Strafrecht overig
handelen in strijd met een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid, van de Wet…
Rechtbank Amsterdam, 14 april 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:3717 · Rechtbank Amsterdam · 14 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2026-3717
Zaakgegevens
Op 14 april 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 14 april 2026
- Datum publicatie
- 14 april 2026
- Zaaknummer
- 13/253759-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3717
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
handelen in strijd met een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/253759-25 (zaak A) en 13/352054-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 14 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BPR-adres] .
1 Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 maart 2026. Deze zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer 13/253757-25.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. V.C.E. de Jong, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. G.A. Jansen – de Wolf, naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
zaak A:
feit 1: het (mede)plegen van het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van verdovende middelen;
feit 2: het (mede)plegen van strafbare voorbereidingshandelingen ten aanzien van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet in de periode 2 januari 2025 tot en met 25 september 2025 te Amsterdam, althans in Nederland;
feit 3: witwassen in de periode 2 januari 2025 tot en met 25 september 2025 te Amsterdam, althans in Nederland;
feit 4: het opzettelijk voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik op 25 september 2025;
zaak B:
het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van verdovende middelen op 3 februari 2024 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van alle tenlastegelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het onder zaak A, feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder zaak A feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Feit 1
Het openbaar ministerie verwijt verdachte dat hij drugs heeft verkocht. In het dossier worden twee pseudokopen beschreven waarbij verdachte volgens de politie betrokken is geweest. Een pseudokoop vond plaats op 27 februari 2025 en een pseudokoop op 23 september 2025. Verdachte heeft ontkend betrokken te zijn bij de pseudokopen.
De pseudokoop op 27 februari 2025.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen is dat verdachte degene is geweest die tijdens de pseudokoop de drugs heeft verkocht. De officier baseert zich op de herkenning van verdachte door een verbalisant.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de herkenning niet betrouwbaar is en dat niet kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die de drugs heeft verkocht.
De rechtbank volgt de verdediging in dit standpunt.
In het proces-verbaal van de pseudokoop van 27 februari 2025 is vermeld dat de pseudokoper een afspraak maakt met de verkoper op de [weg] en daar contact maakt met de bestuurder van een kleine zwartkleurige Peugeot, van wie de pseudokoper de drugs afneemt. In het dossier bevindt zich geen herkenning van verdachte door de pseudokoper. In het proces verbaal van observatie is vervolgens vermeld dat verbalisanten op het betreffende tijdstip op de [weg] een vrouw (de rechtbank begrijpt dat bedoeld is: de pseudokoper) naar een auto zien lopen, waarna de vrouw weer wegloopt. Het zou hier echter niet gaan om een zwartkleurige Peugeot, maar om een grijze Citroën. Ook de verbalisanten die de observatie hebben gedaan, hebben daarbij niet geverbaliseerd dat zij de bestuurder hebben herkend als verdachte. Die herkenning is gedaan door een andere verbalisant, die de Citroën pas 23 minuten later ziet rijden, op de Baarsjesweg, waarna de Citroën een minuut niet onder observatie is. Wat in de tussentijd met de Citroën is gebeurd, is niet duidelijk. Verbalisant schrijft daarna dat hij verdachte ziet lopen over de Baarsjesweg. Hij heeft verdachte herkend aan een ter beschikking gestelde foto.
Gelet op de onzekerheid over de vraag of de drugs wel van de bestuurder van de Citroën is gekocht en de relatief lange duur tussen de pseudokoop en de herkenning, terwijl niet duidelijk is wat er in de tussentijd is gebeurd, is de rechtbank van oordeel dat op grond van deze bevindingen niet kan worden vastgesteld dat verdachte diegene is geweest die de drugs bij deze pseudokoop heeft verkocht.
De pseudokoop op 23 september 2025
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte (ook) de verkoper van de drugs is geweest bij deze pseudokoop. Volgens de officier van justitie heeft de koper van de drugs, verdachte herkend. Daarnaast was verdachte in het bezit van een iPhone SE, die bij de drugshandel is gebruikt.
