Strafrecht overig
Vrijspraak van twee mishandelingen en een vernieling. Veroordeling voor drie mishandelingen en een eenvoudige…
Rechtbank Amsterdam, 11 februari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7503 · Rechtbank Amsterdam · 11 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2026-7503
Zaakgegevens
Op 11 februari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 11 februari 2026
- Datum publicatie
- 22 juli 2026
- Zaaknummer
- 13/265995-25 (zaak A) en 13/253473-25 (zaak B)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7503
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak van twee mishandelingen en een vernieling. Veroordeling voor drie mishandelingen en een eenvoudige belediging. Oplegging van een gevangenisstraf van 44 dagen, met aftrek van voorarrest. Toewijzing van de vorderingen van drie benadeelde partijen. Andere twee benadeelde partijen niet-ontvankelijk vanwege vrijspraak.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/265995-25 (zaak A) en 13/253473-25 (zaak B)
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
wonende op het adres [adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 januari 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. V.C.E. de Jong, en van wat de gemachtigde raadsvrouw, mr. D. Kisteman, naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A:
-
mishandeling van [slachtoffer 1] op 14 september 2025;
-
mishandeling van [slachtoffer 2] op 15 september 2025;
-
mishandeling van [slachtoffer 3] op 18 september 2025;
-
mishandeling van [slachtoffer 4] op 2 oktober 2025;
-
vernieling van een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 5] , op 2 oktober 2025;
-
belediging van [slachtoffer 6] op 8 oktober 2025.
Zaak B:
mishandeling van [slachtoffer 7] op 15 september 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van zaak A feit 1, 3, 4 en 5 vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de feiten 1, 4 en 5 heeft zij betoogd dat de bewijsconstructie neerkomt op een koppeling tussen de (opvallende) sportschoenen die verdachte droeg op politiebureau Zuidoost Bijlmermeer op 8 oktober 2025 en de schoenen die de dader op de beelden van de mishandelingen en de vernieling draagt. De foto van 8 oktober 2025 is van onvoldoende kwaliteit om als basis te dienen voor een betrouwbare vergelijking. Daarnaast is de opvallende rode kleur van de schoenen – die is beschreven in de beelden van de feiten – niet te zien en correspondeert deze ook niet met de beschrijving van de schoenen die de verbalisant die verdachte op 8 oktober 2025 zag, heeft gegeven. Verder bevat het dossier niets dat wijst op het daderschap van verdachte bij deze feiten.
Ten aanzien van feit 3 geldt eveneens dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte het ten laste gelegde zou hebben begaan. De enige link met verdachte is de bruine jas die de dader ten tijde van het incident droeg en die overeen zou komen met een jas die vermoedelijk in de kamer van verdachte zou zijn aangetroffen. Niet kan worden vastgesteld dat de jas daadwerkelijk aan verdachte toebehoorde en niet kan worden vastgesteld dat die jas is gedragen tijdens het incident.
Ten aanzien van zaak A feiten 2 en 6 en het feit in zaak B heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Oordeel van de rechtbank over zaak A
Oordeel over feiten 1, 4 en 5
Aangiftes en signalementen
Aangeefster [slachtoffer 1] (feit 1) heeft een signalement gegeven van de man die haar heeft mishandeld, waarbij zij heeft verklaard dat de man een zwarte pet met een print van groene wietblaadjes en hoge sneakers met een kleur erin droeg. Uit de beschrijving van de beelden blijkt dat de dader een groene pet op had en witte sneakers met rode strepen. Bij zijn aanhouding op 8 oktober 2025 droeg verdachte een pet met wietblaadjes en had hij sneakers aan met de kleuren rood, wit en zwart.
Aangeefster [slachtoffer 4] (feit 4) heeft verklaard dat zij is geslagen door een man met een donkere huidskleur, die een korte zwarte muts, donkere kleding, een tas en Nike-sneakers met gele en oranje strepen droeg. Van het incident zijn beelden beschikbaar, waarop is gezien dat de dader een donkere huidskleur heeft en op dat moment een zwarte jas en broek en een donkere muts droeg. Daarnaast droeg hij witte sneakers met rode strepen. De schoenen van de dader op de beelden zijn vergeleken met een foto van verdachte op het politiebureau. De verbalisant heeft verklaard dat verdachte op beide beelden opvallende rode schoenen droeg en dat hij ten zeerste vermoedt dat dit hetzelfde paar was. De door aangeefster beschreven sneakers met gele en oranje strepen zijn niet nader in het dossier genoemd.
