijn weerbaarheid, zodat verdachte leert hoe hij situaties kan vermijden die problemen veroorzaken en hoe hij zich in zulke situaties kan gedragen.
De moeder van verdachte heeft ter zitting naar voren gebracht dat het de goede kant op gaat met verdachte en dat zij zich kan vinden in het advies van de Raad met betrekking tot de geadviseerde voorwaarden.
De straf
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte – zijn jonge leeftijd, het feit dat hij goed meewerkt aan de hulpverlening, zijn positieve houding ter terechtzitting en de sterke indicaties dat verdachte onder druk stond van een criminele jeugdbende waarvan verdachte zich nu los lijkt te hebben gemaakt – is de rechtbank van oordeel, dat kan worden volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf. Door de deskundigen is voldoende onderbouwd dat een onvoorwaardelijke werkstraf teveel druk geeft op de afspraken van verdachte met de betrokken hulpverlening. De rechtbank zal, conform de eis van de officier van justitie, een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren opleggen. Aan deze straf verbindt de rechtbank, naast de algemene voorwaarde, de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 55, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 54 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
11 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feiten 1 en 2:
eendaadse samenloop van:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
en
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen
personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of
gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde
personen.
feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30
(dertig) uren.
Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende
jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen.
Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast en met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.
Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de
veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
-
onderwijs volgt, dan wel een dagbesteding heeft;
-
wordt verplicht zich onder behandeling van de Waag of soortgelijke instelling te stellen;
-
meewerkt aan de begeleiding van [zorginstelling 1] of soortgelijke instelling;
-
meewerkt aan de plaatsing bij [zorginstelling 2] , zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
-
zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
-
zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en zich meldt bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan de Jeugd- en Gezinsbeschermers, regio Haarlem tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.J. van Aalderen, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. K.M. van Hassel en A. van Luijck, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Entius, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 december 2025.
Bijlage - Tenlastelegging
[…]