Strafrecht overig
Een 27-jarige man is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan…
Rechtbank Amsterdam, 22 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10356 · Rechtbank Amsterdam · 22 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2026-10356
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13/190709-26, 13/059559-26 en 13/031592-26 (ter terechtzitting gevoegd)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10356
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Een 27-jarige man is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan heling en twee diefstallen met geweld, waarvan een in vereniging
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Parketnummers: 13/190709-26, 13/059559-26 en 13/031592-26 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaken tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
nu gedetineerd in de [naam PI] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 oktober 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze worden in de verdere inhoud van dit vonnis in chronologische volgorde aangehaald.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E. de Bruijn, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. van Assendelft de Coningh, naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
13/059559-26:
diefstal van een gouden ketting toebehorend aan [slachtoffer 1] met geweld, door [slachtoffer 1] te duwen en de ketting van zijn nek te trekken op 24 januari 2026;
13/031592-26:
opzetheling van een kentekenbewijs en een Revolut betaalkaart op 31 januari 2026;
13/190709-26:
diefstal in vereniging van € 1.000,- contant geld toebehorend aan [slachtoffer 2] met geweld, door [slachtoffer 2] in het gezicht en tegen de grond slaan op 4 juli 2026.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Voorvragen
Ontvankelijkheid van de officier van justitie (13/059559-26)
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – kort gezegd – aangevoerd dat van een ernstige inbreuk op de artikelen 152 en 153 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) sprake is, omdat verbalisant [naam verbalisant 1] doelbewust een proces-verbaal van herkenning heeft opgemaakt met belastende onwaarheden. Zo heeft de verbalisant geverbaliseerd dat hij verdachte onmiddellijk herkende toen hij de stills en camerabeelden van het ten laste gelegde zag, terwijl dit achteraf niet waar bleek. De verbalisant wist zijn herkenning bij de rechter-commissaris niet meer te reconstrueren. Evenmin kon hij vertellen op welk moment hij verdachte herkende. Volgens de raadsman is dit onder andere te wijten aan beïnvloeding door zijn collega’s. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte door de herkenning van verbalisant [naam verbalisant 1] onterecht als verdachte is aangemerkt en tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Gelet op het voorgaande heeft de raadsman primair betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte in de strafzaak met parketnummer 13/059559-26. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het proces-verbaal van herkenning van verbalisant [naam verbalisant 1] moet worden uitgesloten van het bewijs vanwege dezelfde gronden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Hoewel zij erkent dat de verbalisant een onwaarheid geverbaliseerd heeft, is er volgens haar geen sprake van een doelbewuste schending van het recht op een eerlijk proces van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
Indien sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechtbank beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg verbonden moet worden en zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Bij deze beoordeling dient de rechtbank rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim – waaronder de verwijtbaarheid en de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan – en het nadeel dat daardoor voor de verdachte is veroorzaakt.
Artikel 359a Sv beschrijft welke rechtsgevolgen de rechtbank kan verbinden aan een onherstelbaar vormverzuim, te weten: strafvermindering, bewijsuitsluiting of een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verdachte. De rechtbank mag ook volstaan met de constatering van een vormverzuim. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie als rechtsgevolg van een vormverzuim slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte op diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank moet daarbij in zijn algemeenheid beoordelen of er nog sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De rechtbank constateert dat in het proces-verbaal van herkenning van verbalisant [naam verbalisant 1] is opgenomen dat hij verdachte onmiddellijk herkende toen hij de stills en camerabeelden van het ten laste gelegde zag. Ook stelt de rechtbank vast dat verbalisant [naam verbalisant 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij niet meer weet wanneer hij zijn proces-verbaal heeft opgemaakt en hoe zijn herkenning tot stand is gekomen. Hij heeft beaamd dat er