Strafrecht overig
Vrijspraak poging doodslag, vernieling en mishandeling. Veroordeling voor poging tot zware mishandeling…
Rechtbank Amsterdam, 17 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7725 · Rechtbank Amsterdam · 17 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2026-7725
Zaakgegevens
Op 17 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Datum publicatie
- 29 juli 2026
- Zaaknummer
- 13/009534-26 (zaak A), 13/232793-25 (zaak B) en 13
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7725
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak poging doodslag, vernieling en mishandeling. Veroordeling voor poging tot zware mishandeling, eenvoudige belediging met een discriminatoir oogmerk van een verbalisant en mishandeling. Gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/009534-26 (zaak A), 13/232793-25 (zaak B) en 13/291252-25 (zaak C) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2026. Verdachte was daarbij aanwezig, evenals zijn raadsman, mr. R. den Riet.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna respectievelijk als zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
zaak A:
-
poging tot doodslag van [benadeelde partij] op 10 januari 2026 te Amsterdam, door die [benadeelde partij] richting een optrekkende en/of rijdende tram te duwen terwijl het perron glad was. Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als mishandeling;
-
belediging met een discriminatoir karakter van [verbalisant/slachtoffer 1] op 10 januari 2026 te Amsterdam;
zaak B:
-
mishandeling van [slachtoffer 2] op 4 september 2025 te Amsterdam;
-
vernieling van een tas met inhoud (een iPad en/of iPhone) toebehorende aan [slachtoffer 2] op 4 september 2025 te Amsterdam;
zaak C:
mishandeling van [slachtoffer 3] op 1 november 2025 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het openbaar ministerie
Zaak A
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de aangifte, de beschrijving van de camerabeelden en de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , kan worden vastgesteld dat verdachte [benadeelde partij] met zijn schouder heeft geduwd in de richting van een rijdende tram. Wanneer iemand dichtbij de rand van een glad perron een stevige duw krijgt in de richting van een rijdende tram, bestaat de aanmerkelijke kans dat iemand als gevolg daarvan komt te overlijden. Verdachte was zich ook bewust van deze aanmerkelijke kans, omdat hij wist dat er een tram was, dat het perron glad was en [benadeelde partij] dichtbij de rand van het perron liep. Uit de handelwijze van verdachte blijkt dat hij de aanmerkelijke kans ook willens en wetens heeft aanvaard.
De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de onder 2 ten laste gelegde belediging van een verbalisant ook bewezen kan worden op basis van het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant/slachtoffer 1] en [verbalisant] , en de verklaring van verdachte.
Zaak B
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde mishandeling bewezen kan worden op basis van de aangifte en de getuigenverklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] . Zij hebben gezien dat verdachte [slachtoffer 2] heeft geslagen.
Het onder 2 ten laste gelegde, de vernieling, kan ook bewezen worden op basis van de verklaring van [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris en de getuigenverklaring van [getuige 5] .
Zaak C
Ten aanzien van de ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 3] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat die bewezen kan worden. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de aangifte, de verklaring van [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris en de getuigenverklaring van [getuige 6] . De getuigenverklaring wordt bevestigd door het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden beschreven.
Het standpunt van de verdediging
Zaak A
De raadsman heeft bepleit dat niet bewezen kan worden dat verdachte het in zaak A, onder 1 ten laste gelegde heeft gepleegd en heeft verzocht hem daarvan vrij te spreken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte [benadeelde partij] heeft geduwd. De raadsman heeft verder aangevoerd dat niet vast is komen te staan waar [benadeelde partij] ten val is gekomen en op welke wijze hij de tram met zijn hoofd heeft geraakt. De kans dat [benadeelde partij] ten gevolge van de vermeende duw zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen is niet zonder meer aanwezig. Er is daarom geen sprake van voorwaardelijk opzet.
Ten aanzien van de in zaak A, onder 2 ten laste gelegde belediging heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Zaak B
De raadsman heeft ten aanzien van de ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 2] vrijspraak bepleit, omdat onvoldoende duidelijk is wie welke geweldshandelingen op welk moment heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 2 heeft hij ook vrijspraak bepleit, omdat het dossier geen bewijsstukken bevat waaruit blijkt dat de iPad is beschadigd.
Zaak C
Wat betreft de mishandeling van aangever [slachtoffer 3] heeft de raadsman aangevoerd dat een deel van het gevecht tussen verdachte en [slachtoffer 3] niet zichtbaar is op de camerabeelden. Gelet daarop, in combinatie met de verklaring van verdachte dat hij zich tegen de geweldshandelingen van [slachtoffer 3] moest verdedigen, kan niet worden vastgesteld dat verdachte is begonnen met het geweld. Op de beelden is ook niet te zien dat verdachte aangever bij de keel grijpt en slaat. Hij moet daarom worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal eerst zaak A behandelen, daarna zaak B en tot slot zaak C. Bij de bespreking van de feiten en omstandigheden gaat de rechtbank steeds uit van de wettige bewijsmiddelen.
Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde
Feiten en omstandigheden
Op 10 januari 2026 zat aangever [benadeelde partij] in de tram en stapte uit bij [locatie station] in Amsterdam. Hij zag toen dat een man (die later verdachte bleek te zijn) hem tegemoet liep. Omdat het erg glad was, raakte [benadeelde partij] verdachte aan op zijn bovenarm om hem te waarschuwen dat hij hem kruiste. Nadat hij verdachte was gepasseerd, voelde [benadeelde partij] een harde duw van achteren en hij vermoedde dat de duw met twee handen werd gegeven. Als gevolg van de duw gleed [benadeelde partij] weg, viel op zijn rechterknie en gleed verder door waardoor hij met zijn hoofd tegen een optrekkende tram aankwam.
Uit de letselverklaring van het [naam ziekenhuis 1] in [plaats] volgt dat er bij [benadeelde partij] sprake was van een licht traumatisch hoofd- of hersenletsel (lichte hersenschudding), een hoofdwond en een contusie (kneuzing) van zijn rechterknie.
De conducteur in de tweede wagen van de tram, [getuige 1] , heeft verklaard dat hij zag dat verdachte met opzet tegen het lichaam van [benadeelde partij] duwde waardoor hij tussen de koppeling van de tramwagens terecht kwam. De tram trok op dat moment op en reed volgens [getuige 1] vijf à tien kilometer per uur. [getuige 1] drukte direct op de noodknop en zag dat [benadeelde partij] tussen de tram en het perron in lag.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat twee personen elkaar op het perron tegemoet liepen. Ze zag dat verdachte [benadeelde partij] bewust een harde duw met zijn schouder gaf. Hierdoor kwam [benadeelde partij] op zijn handen en knieën terecht. Door de gladheid van het perron gleed hij door. Zijn lichaam kwam op de rand van het perron terecht en zijn hoofd lag tussen twee tramwagens in. Ze zag dat [benadeelde partij] toen met zijn hoofd tegen de optrekkende tram aankwam en door de tram werd meegesleurd totdat de tram een noodstop maakte.
Getuige [getuige 3] liep achter [benadeelde partij] en zag dat [benadeelde partij] en verdachte elkaar kruisten. Terwijl zij elkaar kruisten, zag zij dat verdachte [benadeelde partij] een duw vanuit zijn schouder gaf. Op dat moment was de tram aan het versnellen. [benadeelde partij] viel door de duw op de grond en kwam met zijn hoofd onder de voorkant van de tussentram terecht. Hij stootte hierbij zijn hoofd tegen de tram. Ter plaatse, direct na het incident, verklaarde [getuige 3] (als anonieme getuige) dat zij meende dat de duw opzettelijk was.
Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij op het perron op zijn tram wachtte. [benadeelde partij] liep tegen hem aan en gleed door de gladheid uit. Hij ontkent [benadeelde partij] te hebben geduwd en vroeg zich tijdens politieverhoor af hoe je iemand op een tramspoor kunt duwen terwijl er een tram is. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij te hard tegen [benadeelde partij] aanliep. Omdat hun schouders elkaar raakten en het glad was, kwam [benadeelde partij] ten val.
De camerabeelden van het incident maken deel uit van het dossier. De rechtbank heeft op de gevoegde camerabeelden op minuut 02.06 waargenomen dat verdachte en [benadeelde partij] elkaar op het perron tegemoet lopen. Op de beelden is het moment dat ze elkaar passeren niet zichtbaar wegens de optrekkende tram. Er is echter wel te zien dat [benadeelde partij] op minuut 02.08, nadat hij verdachte heeft gepasseerd, in de richting van de tram valt.
Tussenconclusie
De rechtbank acht op basis van het bovenstaande bewezen dat verdachte [benadeelde partij] opzettelijk een duw met zijn schouder heeft gegeven. Alle getuigen hebben namelijk verklaard dat de duw opzettelijk was en op de camerabeelden is te zien dat [benadeelde partij] , nadat hij verdachte heeft gepasseerd, een val richting de tram maakt. Van een ongelukkige confrontatie, zoals door verdachte gesteld, was dan ook geen sprake.
Vrijspraak poging doodslag
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of het handelen van verdachte opzettelijk, al dan niet in voorwaardelijke zin, gericht was op de dood van [benadeelde partij] . De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet had om [benadeelde partij] te doden. Om vast te stellen dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde partij] , moet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [benadeelde partij] zou komen te overlijden en dat verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard.
