Strafrecht overig

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek voor diefstal met geweld en…

Rechtbank Amsterdam, 5 februari 2026

Zaakgegevens

Op 5 februari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
5 februari 2026
Datum publicatie
9 juli 2026
Zaaknummer
13-242576-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:6998
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek voor diefstal met geweld en poging tot afpersing. Ten aanzien van de poging tot afpersing wordt het verweer van de verdediging verworpen dat verdachte geen oogmerk had op het wegnemen van een telefoon.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-242576-25

Datum uitspraak: 5 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC)

van [detentieplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.E. Brussen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 14 september 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

Feit 1: diefstal met geweld van een fiets toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of het [bedrijf 1] ;

Feit 2: poging tot afpersing van [slachtoffer 2] .

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. De verklaring van aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) wordt niet ondersteund door andere verklaringen en er is geen sprake geweest van fysiek contact tussen aangever en verdachte. Een slaande beweging kan niet zonder meer worden aangemerkt als geweld of bedreiging met geweld. Ook het met geweld afpakken van de fiets is onvoldoende geconcretiseerd.

Ten aanzien van feit 2 stelt de raadsvrouw dat verdachte moet worden vrijgesproken nu het oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling ontbreekt.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

De rechtbank is van oordeel dat – op basis van de bewijsmiddelen – kan worden bewezen dat verdachte met geweld – door met de vuist in de richting van [slachtoffer 1] te slaan en door het losrukken van de fiets uit de handen van [slachtoffer 1] – de fiets die aangever had gehuurd bij het [bedrijf 1] heeft weggenomen. De rechtbank baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 1] die wordt ondersteund door het feit dat verdachte bij zijn aanhouding in het bezit was van de fiets, de omstandigheid dat hij die dag meerdere malen tegen verschillende personen gewelddadig en onberekenbaar gedrag heeft vertoond op straat en dit gedrag daarbij past en door zijn verklaring dat hij de fiets uit de handen van aangever heeft weggetrokken.

Feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat – op basis van de bewijsmiddelen – kan worden bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om aangever [slachtoffer 2] af te persen door hem te dwingen tot afgifte van zijn telefoon. De verklaring van aangever wordt ondersteund door de verklaring van de getuige. De rechtbank verwerpt het verweer dat verdachte geen oogmerk had op het wegnemen van de telefoon nu hij zelf heeft verklaard dat hij de telefoon wilde hebben om met zijn familie in contact te komen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Feit 1:

op 14 september 2025 te Amsterdam, in de [straat] , een fiets, die geheel of ten dele aan het [bedrijf 1] (verhuurder) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, door met zijn vuist een slaande beweging in de richting van het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] te maken en de fiets uit de handen van voornoemde [slachtoffer 1] te trekken/rukken;

Feit 2:
op 14 september 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een telefoon, die aan [slachtoffer 2] toebehoorde, voornoemde [slachtoffer 2] onverhoeds van achteren bij de keel heeft vastgepakt en vervolgens de keel en jas van voornoemde [slachtoffer 2] heeft vastgehouden en voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Give me your phone", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft in haar eis rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en met de tijd die nodig is voor het PPC om voorafgaand aan de vrijlating van verdachte een crisisbeoordeling te laten doen.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een strafbare dader. Verdachte zegt dat hij niet psychotisch was ten tijde van het ten laste gelegde. Hij staat open voor ondersteuning en begeleiding en kan na zijn vrijlating terecht bij zijn ouders.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en een poging afpersing. Dit zijn ernstige feiten en uit het procesdossier volgt dat verdachte zich die dag al meermalen agressief had geuit tegen anderen. Verdachte had enkel oog voor zijn eigen belangen en heeft geen rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.