geen sprake was van een onmiddellijke herkenning en dat de bewoordingen in zijn proces-verbaal op dit punt niet kloppen. De rechtbank stelt daarom vast dat er sprake is van een proces-verbaal dat in strijd met de waarheid is opgemaakt, waardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Naar het oordeel van de rechtbank behoeft aan dit vormverzuim geen rechtsgevolg verbonden te worden. De rechtbank stelt voorop dat een waarheidsgetrouwe verslaglegging in een proces-verbaal van essentieel belang is voor een eerlijk strafproces. De rechtbank is echter niet van oordeel dat de verbalisant zijn proces-verbaal doelbewust in strijd met de waarheid heeft opgemaakt. De rechtbank acht het aannemelijk dat de verbalisant bij het opmaken van het proces-verbaal een standaard(kruisjes)formulier heeft gebruikt. Het gebruik van dergelijke formulieren is op zichzelf niet bezwaarlijk, maar brengt risico’s met zich mee en vraagt extra zorgvuldigheid van de verbalisant bij de beschrijving van zijn herkenning, mede omdat herkenningen zonder ruimte voor twijfel worden gepresenteerd. Dat de verbalisant zijn proces-verbaal niet zorgvuldig heeft gecontroleerd, is daarom kwalijk. Desalniettemin ziet de rechtbank ook dat de verbalisant zijn fout bij de rechter-commissaris heeft erkend en het moment van zijn herkenning nadien heeft genuanceerd. Tegelijk heeft hij verklaard dat hij zeker was van zijn herkenning en dat hij het proces-verbaal anders niet zou hebben opgemaakt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan te nemen dat hij doelbewust of met grove onachtzaamheid heeft gehandeld. Verder blijkt niet uit het dossier dat de verbalisant zich heeft laten beïnvloeden door collega’s of met anderen heeft overlegd.
Bovendien leidt een onwaarheid in een proces-verbaal niet direct tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, omdat niet zonder meer vaststaat dat daardoor het recht op een eerlijk proces van de verdachte geschonden is. Ook in deze zaak is het veroorzaakte nadeel voor verdachte beperkt. Verdachte is door meerdere verbalisanten herkend als de persoon op de camerabeelden. Ook zonder de herkenning van verbalisant [naam verbalisant 1] bestond er voldoende aanleiding voor de verdenking tegen verdachte.
Conclusie
Alles overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake is van een vormverzuim, maar dat dit vormverzuim niet leidt tot een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Er is geen ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming het recht op een eerlijk proces van verdachte geschonden is.
Het subsidiaire verweer van de raadsman – dat het proces-verbaal van herkenning van verbalisant [naam verbalisant 1] moet worden uitgesloten van het bewijs – behoeft geen nadere bespreking, omdat de rechtbank het desbetreffende proces-verbaal niet voor het bewijs bezigt. De rechtbank volstaat daarom met de constatering van een vormverzuim.
4 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de drie ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van strafzaak 13/059559-26 aangevoerd dat verdachte, mocht de officier van justitie ontvankelijk zijn in de vervolging van verdachte, moet worden vrijgesproken, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. Volgens hem is het bewijs enkel gebaseerd op camerabeelden die onvoldoende scherp zijn en op herkenningen van verbalisanten die onbetrouwbaar zijn.
De raadsman heeft verder aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde in strafzaak 13/190709-26, omdat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte de diefstal heeft gepleegd. Volgens de raadsman is sprake van een aantal contra-indicaties voor het daderschap van verdachte, waaronder het gegeven dat het signalement van verdachte niet (volledig) overeenkomt met de persoon op de stills.
Ten aanzien van strafzaak 13/031592-26 heeft de raadsman betoogd dat verdachte geen opzet had op het ten laste gelegde, gelet op zijn verklaringen. Voor het overige refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Zaak 13/059559-26 (diefstal met geweld)
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
In de avond van 24 januari 2026 liep aangever [slachtoffer 1] samen met zijn vrouw in Amsterdam op straat toen een persoon hem aansprak. Deze persoon sloeg een arm om de nek van aangever, hield hem vast en trok zijn ketting van zijn nek. Vervolgens is deze persoon weggerend. Aangever beschrijft dat deze persoon een man was met een Arabisch uiterlijk, zwart kort haar, een vlassig snorretje, een hoodie droeg en een zwart met groen geblokte jas. Van het incident zijn camerabeelden waarop de ten laste gelegde straatroof en de persoon van de dader te zien zijn. Deze persoon is onder meer door verbalisant [naam verbalisant 2] herkend als verdachte. Verdachte is voor dit feit op 26 februari 2026 aangehouden en bij zijn aanhouding droeg hij eenzelfde soort groen met zwart geblokte jas.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte de persoon betreft die de diefstal met geweld gepleegd heeft.
