Strafrecht overig
Veroordeling voor een poging tot afpersing (naar het slachtoffer bellen en zeggen dat zijn schoonzoon moet…
Rechtbank Amsterdam, 7 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7070 · Rechtbank Amsterdam · 7 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2026-7070
Zaakgegevens
Op 7 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 7 juli 2026
- Datum publicatie
- 13 juli 2026
- Zaaknummer
- 13/338831-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7070
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor een poging tot afpersing (naar het slachtoffer bellen en zeggen dat zijn schoonzoon moet betalen, enkele uren nadat bij het huis van het slachtoffer een explosief is afgegaan), en het bezit van een pistool (vuurwapen van categorie III). Vrijspraak van het medeplegen van bedreiging door op de woning van het slachtoffer te schieten, dan wel de medeplichtigheid daaraan. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/338831-25
Parketnummer vordering tul: 15/075743-23
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag ] 2003,
ingeschreven op het adres [adres 1] ,
gedetineerd in het [detentieadres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
23 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.B.O. van Soest, naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Feit 1: (medeplegen van) poging tot afpersing van [persoon 1] en [persoon 2] , gepleegd op 3 juli 2025;
Feit 2: het overdragen of voorhanden hebben van een pistool op 2 februari 2026;
Feit 3: (medeplegen van) bedreiging van de bewoners van de woning gelegen aan de [adres 2] , door met een pistool op hun woning te schieten, op
2 februari 2026. Subsidiair is ten laste gelegd dat verdachte hier medeplichtig aan is.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om verdachte voor alle feiten vrij te spreken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Verdachte kan niet gelinkt kan worden aan de feiten.
De telefoon die op 3 juli 2025 zou zijn gebruikt voor de uitingen die in de tenlastelegging onder feit 1 zijn opgenomen, had verdachte op dat moment niet in zijn bezit. Hij heeft de telefoon op een later moment gekocht van iemand die in zijn buurt woonde, nadat hij eerst een paar weken een telefoon van zijn vader had geleend.
Voor het bezit van het pistool op 2 februari 2026 als tenlastegelegd onder 2 geldt dat er slechts een DNA-mengprofiel op het vuurwapen is aangetroffen, terwijl dat mengprofiel ook DNA van minstens drie anderen bevat. Op grond van deze informatie kan niet worden vastgesteld dat verdachte op genoemde datum het pistool in zijn bezit had.
Voor feit 3 geldt dat er, mede gelet op de conclusie van de verdediging met betrekking tot feit 2, geen objectief bewijs is dat verdachte degene is geweest die het pistool heeft overgedragen aan [persoon 3] , met de intentie het afvuren van een kogel op een woning mogelijk te maken. De medeverdachte [persoon 3] heeft verklaard verdachte niet te kennen, hem niet eerder te hebben gezien en ook geen vuurwapen van hem te hebben gekregen. Het dossier biedt ook geen andere aanknopingspunten voor deze overdracht.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsoverwegingen over het onder 2 en 3 tenlastegelegde
Op basis van de stukken in het dossier stelt de rechtbank vast dat in de nacht van
2 februari 2026 op de woning gelegen aan de [adres 2] is geschoten. De schutter, [persoon 3] , is hiervoor inmiddels onherroepelijk veroordeeld. Het gebruikte vuurwapen, een pistool van het merk Melior, is onderzocht op DNA-sporen. Uit het forensich DNA-onderzoek blijkt dat er een mengprofiel is aangetroffen, met onder meer DNA dat vrijwel zeker van verdachte is. De kans dat het DNA van verdachte is, is meer dan 1 miljard keer groter dan de kans dat het van iemand anders is. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het aangetroffen DNA inderdaad van verdachte is.
Het bewuste DNA-mengprofiel met het DNA van verdachte, is aangetroffen op de ruwe/scherpe delen van het pistool en op de vulopening van het patroonmagazijn inclusief het bovenopliggende patroon. Gelet op de plaatsen op het pistool en het patroon waar het DNA van verdachte is aangetroffen, kan het niet anders dan dat verdachte het pistool op enig moment voorhanden heeft gehad.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is, of verdachte dit pistool op
2 februari 2026 heeft overdragen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Het volgende is hiervoor redengevend.