De verdediging heeft aangevoerd dat het niet de pseudokoper is geweest die een herkenning heeft gedaan, maar een observant. Die observant kent verdachte niet, maar doet de herkenning aan de hand van een foto. Er zijn foto’s gemaakt door observanten, maar daarop komt verdachte niet voor. Wel iemand die niet verdachte is, maar net zoals verdachte een baard heeft.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, is de herkenning gedaan door één van de drie observanten bij de pseudokoop. Dit volgt uit het proces-verbaal van 25 september 2025. Dat de koper verdachte ook heeft herkend, is de rechtbank niet gebleken. In het proces-verbaal van herkenning is opgenomen dat observant G-128 verdachte heeft herkend als bestuurder van een Citroën die bij de koop betrokken is, aan de hand van een ter beschikking gestelde foto van verdachte. Observant G-227 stelt dat hij verdachte op een later moment uit het voertuig ziet stappen, maar uit het proces-verbaal volgt niet dat hij verdachte ook heeft herkend. Observant G-227 heeft een omschrijving gegeven van vier andere personen die hij daar heeft gezien, maar van verdachte heeft hij enkel genoemd dat hij uit de auto stapte en weg liep. Er is geen omschrijving gegeven en ook is geen foto voorhanden. Het proces-verbaal bevat naar het oordeel van de rechtbank daarmee onvoldoende gegevens om met een voldoende mate van zekerheid te kunnen vaststellen of en in hoeverre de gestelde herkenning betrouwbaar kon worden gedaan.
De rechtbank constateert dat er daarnaast geen ander bewijs is dat verdachte bij de pseudokoop is betrokken. De verdediging heeft er, onder verwijzing naar historische verkeersgegevens van de telefoon met Imei-nummer eindigend op - [nummer] op gewezen dat deze telefoon op het moment van de pseudokoop niet in Amsterdam-West was, waar de pseudokoop plaatsvond, maar in Amsterdam-Oost. Uit de historische verkeersgegevens van die telefoon volgt dat die ten tijde van de observatie “hit” op de locatie Wibautstraat. De officier van justitie heeft gesteld dat niet vaststaat dat verdachte deze telefoon bij zich had en dat er een andere telefoon onder verdachte in beslag is genomen, maar dit laat naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid open dat verdachte, zoals hij steeds heeft verklaard, op een andere plek was dan op de plaats van de pseudokoop. De rechtbank acht verder opvallend dat bij verdachte bij zijn aanhouding op 25 september 2025 een iPhone SE is aangetroffen, waarvan kan worden vastgesteld dat deze gelinkt kan worden aan de drugshandel, maar bewijs dat verdachte die telefoon ten tijde van de handel ook in zijn bezit had ontbreekt. Een en ander is niet voldoende om de herkenning te ondersteunen. Omdat er geen ander bewijs is dat verdachte bij de pseudokoop is betrokken, is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte de drugs heeft verkocht.
Feit 2
Ten aanzien van de voorbereidingshandelingen is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op hetgeen is overwogen met betrekking tot de vrijspraak in zaak A, feit 1, op grond van het dossier, geen verband aangetoond kan worden tussen verdachte en de tenlastegelegde feitelijkheden en goederen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder zaak A, feit 2 tenlastegelegde.
Feit 3
Onder verdachte is een contant geldbedrag van € 4.015, - in beslag genomen. De rechtbank overweegt dat de omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen een witwasvermoeden rechtvaardigen. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank echter een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de herkomst van het geldbedrag. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van het Openbaar Ministerie had gelegen nader onderzoek te doen naar de herkomst van dit geldbedrag. Nu dit niet is gebeurd, is het vermoeden van witwassen ontkracht en kan de rechtbank niet vaststellen of het geldbedrag van € 4.015, - van enig misdrijf afkomstig is, zodat de rechtbank het tenlastegelegde witwassen niet bewezen acht.
Ten aanzien van de overige tenlastegelegde bedragen van € 10.000, -, € 4.256, - en het horloge overweegt de rechtbank dat deze goederen in beslag zijn genomen onder medeverdachte [medeverdachte] . Het dossier geeft geen blijk van een verband tussen verdachte en deze goederen.
Ten aanzien van de tassen is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen informatie bevat over de echtheid en de waarde van deze tassen, wie de eigenaar is en de herkomst van de tassen. Onder die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een witwasvermoeden.
Gelet op het hiervoor overwogene is niet bewezen dat verdachte het onder zaak A feit 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.
Oordeel over het onder zaak A, feit 4 en zaak B tenlastegelegde
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Zaak A, feit 4
Op 25 september 2025 is tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte aan de [BPR-adres] te [plaats] , in de box behorende bij de woning vuurwerk aangetroffen. Na onderzoek blijkt het te gaan om professioneel vuurwerk ingedeeld in categorie F4, te weten twee stuks Super Cobra 6.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het vuurwerk gekocht had om af te steken tijdens de jaarwisseling van 2022 naar 2023 en dat hij was vergeten dat hij het vuurwerk in zijn bezit had.
