Strafrecht overig
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt het afleveren en vervoeren van 1998,4 gram cocaïne, waarbij verdachte…
Rechtbank Amsterdam, 30 juni 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7168 · Rechtbank Amsterdam · 30 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2026-7168
Zaakgegevens
Op 30 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 30 juni 2026
- Datum publicatie
- 14 juli 2026
- Zaaknummer
- 13/344428-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7168
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt het afleveren en vervoeren van 1998,4 gram cocaïne, waarbij verdachte de cocaïne aan de medeverdachte heeft afgeleverd. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het eenvoudig witwassen van een (contant) geldbedrag van € 9.000,-. De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde eenvoudig witwassen niet moet worden meegewogen als strafverzwarende omstandigheid, omdat dit geld betreft dat verdachte onmiddellijk uit eigen misdrijf, te weten de transactie van de cocaïne, heeft verkregen, waarbij de transactie net daarvoor had plaatsgevonden en het geld vrijwel onmiddellijk in beslag is genomen. Alles afwegende acht de rechtbank, uit oogpunt van vergelding en preventie, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/344428-25
Datum uitspraak: 30 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 16 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.D.W. Siccama, naar voren hebben gebracht.
De zaak is tegelijk, maar niet gevoegd, op de zitting behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/344427-25).
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is, samengevat, tenlastegelegd dat hij zich op 16 december 2025 in
Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
feit 1: het witwassen van € 9.000,-.
feit 2: het bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, dan wel het opzettelijk aanwezig hebben van 2441 gram cocaïne.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.
3 Waardering van het bewijs
Feiten en omstandigheden
Op 16 december 2025 ontvangt de politie een ANPR (Automatic Numberplate
Recognition)-hit van een auto met een Duits kenteken. Dit kenteken is, na toestemming van een officier van justitie, opgenomen in een referentiebestand van het ANPR-systeem, omdat er aanwijzingen bestonden dat het relevant kon zijn in verband met de taakstelling van het Flexibel Interventieteam (FIT) van de politie; het voorkomen en bestrijden van (voertuig)criminaliteit op en nabij de autosnelwegen. De auto blijkt op naam te staan van [medeverdachte] . Nadat de politie de auto enige tijd heeft gevolgd, stapt de bestuurder, die later [medeverdachte] blijkt te zijn, ter hoogte van de [straatnaam] te Amsterdam uit de auto. De politie ziet dat [medeverdachte] wegloopt, druk op zijn telefoon bezig is, scherp oogt en continu om zich heen kijkt. Nadat [medeverdachte] een paar honderd meter van zijn auto is verwijderd, blijft hij ineens stil staan, waarop hij de omgeving scant en vervolgens weer terugloopt naar de auto. De politie ziet op dat moment een andere man, die later [verdachte] blijkt te zijn, bij het rechter achterportier van de auto staan, waarna [medeverdachte] de hand schudt van [verdachte] . Te zien is dat [medeverdachte] het rechter achterportier van de auto opent en dat [verdachte] een rugtas aan [medeverdachte] geeft. [medeverdachte] bukt vervolgens met de tas voorover in de auto. De politie ziet dat [verdachte] direct naast [medeverdachte] staat en kijkt naar wat [medeverdachte] aan het doen is. Nadat [medeverdachte] ongeveer een halve tot een hele minuut bezig is geweest, komt [medeverdachte] de auto weer uit en geeft hij de rugtas terug aan [verdachte] , waarop [verdachte] de rugtas weer op zijn rug doet.
Hierop heeft de politie [medeverdachte] en [verdachte] staande gehouden. Vervolgens heeft de politie de rugtas, die [verdachte] op zijn rug droeg, in beslag genomen en in de tas een gevulde sok met bundels contant geld aangetroffen, in totaal een bedrag van € 9.000,-. Hierop worden [medeverdachte] en [verdachte] aangehouden. Tot slot is de auto van [medeverdachte] onderzocht, waarbij twee blokken worden aangetroffen, die de politie herkent als ‘kiloblokken’ cocaïne. Deze blokken lagen direct in het zicht achter de bijrijdersstoel op het voetenmatje. Bij [medeverdachte] wordt in zijn jaszak nog een geldbedrag van € 900,- aangetroffen.
Het standpunt van de officier van justitie
Met betrekking tot de door de politie ingezette dwangmiddelen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er gelet op de ANPR-hit, in combinatie met de door de politie genoemde feiten en omstandigheden, sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. De auto kwam uit Duitsland, [medeverdachte] heeft een kwartier rondgelopen zonder gebruik te maken van voorzieningen, hij was druk bezig op zijn telefoon, hij scande de omgeving en vervolgens vond er via de rugtas vermoedelijk een overdracht van contrabande plaats. De staandehouding was daarom rechtmatig.
Op grond van artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering mocht de politie de rugtas in beslag nemen, er was immers sprake van een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 eerste lid van het Wetboek van Strafvordering.