De verklaring van verdachte komt erop neer dat hij niets te maken heeft met de overdracht van het pistool en dat hij nog nooit een pistool heeft aangeraakt. Ook heeft hij verklaard dat zijn DNA mogelijk terecht is gekomen op het wapen toen hij iemand een hand gaf, waarna diegene het pistool heeft aangeraakt. Wie hij dan een hand heeft gegeven heeft verdachte niet willen of kunnen zeggen. Deze verklaring acht de rechtbank – gelet op de hierboven beschreven bevindingen – ongeloofwaardig.
Medeverdachte [persoon 3] heeft verklaard dat hij het pistool in Utrecht heeft opgehaald en dat hij toen met de auto was. De chauffeur (medeverdachte [medeverdachte] ) heeft op 1 februari 2026 om 23.09 uur het adres [adres 4] ingevoerd. De [adres 3] loopt haaks op de [adres 4] , waar verdachte verblijft. Uit chats tussen medeverdachte [persoon 3] en degene die hem de opdrachten gaf en die zichzelf [alias] noemde, blijkt dat [persoon 3] het wapen buiten moest ophalen, voor de deur bij de leverancier. Op het moment dat de auto bij de [adres 4] was, is op camerabeelden te zien dat verdachte - kort na het invoeren van het adres [adres 3] - om 00.08 uur de hoofdingang binnenloopt en de lift neemt. Dat is ook het moment waarop de auto met [persoon 3] zich in de directe nabijheid van de [adres 4] bevindt. Voor al deze omstandigheden heeft verdachte geen enkele verklaring gegeven. Gelet op bovenstaande inhoud van het dossier mocht dit wel van hem worden verwacht.
Gelet op het voorgaande kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte degene is geweest die in de nacht van 2 februari 2026 het wapen aan [persoon 3] heeft overhandigd. De rechtbank acht daarom feit 2 wettig en overtuigend bewezen. De verklaring van [persoon 3] dat verdachte niet degene is geweest van wie hij het wapen heeft gekregen, doet hieraan niet af. Zijn verklaring is van onvoldoende gewicht om de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen te kunnen ontkrachten.
Verdachte zal wel worden vrijgesproken van het onderdeel medeplegen, nu het dossier onvoldoende duidelijkheid biedt over de vraag of bij de overdracht van het wapen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking met een of meer anderen.
De vervolgvraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of verdachte zich – gelet op het voorgaande – ook schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het schieten op de woning aan de [adres 2] dan wel aan medeplichtigheid hierbij, dat hem wordt verweten onder 3 van de tenlastelegging. Dat er met het door verdachte overgedragen pistool op de betreffende woning is geschoten, staat vast. De rechtbank heeft echter onvoldoende aanwijzingen dat ten aanzien van het schieten op de woning sprake is van bewuste en nauwe samenwerking met verdachte. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen van bedreiging.
Over de onder 3 subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan de bedreiging door te schieten met een vuurwapen op de woning van de aangevers, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier volgt weliswaar dat verdachte opzet had op het overhandigen van het wapen, maar niet dat hij wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat er met het vuurwapen op de voordeur van de woning van de aangevers zou worden geschoten. Omdat zijn opzet op het behulpzaam zijn bij het specifiek tenlastegelegde feit ontbreekt, zal de rechtbank verdachte ook vrijspreken van de medeplichtigheid aan de bedreiging.
Bewijsoverwegingen over het onder 1 tenlastegelegde
Op 3 juli 2025 heeft er een explosie plaatsgevonden bij de woning aan de [adres 2] . Enkele uren later is de bewoner [persoon 1] gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: * [telefoonnummer 1] ), zo verklaart zijn partner [persoon 2] bij de politie. Tegen [persoon 1] werd gezegd dat de beller hem eerder een bericht had gestuurd en dat zijn schoonzoon moet betalen.