Toetsingskader
De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen en vergelijkingen van verbalisanten en de bewijskracht daarvan. Dit geldt temeer indien herkenningen en/of vergelijkingen het enige of voornaamste bewijsmiddel zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij het ten laste gelegde feit kunnen aantonen. Het is van belang een onderscheid te maken tussen herkenningen en vergelijkingen.
Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een ambtshalve herkenning aan de hand van afbeeldingen/beelden is onder meer van belang in hoeverre daarop voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Of hiervan sprake is hangt af van de kwaliteit van de afbeeldingen/beelden en de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken daarop. Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke duur, intensiteit en frequentie de verbalisant de door hem herkende persoon eerder heeft gezien. Verder is van belang of de herkenning onafhankelijk tot stand is gekomen en of er sprake is van voorkennis. Uit de wetenschap volgt dat gezichten als een geheel, dat wil zeggen holistisch, in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en zich goed kan herinneren.
Gezichtsvergelijkingen vinden plaats door een foto van een verdachte te vergelijken met beschikbare camerabeelden of foto’s. Om de betrouwbaarheid van gezichtsvergelijkingen te kunnen toetsen, is het noodzakelijk dat degene die tot een positieve vergelijking komt, aangeeft op welke overeenstemmende en onderscheidende gezichtskenmerken die vergelijking gebaseerd is, bij afwezigheid van zichtbare verschillen. Het is in elk geval zo dat bij de persoon van de waarnemer het herinneringsbeeld dat deze van de verdachte heeft, bij de herkenning geen rol speelt. Het accent komt daardoor te liggen op de beschrijving van de (gezichts)kenmerken, naast de kwaliteit van de beelden en de wijze waarop de persoon in kwestie daarop is afgebeeld.
Bewezenverklaring
Verdachte is herkend door verbalisant [naam verbalisant 2] die hem op 31 januari 2026 heeft verhoord over het ten laste gelegde onder parketnummer 13/031592-26. Hij herkende verdachte op basis van foto’s bij een aandachtvestiging en heeft daarna de stills en de camerabeelden van het ten laste gelegde bekeken. Na het zien van deze beelden heeft hij een proces-verbaal van herkenning opgemaakt. Hierin heeft hij opgeschreven dat hij een holistische herinnering aan verdachte heeft en dat hij verdachte direct aan een aantal specifieke uiterlijke kenmerken heeft herkend, waaronder zijn grote oren en verzorgde sikje in lijn met de puntige structuur van zijn hoofd. Ook heeft hij de kleding uit de fouillering van verdachte in strafzaak 13/031592-26 vergeleken met de kleding op de stills en zag hij dat de schoenen en pet van verdachte overeenkwamen met de schoenen en pet van de persoon op de stills. Over de identiteit van verdachte was hem door anderen geen informatie verstrekt.
De rechtbank heeft van dit feit ook de camerabeelden bekeken en acht die beelden van voldoende kwaliteit om daarop een herkenning te baseren. Op de beelden is de persoon volledig in beeld te zien en is ook het gezicht op enig moment goed zichtbaar. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verbalisant [naam verbalisant 2] verdachte kon herkennen op de beelden en kan zich vinden in zijn waarnemingen. De verbalisant heeft bij zijn herkenning voldoende specifieke kenmerken genoemd die de rechtbank ook heeft waargenomen.
De rechtbank ziet op de beelden een mannelijk persoon met een zwarte broek, zwarte schoenen, een hoodie, een groen met zwart geblokte jas en een zwarte pet met een wit Nike-logo. De man heeft een Noord-Afrikaans uiterlijk, een vlassig snorretje en een zwarte volle sik. Naar het oordeel van de rechtbank vertoont verdachte duidelijke overeenkomsten in zijn uiterlijke verschijning met de persoon op de beelden. Zijn zwarte volle sik is daarbij kenmerkend. Daarnaast acht de rechtbank de opvallende groen met zwart geblokte jas van belang als onderscheidend kledingstuk. Verdachte droeg tijdens zijn aanhouding dezelfde jas als de persoon op de beelden en die jas komt ook overeen met de beschrijving door aangever. De rechtbank acht de herkenning van verbalisant [naam verbalisant 2] in samenhang bezien met de eigen waarneming dan ook betrouwbaar.