In het algemeen mag van iemand worden verwacht dat hij of zij weet wat er zich in zijn of haar woning en bijhorende gebouwen bevindt. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de verklaring van verdachte de opzet op de initiële aanwezigheid van het vuurwerk worden afgeleid. Verdachte heeft er bewust voor gekozen om het vuurwerk in de box van zijn woning te bewaren. De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring, dat hij op enig moment is vergeten dat het er lag, zodat niet langer van die beschikkingsmacht en wetenschap zou kunnen worden uitgegaan. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte opzettelijk professioneel vuurwerk heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad.
Zaak B
Op 3 februari 2024 ziet de politie op de Herengracht te Amsterdam een man zoekend rondkijken met een telefoon in zijn hand. Het viel de politie op dat deze persoon geen jas droeg terwijl het buiten negen graden was. De politie zag dat deze persoon in een auto stapte, wat later de auto van verdachte bleek te zijn, en na 100 meter weer uit de auto stapte. De politie zag dat deze man tijdens het uitstappen een witte wikkel vasthield in zijn hand. De politie herkende dit als de modus operandi van handel in verdovende middelen. Verdachte is vervolgens aangehouden. Op de bijrijdersstoel van de auto van verdachte is een sok aangetroffen met witte wikkels, gouden wikkels en gripzakjes. Na onderzoek blijkt het te gaan om 3,88 gram cocaïne en 0,73 gram MDMA.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de sok mogelijk per ongeluk is achtergelaten door de persoon die hij een stukje vervoerd zou hebben en dat hij zich niet bewust was van de aanwezigheid van de sok met verdovende middelen. De man zou in de taxi van verdachte zijn gestapt, de prijs van verdachte te hoog hebben gevonden en daarom weer zijn uitgestapt.
De politie herkent de modus operandi van de handel in verdovende middelen. Voordat de persoon, die gaan jas droeg, in de auto is gestapt, is bij hem geen sok of witte wikkel waargenomen door de politie. Toen deze persoon na een kort ritje weer uitstapte, is gezien dat hij een witte wikkel in zijn hand had. In de aangetroffen sok worden eveneens witte wikkels aangetroffen. De rechtbank acht het gelet op deze omstandigheden onaannemelijk dat die persoon de sok met verdovende middelen die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen achter gelaten zou hebben in de auto van verdachte en uitgestapt zou zijn omdat hij de prijs van het taxiritje te hoog vond. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook niet aannemelijk en gaat ervan uit dat de sok met verdovende middelen aan verdachte toebehoorde.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte de in het voertuig aangetroffen verdovende middelen opzettelijk heeft vervoerd.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
zaak A, feit 4:
op 25 september 2025, te Amsterdam, opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten, meer stuks knalvuurwerk (cobra 6), heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad in een (garage)box behorende bij de woning aan de [adres] te [plaats] ;
zaak B:
omstreeks 3 februari 2024 te Amsterdam, opzettelijk heeft vervoerd, 3,88 gram cocaïne en 0,73 gram MDMA.
5 Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Motivering van de straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en bij een eventuele bewezenverklaring van hetgeen onder zaak A, feit 4 ten laste is gelegd te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk van categorie F4 in de vorm van twee cobra’s. Het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk is gevaarlijk. Het tot ontbranding brengen ervan brengt grote risico’s mee, zowel voor degene die het vuurwerk afsteekt als voor omstanders. Bovendien is het een groot probleem dat met dergelijk vuurwerk strafbare feiten worden gepleegd, in de vorm van het veroorzaken van ontploffingen, waarbij de schade aanzienlijk kan zijn.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van verdovende middelen. Harddrugs vormen een gevaar voor de volksgezondheid. Alleen al met het vervoeren heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het drugsmilieu.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 7 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf.
Bij de bepaling van de duur van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en op de LOVS-oriëntatiepunten. Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 60 uur met aftrek passend en geboden.
8 Beslag
Teruggave
Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
-
4.000,00 EUR (G6714659)
-
15,00 EUR (G6714672)
-
1 STK Horloge (G6714664)
De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van deze goederen, nu het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, artikel 1, 2 en 6 van de WED, artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer en artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder zaak A feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder zaak A, feit 4 en zaak B tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
zaak A, feit 4:
handelen in strijd met een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan
zaak B:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
-
4.000,00 EUR (G6714659)
-
15,00 EUR (G6714672)
-
1 STK Horloge (G6714664)
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. M. Nieuwenhuijs en J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.S. Kamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april 2026.
[--]