De beantwoording van de vraag, of het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven heeft geroepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg, dat het – afgezien van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de omstandigheden die hiervoor zijn vastgesteld, niet kan worden geconcludeerd dat er een aanmerkelijke kans was dat [benadeelde partij] zou komen te overlijden en dat dit ook bewust is aanvaard door verdachte. De rechtbank stelt vast dat het dossier onvoldoende informatie bevat over de precieze richting en kracht van de duw. De rechtbank stelt op basis van foto’s in het dossier verder vast dat er tussen het perron waarop verdachte en [benadeelde partij] liepen ten tijde van het passeren en de tram geen (zichtbare) ruimte is, zodat niet aannemelijk is dat [benadeelde partij] tussen het perron en de tram zou kunnen komen als hij recht tegen de tram aangekomen zou zijn. De wielen zijn bovendien afgeschermd. De tram trok net op en op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de tram harder reed dan vijf tot tien kilometer per uur. De tram bestond wel uit twee wagons en [benadeelde partij] is, na op zijn knieën te zijn gevallen en te zijn doorgeschoven, tussen deze twee wagons terecht gekomen. Dat is echter niet voldoende om in de gegeven omstandigheden vast te kunnen stellen dat er een aanmerkelijke kans was dat [benadeelde partij] kwam te overlijden en dat verdachte dit ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken.
Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling
Dan komt de rechtbank toe aan de vraag of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Bij beantwoording van deze vraag moet worden vastgesteld of verdachte een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en of verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard. Dat is, zoals hiervoor overwogen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Aan de hand van de getuigenverklaringen en de camerabeelden stelt de rechtbank vast dat verdachte en [benadeelde partij] dichtbij de optrekkende tram stonden, ter hoogte van de blindengeleidestrook op ongeveer één meter afstand van de rand van het perron. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat sprake was van een glad perron. De ervaring leert dat als je iemand duwt op een gladde ondergrond, dat die persoon vaart/snelheid krijgt. En wegens de gladheid bestaat er weinig mogelijkheid om een onverwachtse beweging, zoals een duw, te kunnen corrigeren. Op camerabeelden is te zien dat [benadeelde partij] in de richting van de tram valt, zodat aannemelijk is dat hij ook in die richting is geduwd. De rechtbank is van oordeel dat door de combinatie van een onverwachte duw, de gladheid en de nabijheid van de optrekkende tram naast het perron, er een aanmerkelijke kans bestaat dat iemand door zo’n duw hard in aanraking komt met de tram en/of het perron, en dat dit contact (bijvoorbeeld met een kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd) kan leiden tot ernstig lichamelijk letsel.
De rechtbank acht daarbij bewezen dat verdachte zich ook bewust was van deze aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Uit de camerabeelden blijkt dat hij vlak voor het incident de tram had verlaten. Bij de politie verklaarde hij dat hij op de volgende tram wachtte en wist dat er een tram naast hem aan het optrekken was. Ook wist hij dat het perron glad was. Door [benadeelde partij] een duw met zijn schouder in de richting van de tram te geven, terwijl hij zag dat de tram naast hem optrok, heeft verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ook bewust aanvaard. Omdat de duw niet daadwerkelijk tot zwaar lichamelijk letsel heeft geleid, is er sprake van een poging.
De rechtbank acht daarmee de poging tot zware mishandeling bewezen.
Ten aanzien van het in zaak A, onder 2 ten laste gelegde
Naar aanleiding van het in rubriek 3.3.1. bewezenverklaarde feit hebben verbalisanten [verbalisant/slachtoffer 1] en [verbalisant] verdachte aangehouden. Tijdens het vervoeren van verdachte naar het cellencomplex Zuidoost te Amsterdam hoorden beide verbalisanten dat verdachte de tenlastegelegde bewoordingen richting [verbalisant/slachtoffer 1] uitte.
Ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat hij de beledigende bewoordingen heeft geuit richting [verbalisant/slachtoffer 1] .
Op basis van de bekennende verklaring van verdachte en het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant/slachtoffer 1] en [verbalisant] acht de rechtbank bewezen dat verdachte de volgende bewoordingen heeft geuit: “Je bent een sukkel. Je bent een nietsnut. Je hebt niks beters te doen. Ik ben alleen maar aangehouden omdat ik donker ben. Jullie zijn blank. Die man was ook blank daarom geloven jullie alleen hem. De getuigen zijn ook allemaal blank daarom geloven jullie die. Ik ga jouw gezicht onthouden. Ik ga jou nog zien op straat, zonder uniform. Dit is geen dreigement hoor. Jij bent een Marokkaan toch?”