Ook de doorzoeking van de auto was rechtmatig. Op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering is een opsporingsambtenaar bevoegd om ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken in geval van een verdenking van een misdrijf. Doordat de politie in de rugtas een geldbedrag van € 9.000,- had aangetroffen, was de verdenking van witwassen gerechtvaardigd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden, met dien verstande dat ten aanzien van feit 2 alleen het medeplegen van het verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van 1998,4 gram cocaïne kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 geldt dat de omstandigheden waaronder dit grote geldbedrag is aangetroffen maken dat er sprake is van een vermoeden van witwassen en verdachte over dit geldbedrag geen verifieerbare verklaring heeft afgelegd. Ten aanzien van feit 2 geldt dat het, gelet op de waarnemingen van de politie en de tegenstrijdige verklaringen van de verdachten, niet anders kan dan dat [verdachte] de blokken cocaïne heeft overgedragen aan [medeverdachte] , die ze vervolgens in zijn auto heeft gelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 primair op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een onrechtmatige staandehouding, nu er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. De daaropvolgende inbeslagname van de tas, aanhouding en doorzoeking van de auto hebben eveneens onrechtmatig plaatsgevonden. Het handelen van de politie levert een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor is een essentieel strafvorderlijk voorschrift in aanzienlijke mate geschonden. Het nadeel van verdachte bestaat er volgens de raadsman uit dat verdachte in het openbaar is onderworpen aan dwangmiddelen als gevolg van een verdenking op onterechte gronden. Om deze reden moeten de aangetroffen blokken cocaïne en de € 9.000,- als ‘fruits of the poisonous tree’ worden uitgesloten van het bewijs, waardoor verdachte moet worden vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde feiten.
Subsidiair, in het geval de rechtbank niet overgaat tot bewijsuitsluiting, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2, omdat verdachte geen wetenschap van of beschikkingsmacht had over de cocaïne die in de auto van [medeverdachte] is aangetroffen.
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
.4.1. Vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering?
De rechtbank dient naar aanleiding van het gevoerde verweer te beoordelen of rechtmatig is
gehandeld bij de opsporing. Zij overweegt hierover als volgt en gaat daarbij uit van de feiten
en omstandigheden als genoemd onder 3.1.
De rechtbank merkt allereerst op dat enige onrechtmatigheid met betrekking tot het tot stand komen van de ANPR-hit niet is gebleken en dat de politie bevoegd was om [medeverdachte] en [verdachte] enige tijd te volgen op grond van de informatie die zij verkregen uit het ANPR-systeem, namelijk om de auto te controleren in verband met ondermijnende criminaliteit. De ANPR-hit in combinatie met de door politie genoemde omstandigheden – onder meer de reis die de auto vanuit Duitsland heeft gemaakt, [medeverdachte] die de omgeving scande, druk op zijn telefoon bezig was en de beschreven kortdurende overdracht van de rugtas en handelingen in de auto – gaven naar het oordeel van de rechtbank vervolgens voldoende aanleiding tot het ontstaan van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.
De politie mocht daarom overgaan tot staandehouding van [verdachte] en inbeslagname van de tas. Ook was de politie bevoegd om de auto te doorzoeken, te meer nu in de rugtas een gevulde sok met een geldbedrag van € 9.000,- werd aangetroffen.
Gelet op het voorgaande is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering geen sprake, zodat bewijsuitsluiting of enige andere sanctie daarom niet aan de orde is. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Bewijsoordeel
Ten aanzien van feit 2:
Zoals beschreven in paragraaf 3.1. heeft de politie waargenomen dat [verdachte] een rugtas aan [medeverdachte] gaf en dat [medeverdachte] even later, nadat hij in de auto met de rugtas bezig is geweest, de rugtas teruggaf aan [verdachte] . Achter de bijrijdersstoel heeft de politie vervolgens twee blokken aangetroffen. Deze blokken zijn door het NFI onderzocht en gebleken is dat het gaat om een totale hoeveelheid van 1.998,4 gram cocaïne.
[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen tas aan [medeverdachte] heeft gegeven en dat hij niets afwist van de cocaïne die in de auto van [medeverdachte] is aangetroffen.
De rechtbank overweegt dat de verklaring van [verdachte] strijdig is met de waarnemingen van de politie en ziet geen aanleiding om aan de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie te twijfelen. Verbalisant [verbalisant] is zes maanden na het voorval bij de rechter-commissaris als getuige gehoord, waarbij hij heeft verklaard dat hij niet meer precies weet hoe de overdracht die dag heeft plaatsgevonden. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de verklaring van [verbalisant] bij de rechter-commissaris niet afdoet aan wat hij op de dag zelf heeft waargenomen en daarover heeft geverbaliseerd.
Uit het politiedossier volgt dat de twee blokken cocaïne op dezelfde plek in de auto zijn aangetroffen als waar [medeverdachte] met de tas bezig was, nadat hij de tas door [verdachte] overhandigd kreeg. De rechtbank acht het onaannemelijk dat [medeverdachte] met twee blokken cocaïne, die direct in het zicht lagen, vanuit Duitsland naar Amsterdam is gereden en gaat er dan ook vanuit dat de blokken cocaïne vanuit de tas in de auto zijn gelegd.
Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, zoals die hierboven is weergegeven, concludeert de rechtbank dat sprake is geweest van een overdracht van cocaïne, waarbij [verdachte] de tas met cocaïne aan [medeverdachte] heeft gegeven en [medeverdachte] de cocaïne uit de tas heeft gehaald en achter de bijrijdersstoel heeft neergelegd. De rechtbank acht daarmee bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren en het afleveren van de cocaïne.
Vrijspraak van medeplegen
De rechtbank kan niet vaststellen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] met betrekking tot het aanwezig hebben van de cocaïne. Voor de overdracht van de cocaïne bevond deze zich niet in de machtssfeer van [medeverdachte] . Na de overdracht bevond deze zich niet meer in de machtssfeer van [verdachte] . [verdachte] wordt daarom partieel vrijgesproken van het onderdeel medeplegen.
Ten aanzien van feit 1:
Juridisch kader witwassen
Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat het betreffende voorwerp of geldbedrag middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf. Ook als niet meteen duidelijk is uit welk specifiek misdrijf de voorwerpen afkomstig zijn, kan witwassen bewezen worden. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van de voorwerpen. Zo’n verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van die voorwerpen worden bewezen.
Bewezenverklaring eenvoudig witwassen
Zoals beschreven in paragraaf 3.1. heeft de politie de overdracht van een rugtas tussen [medeverdachte] en [verdachte] waargenomen. In de rugtas, die [verdachte] op zijn rug droeg, is vervolgens een gevulde sok met daarin een geldbedrag van € 9.000,- aangetroffen.
De omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen, de hoogte van het bedrag en de combinatie met het aantreffen van de cocaïne in de auto van [medeverdachte] , maken dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Van verdachte mag onder deze omstandigheden worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
[verdachte] heeft bij de rechter-commissaris met betrekking tot de herkomst van het geld verklaard dat hij dit geld heeft gekregen van een vriend in [geboorteland] , die het geld heeft verdiend met werkzaamheden voor Uber. [verdachte] heeft niet willen vertellen wie deze vriend is. Deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank weliswaar enigszins concreet, maar volstrekt niet verifieerbaar en om die reden onvoldoende om het witwasvermoeden te weerleggen.
Op grond hiervan acht de rechtbank bewezen dat het geld van misdrijf afkomstig is. Gezien de bewezenverklaring ten aanzien van het overdragen van cocaïne (zie hiervoor) en het feit dat het geld is aangetroffen in dezelfde rugtas waarin even daarvoor de cocaïneblokken hebben gezeten, is het in de ogen van de rechtbank aannemelijk dat [verdachte] het geld met deze overdracht heeft verdiend en het dus om geld gaat dat hij onmiddellijk uit eigen misdrijf heeft verkregen De rechtbank concludeert daarom dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het eenvoudig witwassen van € 9.000,-.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 en de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen
bewezen dat verdachte
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:
op 16 december 2025, te Amsterdam, een hoeveelheid geld, te weten 9000 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.
ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:
op 16 december 2025 te Amsterdam, opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd, 1998,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een
rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee te wegen bij de straftoemeting.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen
geachte feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte,
zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt het afleveren en vervoeren van 1998,4 gram cocaïne, waarbij verdachte de cocaïne aan [medeverdachte] heeft afgeleverd. Hiermee heeft verdachte laten zien dat hij weinig geeft om de schadelijke werking van harddrugs voor de gezondheid van de gebruikers en de andere gevolgen die verslaving met zich kunnen brengen. Ook gaat de drugshandel gepaard met andere vormen van crimineel gedrag, waaronder het plegen van geweld en verdachte heeft door zijn handelen, bijgedragen aan de instandhouding van die keten van criminele activiteiten.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het eenvoudig witwassen van een (contant) geldbedrag van € 9.000,-. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een schadelijke werking op de samenleving.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 maart 2026. Hieruit
blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De strafoplegging
De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor straftoemeting, die bij het afleveren en vervoeren van een hoeveelheid tussen de 1500 en 2000
gram aan harddrugs uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
8 maanden. De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde eenvoudig witwassen niet moet worden meegewogen als strafverzwarende omstandigheid, omdat dit geld betreft dat verdachte onmiddellijk uit eigen misdrijf, te weten de transactie van de cocaïne, heeft verkregen, waarbij de transactie net daarvoor had plaatsgevonden en het geld vrijwel onmiddellijk in beslag is genomen.
Alles afwegende acht de rechtbank, uit oogpunt van vergelding en preventie, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
8 Beslag
Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:
- € 9.000,- EUR (G6750423).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen geldbedrag moet worden verbeurdverklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het in inbeslaggenomen geldbedrag verbeurdverklaren, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het bewezenverklaarde is begaan.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 57 en 420bis.1 van het Wetboek van
Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1 en 2 heeft begaan
zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is
bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1
eenvoudig witwassen
ten aanzien van feit 2
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven
verbod
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beslag
Verklaart verbeurd:
- € 9.000,- EUR (G6750423).
Opheffing van de voorlopige hechtenis wanneer deze gelijk is aan de onvoorwaardelijke gevangenisstraf
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, voorzitter
mrs. F. Dekkers en G.J.M. Kruizinga, rechters
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juni 2026.
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]