Conclusie
De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die aangever [slachtoffer 1] met geweld van zijn ketting bestolen heeft. De rechtbank acht dit feit daarom wettig en overtuigend bewezen.
Zaak 13/031592-26 (opzetheling)
In de nacht van 30 januari 2026 op 31 januari 2026 zijn uit de auto van aangever [naam aangever] goederen gestolen, waaronder een kentekenpas en een Revolut betaalkaart. Deze pasjes zijn later diezelfde dag door verbalisanten bij verdachte aangetroffen tijdens een identiteitsfouillering voor een ander vermeend strafbaar feit. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat deze pasjes van een misdrijf afkomstig waren, dat hij de pasjes heeft gevonden en de politie juist had gewenkt om de pasjes aan hen te overhandigen. Kort voordat de politie hem staande hield, zouden personen zijn fiets hebben willen stelen en een tas hebben achtergelaten waarin deze pasjes zaten.
Verdachte heeft met deze verklaring een alternatieve lezing van de gebeurtenissen gegeven, die niet zou stroken met een bewezenverklaring. De rechtbank stelt de alternatieve lezing van verdachte echter terzijde, omdat hij inconsistent en ongeloofwaardig heeft verklaard. Verdachte kan geen helderheid scheppen over hoe hij aan de pasjes is gekomenen hoe en waarom de pasjes in zijn jaszak zijn terechtgekomen. Hij heeft hierover wisselend verklaard. Verder blijkt nergens uit het dossier dat verdachte op de politie is afgestapt en vrijwillig de pasjes aan hen wilde geven. Integendeel, de verbalisanten verbaliseren dat verdachte op het moment dat hij hen zag, probeerde te ontkomen aan zijn staande houding.
Conclusie
Tegen bovenstaande achtergrond komt de rechtbank tot het oordeel dat de alternatieve lezing van verdachte niet aannemelijk is geworden en dat verdachte wist dat hij goederen voorhanden had die van een misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht dit feit daarom wettig en overtuigend bewezen.
Zaak 13/190709-26 (diefstal in vereniging met geweld)
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
In de nacht van 3 op 4 juli 2026 wordt aangever [slachtoffer 2] aangesproken door twee mannen. Één van hen is helemaal in het zwart gekleed met een zwarte pet en de ander heeft krullend haar met een T-shirt met een wit borstvlak. De man met de pet haalt een zogeheten ‘voetbaltruc’ bij aangever uit, door zijn been om het been van aangever te haken en tegelijkertijd de portemonnee uit de achterzak van aangever weg te nemen. De andere man staat er naast en loopt vervolgens samen met de man met de pet verder. Aangever heeft vrijwel direct door dat zijn portemonnee weg is, rent achter de mannen aan en komt daarna in een worsteling met beide mannen terecht. Daarna vlucht de man met het T-shirt met wit borstvlak weg. Tussen de man met de pet en aangever ontstaat nog een worsteling waarbij aangever wordt neergeslagen. Hierna rent ook de man met de pe tweg. Een verbalisant heeft middels cameratoezicht het incident gevolgd en de man met de pet in de gaten gehouden. Deze man wordt diezelfde nacht nog in de buurt van de plaats delict aangehouden en onder andere door verbalisant [naam verbalisant 3] herkend als verdachte.
De rechtbank ziet zich ook in deze zaak voor de vraag gesteld of verdachte de persoon betreft die de diefstal met geweld heeft gepleegd. De rechtbank zal deze vraag beantwoorden aan de hand van hetzelfde toetsingskader dat is uiteengezet onder 4.3.1.
