Strafrecht overig
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan eendaadse samenloop van poging tot afpersing en bedreiging…
Rechtbank Amsterdam, 19 februari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7282 · Rechtbank Amsterdam · 19 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2026-7282
Zaakgegevens
Op 19 februari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 19 februari 2026
- Datum publicatie
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- 13/095414-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7282
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan eendaadse samenloop van poging tot afpersing en bedreiging. Verdachte heeft geprobeerd om aangever te bewegen tot betaling van € 3.000,-, waarbij hij onder andere heeft gedreigd met cobra’s, dat hij alle tanden uit de mond van aangever zou slaan en dat hij de moeder van aangever zou ‘opbomben’. Gevangenisstraf van 3 maanden.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/095414-25
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[BRP-adres] ,
uit andere hoofde gedetineerd in [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna: verdachte.
1 Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 15 augustus 2024 tot en met 11 oktober 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
1. poging tot afpersing van [slachtoffer] ;
2. bedreiging van [slachtoffer] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten kunnen worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van beide feiten moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de tekst onder het eerste gedachtestreepje (“bro regel die doekoe later later" en "hoor wel als je heb, ga niet lang op je wachten anders ga je echt merken") niet kan worden bewezen, omdat deze uitlatingen niet kunnen worden aangemerkt als bedreiging met geweld. De tekst onder het derde ("ik moet mijn geld hebben") en vierde ("ik sla alle kanker tanden uit je mond als je dit niet doet") gedachtestreepje kunnen niet worden bewezen, omdat deze uitlatingen zijn gedaan buiten de tenlastegelegde periode. De overige uitlatingen (eerste, vijfde, zesde en zevende gedachtestreepje) waren niet serieus bedoeld en konden objectief niet leiden tot redelijke vrees. Daarnaast kunnen de audioberichten (derde t/m zevende gedachtestreepje) niet worden bewezen, omdat uit het WhatsAppgesprek blijkt dat aangever de audioberichten van verdachte niet kon beluisteren.
Oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij ‘Tatta’ is en dat hij de berichten en audioberichten zoals opgenomen in de tenlastelegging naar aangever heeft gestuurd. Hij deed dit omdat hij vond dat aangever € 3.000,- aan hem moest betalen.
Dit sluit aan op de verklaring van aangever die heeft verklaard dat verdachte hem ervoor verantwoordelijk houdt dat spullen van verdachte in beslag zijn genomen. Verdachte stuurt sinds augustus bedreigende berichten aan aangever om € 3.000,- over te maken.
De telefoon van aangever is onderzocht. In de telefoon is een WhatsApp-gesprek aangetroffen tussen aangever en ‘Tatta’. In dit WhatsApp-gesprek zijn de berichten en audioberichten die in de tenlastelegging staan aangetroffen.
Feit 1 – poging tot afpersing
De rechtbank is van oordeel dat alle uitlatingen in de tenlastelegging bedreiging met geweld opleveren. Wellicht zijn sommige teksten op zichzelf beschouwd niet zonder meer als bedreiging met geweld aan te merken, maar krijgen die wel degelijk een voor aangever bedreigend karakter als zij worden bezien in de context en relatie tot elkaar. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het audiobericht dat verdachte op 13 augustus 2024 naar aangever heeft gestuurd ook kan worden bewezen, nu dit audiobericht is verstuurd omstreeks de periode van 15 augustus 2024 tot en met 11 oktober 2024. Dat valt binnen de tenlastegelegde periode. Hierbij komt dat verdachte door de tenlastelegging, gelezen in combinatie met het strafdossier, moet hebben geweten waarvan hij wordt verdacht en waartegen hij zich kon verweren.
Dat de audioberichten die verdachte heeft verstuurd niet door aangever zijn beluisterd, zoals de raadsman heeft betoogd, staat niet aan een bewezenverklaring in de weg, nu aan verdachte een poging tot afpersing is tenlastegelegd.