Uit de historische gegevens van het nummer * [telefoonnummer 1] blijkt dat de simkaart met dit nummer ten tijde van het telefoongesprek met [persoon 1] gekoppeld was aan de telefoon met het IMEI-nummer [telefoonnummer 2] (hierna: * [telefoonnummer 2] ). Er is onderzoek gedaan naar de cell-ID’s die werden gebruikt door de telefoon met dit IMEI-nummer. Op een aantal data straalde het IMEI-nummer cell-ID’s aan die passen bij een bepaalde autoroute. Hierop zijn ANPR-gegevens gevorderd van camera’s die op deze autoroute lagen, op de data 27, 29 en 31 oktober 2025. Er is één voertuig dat op die data werd geregistreerd door alle ANPR-camera’s in die periode. Dit betreft een grijze Renault Megane met kenteken [kenteken] . Uit de politiesystemen is gebleken dat verdachte meermaals is gecontroleerd terwijl hij in dit voertuig zat, onder andere als bestuurder, en dat het voertuig in de buurt van zijn woning aan de [adres 4] geparkeerd stond. Ook is verdachte op gevorderde camerabeelden van de Shell Ruwiel van 20 november 2025 door de politie herkend als de bestuurder van dit voertuig. Tot slot is tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte op 17 maart 2026 een Iphone 12 met dit IMEI-nummer aangetroffen.
Verdachte heeft verklaard dat hij de telefoon met dit IMEI-nummer inderdaad in zijn bezit had, maar pas een aantal weken na de pleegdatum van het onder 1 ten laste gelegde. Half juni 2025 is hij aangehouden en is zijn eigen telefoon in beslag genomen. Vervolgens heeft hij zes of zeven weken de telefoon van zijn vader geleend. Daarna heeft hij de telefoon met IMEI-nummer * [telefoonnummer 2] gekocht.
Bovenstaande bevindingen van de politie bevestigen dat verdachte de telefoon met IMEI-nummer * [telefoonnummer 2] in oktober 2025 gebruikte. De politie heeft echter nog meer onderzoek gedaan. Zo is gebleken dat er meer telefoonnummers waren gekoppeld aan het IMEI-nummer * [telefoonnummer 2] . Dit IMEI-nummer is afgeluisterd en in één van de afgeluisterde gesprekken spreekt de getapte over het huren van een paardentrailer, waarbij wordt verwezen naar een bericht op [website] . De politie doet onderzoek naar het betreffende bericht en komt uiteindelijk uit bij het [naam account] straten. Bij [website] zijn de berichten van dat account gevorderd. In één van de berichten verzoekt de gebruiker van het account om te appen, waarbij het nummer [telefoonnummer 3] (hierna: * [telefoonnummer 3] ) wordt genoemd. Dit nummer staat op naam van de vader van verdachte. Ook de IP-adressen die het marktplaatsaccount gebruikt, staan regelmatig op naam van de vader van verdachte. Ook het nummer * [telefoonnummer 3] kan daarom volgens de politie aan verdachte worden gekoppeld.
Van het telefoonnummer * [telefoonnummer 3] zijn de historische gegevens gevorderd en vergeleken met die van het IMEI-nummer * [telefoonnummer 2] . Beide nummers werden op 3, 5, 6 en 7 juli 2025 geregistreerd in hetzelfde gebied, onder meer op 3 juli 2025 in de wijk [wijk 1] (waar het inschrijfadres van verdachte zich bevindt) en vervolgens [wijk 2] , waarna rond 17.11 uur gebeld wordt met * [telefoonnummer 2] naar de bewoners van de [adres 2] in [plaats] .
Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij de telefoon met het IMEI-nummer * [telefoonnummer 2] pas later heeft gekocht, vormt dit geen afdoende verklaring voor de bovenstaande reisbewegingen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij op 3 juli 2025 niet in het bezit was van de telefoon waarmee [persoon 1] is gebeld gelet op genoemde onderzoeksresultaten dan ook niet aannemelijk. De rechtbank houdt het er dan ook op dat verdachte degene is geweest die dit telefoongesprek met [persoon 1] heeft gevoerd.