Bewezenverklaring
Verbalisant [naam verbalisant 3] heeft in een proces-verbaal van bevindingen de camerabeelden van het ten laste gelegde beschreven en daarin de camerabeelden vergeleken met de foto van verdachte bij zijn aanhouding. Op basis daarvan is hij tot de conclusie gekomen dat de uiterlijke kenmerken en kleding van de persoon op de beelden overeenkomen met de uiterlijke kenmerken en kleding van verdachte. Hier is dus sprake van een vergelijking en geen herkenning. Aan zijn proces-verbaal zijn fotobijlagen gehecht waaruit volgt welke foto’s en welke (stills van welke) beelden hij als uitgangspunt heeft genomen voor zijn vergelijking.
Uit het proces-verbaal volgt dat verbalisant [naam verbalisant 3] zowel bij verdachte als bij de persoon op de beelden een vol sikje, donker haar tot in de nek, een bodywarmer met een embleem op de linkerborst en donkere schoenen met een grijs vlak en reflecterende delen waarneemt. De rechtbank heeft van dit feit de camerabeelden bekeken en acht de beelden van voldoende kwaliteit voor een vergelijking. Ook de geselecteerde stills van de diefstal in het proces verbaal van verbalisant [naam verbalisant 3] acht de rechtbank van voldoende kwaliteit om een vergelijking op te baseren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verbalisant [naam verbalisant 3] verdachte kon herkennen en voldoende specifiek de onderscheidende kenmerken heeft beschreven waarop de vergelijking is gebaseerd. De rechtbank acht de vergelijking daarom betrouwbaar.
De rechtbank neemt daarnaast dezelfde gelijkenissen als verbalisant [naam verbalisant 3] waar tussen de persoon op de beelden en verdachte. De rechtbank ziet daarbij dat de persoon op de beelden een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk betreft, een donkere trui met lange mouwen draagt en een zwarte broek aan heeft. Ook draagt de persoon een zwarte pet met een wit Nike teken. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de foto van de aanhouding van verdachte dat verdachte vrijwel geheel dezelfde kleding tijdens zijn aanhouding droeg als de persoon op de camerabeelden.
Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte in de buurt van de plaats delict is gelokaliseerd en kort daarop is aangehouden. Ook acht de rechtbank van belang dat verdachte tijdens zijn aanhouding een pet bij zich had die overeenkomt met de pet van de persoon op de camerabeelden. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die aangever [slachtoffer 2] bestolen heeft. Dat het gestolen geld niet bij verdachte is aangetroffen, maakt het oordeel niet anders. Bij de beroving van aangever was naast verdachte ook de persoon met het T-shirt met wit borstvlak aanwezig zodat niet ondenkbaar is dat de goederen bij deze persoon zijn terechtgekomen, of op een andere manier zijn weggemaakt.
Medeplegen
De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte het feit samen met een ander heeft gepleegd. Uit de aangifte en de camerabeelden volgt dat de diefstal in samenwerkingsverband is gepleegd en dat verdachte samen met in ieder geval één onbekend gebleven man met het T-shirt met wit borstvlak jegens aangever geweld heeft uitgeoefend. Naar het oordeel van de rechtbank duidt dit op een nauwe en bewuste samenwerking, waardoor medeplegen bewezen wordt verklaard.
Conclusie
Alles in acht genomen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging met geweld. De rechtbank acht dit feit daarom wettig en overtuigend bewezen.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
13/059559-26:
op 24 januari 2026 te Amsterdam, een ketting die aan [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die [slachtoffer 1] te duwen en met kracht de ketting van zijn nek te trekken;
13/031592-26:
op 31 januari 2026 te Amsterdam een kentekenbewijs en een Revolut betaalkaart, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist, dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen;
13/190709-26:
op 4 juli 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een contant geldbedrag van ongeveer € 1000, dat aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 2] in het gezicht en tegen de grond te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 De strafoplegging
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de drie ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om – indien de rechtbank tot een strafoplegging komt in de strafzaken 13/031592-26 en 13/190709-26 – een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, gelet op de voor de rechtspraak geldende landelijke oriëntatiepunten voor de strafoplegging.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling en twee diefstallen met geweld, waarvan één in vereniging gepleegd. Verdachte heeft nietsvermoedende voetgangers ’s avonds en ‘s nachts in het centrum van Amsterdam lastiggevallen en bestolen. Uit de camerabeelden is gebleken dat verdachte daarbij op brutale wijze te werk is gegaan. Verdachte heeft zich geen rekenschap gegeven van het leed en de schade voor de slachtoffers en uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Bovendien is het alleszins voorstelbaar dat verdachte de slachtoffers gevoelens van onveiligheid heeft bezorgd. Dergelijke feiten tasten niet alleen het veiligheidsgevoel van de direct betrokkenen aan, maar hebben ook hun weerslag op de maatschappij.