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaring van verdachte op de zitting is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door middel van bedreiging met geweld, heeft geprobeerd om aangever te dwingen tot afgifte van € 3.000,-. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot afpersing.
Feit 2 - bedreiging
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en/of zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat aangever daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de inhoud van de audioberichten van verdachte (weergegeven onder het derde t/m zevende gedachtestreepje). Nadat verdachte de audioberichten verstuurde, vroeg aangever of verdachte kon typen omdat hij de berichten niet kon openen en beluisteren. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de uitlatingen die verdachte heeft gedaan in de audioberichten.
De overige tenlastegelegde uitlatingen kunnen wel worden bewezen. Gelet op de context waarin deze uitlatingen zijn gedaan, kon bij aangever de redelijke vrees ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen ook daadwerkelijk zou uitvoeren. De rechtbank concludeert dat feit 2 in zoverre kan worden bewezen.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
omstreeks de periode van 15 augustus 2024 tot en met 11 oktober 2024 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 3.000 euro, dat aan die [slachtoffer] toebehoorde, WhatsApp berichten en audioberichten naar die [slachtoffer] heeft gestuurd met daarin de tekst:
- "bro regel die doekoe later later" en "hoor wel als je heb, ga niet lang op je wachten anders ga je echt merken" en/of
- "bro ga zo cobras laten halen" en "anders vandaag 3 contant" en/of
- "ik moet mijn geld hebben" en/of
- "ik sla alle kanker tanden uit je mond als je dit niet doet" en/of
- "ik ga je kanker hard neuken. Jij, je broer en je moeder" en/of
- "ik sla ze de kanker in als je niet betaalt" en/of
- "ik ga je kanker moeder opbombem. Als ik naar Turkije komt wil ik mijn driedoezo. Anders ga je zien als je ma uit werk komt",
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
in de periode van 28 augustus 2024 tot en met 11 oktober 2024 in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, door WhatsApp berichten naar die [slachtoffer] te sturen met daarin de teksten:
- "bro regel die doekoe later later" en "hoor wel als je heb, ga niet lang op je wachten anders ga je echt merken" en/of
- "bro ga zo cobras laten halen" en "anders vandaag 3 contant”.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5 Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Motivering van de straf
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte heeft gehandeld uit de stellige overtuiging dat aangever verantwoordelijk was voor de inval van de politie in zijn woning. Verdachte was gefrustreerd en het is bij verbale uitlatingen gebleven. Ook moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte zijn moeder recent is verloren. Verder is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Volgens de raadsman is oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet zinvol en kan worden volstaan met een voorwaardelijke straf.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan eendaadse samenloop van poging tot afpersing en bedreiging. Verdachte heeft geprobeerd om aangever te bewegen tot betaling van € 3.000,-, waarbij hij onder andere heeft gedreigd met cobra’s, dat hij alle tanden uit de mond van aangever zou slaan en dat hij de moeder van aangever zou ‘opbomben’. Dit soort feiten maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving in het algemeen en bij het slachtoffer in het bijzonder. Op de zitting heeft verdachte zijn uitlatingen gebagatelliseerd en geen verantwoordelijkheid getoond voor de gevolgen van zijn handelen voor aangever.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 18 december 2025. Hieruit blijkt dat hij meermaals is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat weegt in het nadeel van verdachte.
Gelet op de aard en de ernst van de feiten acht de rechtbank enkel oplegging van een gevangenisstraf gerechtvaardigd. Het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel is naar het oordeel van de rechtbank een gepasseerd station. Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, passend en geboden.
8 Vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 610,- aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat de gestelde schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezenverklaarde feiten. Voor zover de vordering betrekking heeft op immateriële schade, is de vordering bovendien onvoldoende onderbouwd.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 55, 63, 285 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
eendaadse samenloop van
poging tot afpersing;
en
bedreiging met zware mishandeling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.B.W. Beekman, voorzitter,
mrs. M. Versteege en M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026.
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]