Naar het oordeel van de rechtbank levert het handelen van verdachte een poging tot afpersing op, aangezien het telefoongesprek er kennelijk op was gericht om de bewoners van de [adres 2] te dwingen tot een betaling of hun schoonzoon te laten betalen. Door verdachte is impliciet verwezen naar de explosie bij hun woning eerder op dezelfde dag, door te zeggen dat hij eerder een bericht had gestuurd. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een bedreiging met geweld, en daarmee een begin van uitvoering van afpersing, op. De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde plegen van de poging afpersing dan ook wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal worden vrijgesproken van het medeplegen, omdat er in het dossier onvoldoende aanwijzingen zijn dat de specifieke handelingen die in de tenlastelegging zijn opgenomen tezamen en vereniging met een of meer anderen zijn gepleegd.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
1
op 3 juli 2025 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [persoon 1] en [persoon 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan die [persoon 1] , [persoon 2] en/of één van hun schoonzonen toebehoorde, die bovengenoemde [persoon 1] enkele uren nadat bij hun woning een explosief was afgegaan, heeft gebeld en daarbij de woorden heeft toegevoegd: "ik heb je al eerder een bericht gestuurd, je schoonzoon moet betalen" of woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 2 februari 2026 in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Melior, type New Model ( Type II), kaliber 6.35mm Browning heeft overgedragen.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, dan zullen de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis, dat dan aan het proces-verbaal van de zitting wordt gehecht.
6 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 tot en met 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
36 maanden, met aftrek van voorarrest.
Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman verzocht rekening te houden met reclasseringsrapport. Het opleggen van een gevangenisstraf zou betekenen dat verdachte voortzetting van zijn werk kan vergeten.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft eerst geprobeerd anderen af te persen. Verdachte heeft de slachtoffers ernstig bedreigd door hen te bellen met de mededeling dat hun schoonzoon moest betalen, kort nadat er bij hun woning een explosief was afgegaan.
Zeven maanden later heeft hij een geladen pistool overgedragen aan de schutter, die de woning van diezelfde personen heeft beschoten.
Hij heeft de slachtoffers bijzonder veel vrees aangejaagd, zo blijkt uit hun verklaringen bij de politie en de hierna te bespreken vordering van de benadeelde partij [persoon 2] .
Voor de overdracht van het pistool met munitie geldt dat vuurwapens een ernstige bedreiging vormen voor de veiligheid van personen en de openbare orde. Dit blijkt ook uit het feit dat het pistool dat verdachte heeft overgedragen, is gebruikt om dezelfde slachtoffers te bedreigen die verdachte zeven maanden eerder heeft geprobeerd af te persen.
Hoewel de rechtbank de betrokkenheid van verdachte bij het schietincident onder feit 3 niet bewezen acht, kan zij zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte zich in het algemeen lijkt te begeven in een crimineel circuit dat het gebruik van geweld, of in elk geval ernstige bedreigingen, niet schuwt. De rechtbank acht dit bijzonder zorgwekkend.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 mei 2026, evenals een Belgisch strafblad van 18 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in België eerder is veroordeeld voor feiten met betrekking tot wapens. Ook in Nederland is hij eerder veroordeeld voor strafbare feiten en liep hij in een proeftijd, die hem er kennelijk van heeft weerhouden de onderhavige strafbare feiten te plegen. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van Leger des Heils Reclassering Amsterdam van 14 juni 2026, opgemaakt door [persoon 4] . Hieruit blijkt onder meer dat de reclassering geen gedegen delictanalyse kan maken door de ontkennende proceshouding van verdachte. De reclassering ziet dat er problematiek heerst op verschillende leefgebieden waaronder financiën, dagbesteding, psychosociaal functioneren en sociale contacten. Tegelijkertijd zijn er ook duidelijke beschermende factoren aanwezig. Verdachte kan terugvallen op zijn ouders, die hem na detentie opnieuw in huis willen nemen, en er is perspectief op zelfstandige huisvesting. Daarnaast heeft hij concrete plannen op het gebied van werk en toont hij zich bereid gebruik te maken van ondersteuning via Stadsteam Back Up in een vrijwillig kader. In het contact presenteert verdachte zich meewerkend en coöperatief, maar zijn motivatie lijkt met name praktisch en toekomstgericht van aard, gericht op het verkrijgen van stabiliteit op leefgebieden als wonen en werk. Dit maakt dat de ingezette positieve ontwikkeling als hoopgevend, maar nog pril en kwetsbaar wordt beschouwd. Gezien de lage ingeschatte risico’s en de huidige inzet van verdachte op het creëren van structuur en stabiliteit, lijkt een terughoudende inzet van interventies passend. Daarnaast is vanwege zijn proceshouding ook niet helder welke justitiële interventies dan zouden bijdragen aan verminderen van recidive. De inzet in een vrijwillig kader door Stadsteam Back Up en het familiaire netwerk worden voor nu als voldoende beschermend ervaren. De reclassering adviseert de oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank neemt bovenstaande conclusies van de reclassering over. Zij acht de oplegging van bijzondere voorwaarden niet passend.