Daarnaast heeft verdachte door zich schuldig te maken aan opzetheling bijgedragen aan het criminele circuit en overlast veroorzaakt voor het slachtoffer.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 5 juni 2026. Uit dit rapport blijkt – kort gezegd – dat verdachte samenwoont met zijn vrouw en drie kinderen, werkt en dat hij schulden heeft. Verdachte zegt dat hij van zijn inkomen kan rondkomen, maar zijn financiële situatie lijkt delict gerelateerd te zijn. Sinds 2022 komt hij veelvuldig in aanraking met politie en justitie vanwege vermogensdelicten. Daarnaast zou verdachte mogelijk verslaafd zijn aan cocaïne, hoewel hij dat zelf ontkent. Verder heeft verdachte moeite met agressieregulatie en het nakomen van afspraken. Dit is mogelijk ook de reden waarom eerder reclasseringstoezicht negatief is beëindigd. De reclassering acht agressieregulatie noodzakelijk om het recidiverisico te beperken en schat het recidivegevaar in als hoog. Mogelijkheden tot het beperken van het recidivegevaar zijn er daarentegen niet. Verdachte heeft geen verblijfstitel en maakt daarom geen aanspraak op sociaal-maatschappelijke voorzieningen. Ook spreekt hij de Nederlandse en Engelse taal nauwelijks, wat de uitvoering en effectiviteit van een eventuele behandeling bemoeilijkt. Gelet op het feit dat er geen interventies mogelijk zijn adviseert de reclassering, bij een bewezenverklaring, een onvoorwaardelijke straf op te leggen zonder een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 28 augustus 2026. Hieruit blijkt dat hij meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten en gerecidiveerd heeft ten aanzien van alle drie de bewezenverklaarde feiten. Ook liep verdachte in een schorsing toen hij het feit van strafzaak 13/190709-26 pleegde.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf de twee bewezenverklaarde diefstallen met geweld als uitgangspunt genomen. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor de strafoplegging. Het oriëntatiepunt voor één straatroof met licht geweld of verbale bedreiging voor een veelvuldig recidivist, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden. De rechtbank neemt dit oriëntatiepunt per bewezenverklaarde diefstal als uitgangspunt. De rechtbank weegt daarnaast mee dat verdachte zich tijdens de schorsing van zijn preventieve hechtenis opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk strafbaar feit als waarvoor hij in preventieve hechtenis zat.
De rechtbank overweegt dat de bewezenverklaarde feiten een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Gelet daarop en het feit dat het reclasseringsrapport en het strafblad van verdachte geen aanknopingspunten bieden om een voorwaardelijk strafdeel (met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden) op te leggen, acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank legt daarom een gevangenisstraf op van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest.
9 Beslag
In de strafzaak 13/031592-26 is onder verdachte in beslag genomen:
7 STK verdovende middelen (goednummer: G6768367).
In de strafzaak 13/190709-26 is onder verdachte in beslag genomen:
-
270,00 EUR (goednummer: G6835930);
-
17,16 EUR (omschrijving: tegenwaarde van 20 USD, goednummer: G6835932).
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank oordeelt dat de verdovende middelen moeten worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar een door verdachte begaan misdrijf en zijn voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Bewaring voor de rechthebbende
Het is de rechtbank niet gebleken aan wie het contante geldbedrag (van in totaal € 287,16) toebehoort dat onder verdachte in beslag is genomen. De rechtbank gelast daarom de bewaring voor de rechthebbende.
10 De vorderingen benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft € 23.000,- gevorderd aan vergoeding van materiële schade in strafzaak 13/031592-26.