Aangeefster [slachtoffer 5] (feit 5) heeft verklaard dat haar telefoon is vernield door donker geklede, negroïde man. Ook van dit incident zijn er beelden beschikbaar, aan de hand waarvan de verbalisant de dader heeft beschreven als een donkergetint persoon met donkere kleding, een donker hoofddeksel en rood-witte sneakers.
Overwegingen en oordeel
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de voorgenoemde zaken onvoldoende bewijs aanwezig is om vast te stellen dat verdachte deze feiten heeft begaan. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de pet met de wietblaadjes en de rode sneakers inzake feit 1 onvoldoende onderscheidend zijn.
De sneakers met rode (accent)kleur die de dader van de drie feiten zou hebben gedragen, bieden onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de drie feiten door een en dezelfde dader zijn gepleegd en ook om verdachte als die dader aan te merken. Ook bieden de feiten en omstandigheden niet voldoende aanwijzingen voor een specifieke modus operandi.
Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat wat betreft de feiten 1, 4 en 5 wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat verdachte deze ten laste gelegde feiten heeft begaan. De rechtbank spreekt de verdachte hiervan dan ook vrij.
Oordeel over feit 2
De rechtbank acht de ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 2] op 15 september 2025 wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw behoeft dit oordeel geen nadere motivering.
Oordeel over feit 3
Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, acht de rechtbank de ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 3] op 18 september 2025 wel bewezen.
Aangeefster heeft verklaard dat zij een pijnscheut in haar linker onderbeen voelde en dat zij, toen ze zich omdraaide, een man met zwarte huidskleur op een racefiets zag. Zij heeft tot enkele dagen na het incident last gehad van haar linker kuit. Op beelden van het incident is volgens de verbalisant te zien dat een man in een bruine jas met witte bovenzijde op een lichtkleurige fiets in racefiets model tegen het linkerbeen van aangeefster rijdt. Te zien is dat de dader op een lichtgroene racefiets rijdt. De verbalisant heeft verklaard dat deze fiets overeenkomt met de fiets die verdachte bij zich had toen hij op 15 september 2025 door de politie werd gecontroleerd. In de woonruimte van verdachte bij het COA is op de dag van zijn aanhouding een bruine jas met witte bontkraag aangetroffen, die overeenkomt met de jas die de dader ten tijde van het incident droeg. Het standpunt van de raadsvrouw dat er mogelijk een nog een bewoner van de woonruimte van de verdachte zou kunnen zijn aan wie die jas toebehoort is – wat daarvan ook overigens zij – niet aannemelijk geworden.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 18 september 2025 aangeefster [slachtoffer 3] heeft mishandeld door tegen haar kuit te fietsen.
Oordeel over feit 6
De rechtbank acht de ten laste gelegde belediging van [slachtoffer 6] op 8 oktober 2025 wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw behoeft dit oordeel geen nadere motivering.
Oordeel van de rechtbank over zaak B
De rechtbank acht de ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 7] op 15 september 2025 wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw behoeft dit oordeel geen nadere motivering.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Zaak A:
2
op 15 september 2025 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door een fiets, tegen de benen van die [slachtoffer 2] te gooien;
3
op 18 september 2025 te Amsterdam [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door tegen de kuit van die [slachtoffer 3] aan te fietsen;
6
op 8 oktober 2025 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 6] in haar tegenwoordigheid door feitelijkheden heeft beledigd, door op haar jas te spugen;
Zaak B:
op 15 september 2025 te Amsterdam [slachtoffer 7] heeft mishandeld, door met kracht een fiets tegen het lichaam van die [slachtoffer 7] te gooien.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
5 Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in zaak A onder feit 1 tot en met 6 en het in zaak B bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 100 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 56 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor geweldsfeiten en heeft al enige tijd in voorarrest doorgebracht. De raadsvrouw wijst ook op de omstandigheid dat er een overdrachtsbesluit is op grond van de Dublinverordening. Het beroep tegen dit besluit wordt op 19 februari 2026 behandeld en de verwachting is dat verdachte op korte termijn zal worden overgedragen aan [land] .