De rechtbank is van oordeel dat, gezien de ernst van de feiten, met geen andere straf kan worden volstaan dan met een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan geëist is door de officier van justitie, omdat verdachte wordt vrijgesproken van feit 3.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
9 Beslag
Onder verdachte zijn, blijkens het requisitoir van de officier van justitie, een aantal goederen in beslag genomen.
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat de stoffen, aangetroffen in de kelderbox van de woning waar verdachte verbleef en verpakt in drie pony packs en elf kleine zakjes met wit poeder, verdovende middelen betreffen. Deze stoffen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Om die reden zullen deze voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.
De Iphone met goednummer 887089 is gebruikt om naar de slachtoffers van het onder 1 bewezen verklaarde te bellen. Nu met behulp van deze Iphone het bewezenverklaarde is begaan, zal deze telefoon worden verbeurdverklaard.
De overige goederen (Iphone met goednummer 887074, Iphone met goednummer 887124, Motorola telefoon, Nokia telefoon, simkaart en baken) zullen worden teruggegeven aan verdachte.
11 De vordering benadeelde partij
De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 4.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Blijkens de vordering bestaat deze uit € 3.000,- in verband met psychische schade als gevolg van de bedreiging die onder 3 is tenlastegelegd en € 1.000,- voor de geleden psychische schade als gevolg van het verwijt onder 1 van de tenlastelegging.
Omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van feit 3, zal de benadeelde partij voor dit onderdeel van de gevorderde schade niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.
Voor zover de vordering ziet op feit 1, overweegt de rechtbank als volgt. De benadeelde partij stelt psychische schade te hebben geleden als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde. Het bewezen verklaarde staat volgens de benadeelde partij niet op zichzelf, maar is onderdeel van een reeks geweldsincidenten bij haar woning. De benadeelde partij heeft psychische schade als gevolg van al deze incidenten. Hoewel het in deze zaak gaat om één bewezenverklaard incident, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, gelet op de aard en ernst van dit feit. Zij acht het gevorderde bedrag van € 1.000,- voldoende onderbouwd en billijk en zal de vordering voor dit deel toewijzen.
11 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 22 juni 2026 op de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 15/075743-23. Het betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 20 november 2024 van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op drie jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.
12 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 45, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie en artikel 13a van de Opiumwet.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
13 Beslissing
Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
poging tot afpersing
Ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart verbeurd:
887089 (Apple Iphone, zwart)
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
887081 (verdovende middelen)
Gelast de teruggave aan verdachte van:
887074 (Apple Iphone, zwart)
887124 (Apple Iphone, zwart)
887130 (Motorola telefoon, zwart)
887160 (Nokia 106 telefoon, inclusief sim en verpakking)
887176 (simkaart, Lebara)
887187 (baken, TK Star, zwart)
Ten aanzien van feit 1:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 2] toe tot een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 2] aan de Staat € 1.000,- (duizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 juli 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Gelast de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis van 20 november 2024 opgelegde voorwaardelijke straf, zijnde een taakstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en R.A. Sipkens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.D.N. Tool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2026.
[...]
[...]
[...]