De benadeelde partij [naam aangever] heeft € 528,- gevorderd aan vergoeding van materiële schade in strafzaak 13/031592-26.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft € 1.024,86 gevorderd aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,- aan vergoeding van immateriële schade in strafzaak 13/190709-26.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [naam aangever] niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard, omdat zijn geleden schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het ten laste gelegde feit. De officier van justitie vindt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] wel voor toewijzing in aanmerking komt. Naar haar mening is het begrijpelijk dat de vordering summier is onderbouwd, omdat de ketting een erfstuk betreft. Zij heeft de rechtbank daarom verzocht om van haar schattingsbevoegdheid gebruik te maken. Volgens de officier van justitie zou € 10.000,- een passend bedrag kunnen zijn. Zij heeft daarnaast verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [naam aangever] niet-ontvankelijk in hun vordering moeten worden verklaard. Volgens de raadsman houdt de vordering van de benadeelde partij [naam aangever] geen rechtstreeks verband met het ten laste gelegde feit en is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] onvoldoende onderbouwd. Zonder een nadere onderbouwing kan niet worden vastgesteld of de ketting van goud was en het dus een dergelijke waarde had.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij [slachtoffer 1] (13/059559-26)
De rechtbank overweegt dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade is toegebracht door het bewezenverklaarde. Voor het vaststellen van de hoogte van die schade is artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van belang. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan heeft de rechtbank de bevoegdheid om de schade te schatten. Echter, ook als de rechter gebruik maakt van zijn schattingsbevoegdheid dient zoveel mogelijk te worden aangesloten bij de vaststaande feiten. Er is dus geen sprake van een discretionaire bevoegdheid om te oordelen ‘naar billijkheid’. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het dossier onvoldoende feiten bevat op basis waarvan kan worden vastgesteld wat de waarde van de ketting was. De benadeelde partij heeft enkel een foto overgelegd, maar op basis daarvan kan noch het materiaal, noch het gewicht worden vastgesteld. De rechtbank heeft daarom onvoldoende informatie om de omvang van de schade te schatten. De vergelijking van de benadeelde partij tussen zijn ketting met een soortgelijke ketting van zijn vader maakt dit oordeel niet anders.
Om vast te stellen dat de benadeelde partij daadwerkelijk een gouden ketting had, en wat de waarde van deze ketting was, heeft de rechtbank een nadere onderbouwing van de schade nodig. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaard. Hij kan zijn vordering nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
De benadeelde partij [naam aangever] (13/031592-26)
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de schade die de benadeelde partij heeft gevorderd niet rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij verzoekt schadevergoeding van een gestolen jas en parfums, terwijl niet is gebleken dat verdachte deze goederen gestolen heeft of voorhanden heeft gehad. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaard. De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] (13/190709-26)
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering – ondanks de late indiening – ontvankelijk is en kan worden toegewezen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering te laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De rechtbank overweegt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tijdens het requisitoir van de officier van justitie per e-mail door de rechtbank is ontvangen. Uit artikel 51g, derde lid, Sv blijkt dat een slachtoffer zich mag stellen als benadeelde partij tot het moment van aanvang van het requisitoir. Gelet op het feit dat de vordering van Pukhalo niet vóór, maar tijdens het requisitoir is ontvangen, was deze vordering te laat. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in zijn vordering en laat zich daarom ook niet inhoudelijk uit over deze vordering. De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
11 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 312, 416 van het Wetboek van Strafrecht.
12 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van 13/059559-26:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken
Ten aanzien van 13/031592-26:
opzetheling
Ten aanzien van 13/190709-26:
diefstal, vergezeld en gevold van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Ten aanzien van 13/031592-26:
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
7 STK verdovende middelen (goednummer: G6768367).
Ten aanzien van 13/190709-26:
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
-
270,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6835930);
-
17,16 EUR Geld Euro (omschrijving: tegenwaarde van 20 US dollar, goednummer: G6835932).
Ten aanzien van 13/059559-26:
Verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Ten aanzien van 13/031592-26:
Verklaart [naam aangever] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Ten aanzien van 13/190709-26:
Verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partijen en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 13/059559-26.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M. Grüschke, voorzitter,
mr. E. Biçer en mr. D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.H.G. Brinkman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2026.