De persoon van verdachte

Uit het uittreksel Justitiële documentatie van 17 september 2025 volgt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft – onder meer – kennisgenomen van het consult rechtspleging, opgesteld door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) van 7 november 2025. Hieruit volgt dat er verschillende aanwijzingen zijn dat er bij verdachte sprake was van een psychotisch toestandsbeeld. Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft verdachte moeilijk navolgbare verklaringen gegeven waarbij er evidente aanwijzingen waren voor het bestaan van paranoïde wanen. Verdachte zou zijn gestart met dwangmedicatie en dit wordt enkel gestart als er naast een psychiatrisch toestandsbeeld ook een gevaarlijke situatie dreigt te ontstaan voor verdachte zelf of zijn omgeving. Er zijn voldoende aanwijzingen dat zeer waarschijnlijk sprake was van een psychotisch toestandsbeeld tijdens de ten laste gelegde feiten. Het advies is om een zorgkader voor betrokkene te organiseren in het land waar hij sociale rechten heeft opgebouwd.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 25 november 2025. Hieruit volgt dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde pas een paar dagen in Nederland verbleef. Hij heeft in Nederland geen rechten opgebouwd om gebruik te maken vanuit de sociale voorzieningen. Dit maakt dat er vanuit de reclassering geen mogelijkheden zijn om hem in het kader van een toezicht te begeleiden. Gezien de vermoedelijke psychiatrische problemen die worden gerapporteerd lijkt een gedwongen behandeling passend.

Tot slot zit in het dossier een brief van de vader van verdachte waarin hij schrijft dat verdachte weer thuis bij zijn ouders op [plaats] (Spanje) kan komen wonen en dat zij voor hem zullen zorgen. Ook schrijft hij dat een psycholoog is ingeschakeld om verdachte te begeleiden bij zijn herstel. Verdachte heeft verklaard dat hij dit wil.

Verminderde toerekeningsvatbaarheid

Hoewel er geen advies ten aanzien van de toerekenbaarheid van verdachte beschikbaar is vermoedt de rechtbank op basis van de stukken in het dossier dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde – in ieder geval – verminderd toerekeningsvatbaar was. Het handelen van verdachte leek ongecontroleerd en het is aannemelijk dat hij tijdens zijn uitspraken en zijn gedrag in een psychotisch toestandsbeeld verkeerde. Verdachte liep op blote voeten en was ernstig in de war. De situatie was op grond van de psychotische belevingen van verdachte in die mate verstoord dat hij niet volledig in staat kon worden geacht zijn wil, overeenkomstig een dergelijk besef, te bepalen en zijn handelen daarin te sturen. Op basis hiervan ziet de rechtbank aanleiding om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

Strafoplegging

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor de bewezen verklaarde feiten gekeken naar deze oriëntatiepunten. Voor diefstal met geweld dan wel straatroof met licht geweld of verbale bedreiging, is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden per feit. Het gaat hier om een diefstal met geweld en een poging afpersing. De rechtbank ziet, gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, reden om af te wijken van het oriëntatiepunt. Hoewel het gaat om ernstige feiten vindt de rechtbank het wenselijk dat verdachte zo spoedig mogelijk de hulp krijgt die hij nodig heeft en dat hij voor deze hulp terug kan naar het land waar hij woonachtig was.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, passend is. Dit biedt het PPC de mogelijkheid nog een laatste beoordeling van verdachte te doen en zijn ouders van de vrijlating in kennis te stellen zodat hulp in Spanje voor verdachte kan worden opgestart.

8. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich, voorafgaand aan de zitting, als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 30,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [slachtoffer 2] geeft aan dat zijn fiets door het feit op de grond viel en dat hierdoor de fietsketting beschadigd raakte.

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 ten laste gelegde rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank acht het gevorderde bedrag dan ook geheel toewijsbaar. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank, gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 30,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 september 2025 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, kan maximaal 1 dag gijzeling worden toegepast, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

Feit 2: poging tot afpersing

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van de datum waarop de onvoorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf gelijk is aan de duur van de ondergane voorlopige hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] geheel toe tot een bedrag van € 30,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 september 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 30,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 september 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mr. A.L. op ‘t Hoog en mr. D.M.S. Gribling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2026.

[…]

[…]
[…]

[…]