Verder heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde met psychische problematiek kampte. Na zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris is er een crisismaatregel afgegeven vanwege de psychotische toestand van verdachte tot het moment dat de bewaring werd bevolen. Ook bij het traject consult in november 2025 werden aanwijzingen voor een psychotische stoornis gezien.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich in drie gevallen schuldig gemaakt aan mishandeling. Verdachte is in een geval tegen het slachtoffer aan gefietst en in de andere gevallen heeft hij twee slachtoffers mishandeld door een fiets tegen hen aan te gooien. Met zijn handelen heeft verdachte pijn en, in het geval van mevrouw [slachtoffer 7] , letsel aan de slachtoffers toegebracht. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging, door slachtoffer [slachtoffer 6] te bespugen. Hij heeft haar daarmee in haar eer en goede naam aangetast. Feiten waarbij personen uit het niets op straat worden aangevallen, kunnen gevoelens van onveiligheid veroorzaken. Dat de feiten deze gevoelens hebben veroorzaakt blijkt ook uit de toelichting op de vorderingen van benadeelde partijen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] . De feiten, in het bijzonder twee mishandelingen en de belediging, zijn binnen een tijdsbestek van enkele dagen gepleegd. Deze reeks van incidenten en de omstandigheid dat deze feiten uit het niets tegen willekeurige vrouwen op straat zijn gepleegd, acht de rechtbank zorgelijk.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 14 januari 2026. De reclassering beschrijft dat de DT&V voornemens is om verdachte uit te zetten vanwege een Dublin-claim op [land] . Er loopt een beroepsprocedure tegen dit besluit. Uit eerder opgemaakte NIFP traject-consulten blijkt dat er sprake is van cannabisgebruik, dat er aanwijzingen zijn voor een psychotische stoornis en dat verdachte eerder ingesteld is geweest op antipsychotica. De risico’s op recidive, letsel en onttrekken aan voorwaarden kunnen echter niet worden ingeschat. De reclassering acht gedragsdeskundig onderzoek niet geïndiceerd, vanwege de beperkte justitiële voorgeschiedenis, de aard van de feiten en het (naar verwachting) ontbrekende toekomstperspectief in Nederland. Zij adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Hoewel voor de feiten waarvoor verdachte wordt veroordeeld doorgaans geen gevangenisstraffen worden opgelegd, rechtvaardigt de hoeveelheid gepleegde feiten, in combinatie met het gegeven dat de feiten gepleegd zijn uit het niets tegen willekeurige vrouwen op straat zijn gepleegd, naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte is dit ook de meest passende modaliteit. Verdachte verblijft in het COA, heeft geen werk en enkel procedureel rechtmatig verblijf, terwijl zijn beroep tegen het uitzettingsbesluit naar informatie van de raadsvrouw binnenkort zal worden behandeld en dat hij naar verwachting binnenkort zal worden overgedragen aan [land] .
Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank aanleiding om bij haar straftoemeting af te wijken van hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd en aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Zij is van oordeel dat een voorwaardelijk deel, gelet op de persoonlijke omstandigheden en de aanwijzingen voor psychische problematiek bij verdachte, niet effectief zal zijn ter voorkoming van recidive. Een straf gelijk aan het voorarrest zal een eventuele uitzetting van verdachte niet in de weg staan. Alles afwegend legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op van 44 dagen, met aftrek van het voorarrest.
9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 39,49 aan vergoeding van materiële schade, en € 450,00 aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan verdachte is namelijk geen straf of maatregel opgelegd voor dit feit vanwege de vrijspraak van het ten laste gelegde. De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
Benadeelde partij [slachtoffer 5]
De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert € 219,00 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan verdachte is namelijk geen straf of maatregel opgelegd voor dit feit vanwege vrijspraak van het ten laste gelegde. De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
Benadeelde partij [slachtoffer 6]
Vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 6] vordert € 300,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, omdat zij in haar eer en goede naam is aangetast.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel toewijsbaar is.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder feit 6 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [slachtoffer 6] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Benadeelde partij [slachtoffer 7]
Vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 7] vordert € 35,00 aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel toewijsbaar is.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsvrouw bepleit dat de vordering gematigd moet worden tot € 750,00, gelet op jurisprudentie in soortgelijke zaken.
Oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering tot materiële schade is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Ook staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 750,00.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat voor het aanleveren van nadere onderbouwing van de vordering de behandeling moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Verder wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, vooralsnog nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [slachtoffer 7] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 266 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
11 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A onder feit 1, 4 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder feit 2, 3 en 6 en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A, feit 2, 3 en 6:
telkens: mishandeling
Ten aanzien van zaak B:
eenvoudige belediging
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 44 (vierenveertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe tot een bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 8 oktober 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 6] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 6] aan de Staat € 300,00 (driehonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 8 oktober 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] toe tot een bedrag van € 35,00 (vijfendertig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 15 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 7] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 7] aan de Staat € 785,00 (zevenhonderdvijfentachtig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 15 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 7 (zeven) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Verklaart [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E. Biçer en J. Langer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E. Willeboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2026.
[....]