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met zijn uitlatingen haat tegen of discriminatie van een groep – in dit geval witte mensen – tot uitdrukking gebracht. De rechtbank acht dan ook bewezen dat bij het uiten van de bewoordingen sprake was van een discriminatoir oogmerk in de zin van artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Verdachte heeft zich hiermee dan ook schuldig gemaakt aan belediging met een discriminatoir oogmerk.
Ten aanzien van het in zaak B, onder 1 ten laste gelegde
Aangever [slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van mishandeling. Hij heeft verklaard dat hij op 4 september 2025 op de [straatnaam] in Amsterdam liep. Een onbekende man liep hem tegemoet, spreidde zijn armen en blokkeerde de weg. Hierna gaf de onbekende man hem een vuistslag in zijn gezicht en pakte [slachtoffer 2] vast met een nekklem. Toen [slachtoffer 2] de onbekende man ook vast probeerde te pakken, raakten ze ten val. De man bleek verdachte te zijn.
Uit de letselverklaring van het [naam ziekenhuis 2] in Amsterdam volgt dat er bij [slachtoffer 2] sprake was van een contusie (kneuzing).
De verklaring van [slachtoffer 2] , dat hij meermaals in zijn gezicht is geslagen, wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 5] . Hij heeft bij de politie verklaard dat verdachte tegen het lichaam van [slachtoffer 2] aansloeg. Hierna ontstond een confrontatie tussen [slachtoffer 2] en verdachte, waarbij verdachte [slachtoffer 2] in zijn gezicht sloeg. Er werd over en weer geslagen, en tijdens de worsteling pakte verdachte [slachtoffer 2] vast bij zijn keel.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] tegen zijn lichaam en in zijn gezicht heeft geslagen, en hem bij zijn nek heeft gepakt waardoor hij ten val is gekomen. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan mishandeling.
Vrijspraak van het in zaak B, onder 2 ten laste gelegde
[getuige 5] heeft verklaard dat verdachte, na de in rubriek 3.3.3. bewezenverklaarde mishandeling, de tas van [slachtoffer 2] op straat heeft gegooid/geschopt. De tas wordt echter niet genoemd in de aangifte van [slachtoffer 2] . Pas tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris (op 19 juni 2026) verklaart [slachtoffer 2] dat verdachte zijn tas op de grond heeft gegooid. Hij heeft daarbij geen bewijs overgelegd van de eventuele schade die aan (de inhoud van) zijn tas is ontstaan.
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende steunbewijs is voor de schade aan de tas met inhoud, zodat vernieling dan wel beschadiging niet is vast te stellen. De rechtbank zal verdachte daarom vrij spreken van het ten laste gelegde feit.
Vrijspraak ten aanzien van het in zaak C ten laste gelegde
Op 1 november 2025 heeft aangever [slachtoffer 3] aangifte gedaan van mishandeling op de [locatie] in Amsterdam. [slachtoffer 3] zat in de tram en zag dat er een confrontatie was tussen verdachte en andere passagiers. Ter de-escalatie tikte [slachtoffer 3] verdachte op zijn schouder. Verdachte draaide zich om, waarna ze elkaar vastpakten en er duw- en trekwerk ontstond. Volgens [slachtoffer 3] pakte verdachte hem bij zijn keel vast en gaf met de vlakke hand een klap op zijn rechterwang.
Een verbalisant heeft de camerabeelden van het incident in de tram bekeken en beschreven. Op de beelden neemt de verbalisant waar dat sprake is van een woordenwisseling tussen verdachte en [slachtoffer 3] . Te zien is dat verdachte met zijn vinger tegen de linkerkant van het gezicht van [slachtoffer 3] duwt, waarop [slachtoffer 3] verdachte vastpakt en naar achteren duwt. Vervolgens maakt verdachte met zijn rechterarm een slaande beweging in de richting van [slachtoffer 3] zijn hoofd. Omdat [slachtoffer 3] buiten beeld staat, is onduidelijk of hij hierdoor wordt geraakt. [slachtoffer 3] deinst achteruit, waarna een worsteling ontstaat.
De getuige [getuige 6] zat in de tram op het moment van het incident. Zij heeft bij de politie verklaard dat ze zag dat verdachte met zijn handen naar de keel van [slachtoffer 3] greep en met de vlakke hand een klap in zijn gezicht gaf. Bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat de klap ook raak was. Verder heeft ze verklaard dat ze zag dat verdachte een slaande beweging maakte richting het gezicht van [slachtoffer 3] , maar dat ze niet met zekerheid kan stellen dat [slachtoffer 3] hier ook door werd geraakt.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij, tijdens de woordenwisseling met [slachtoffer 3] , met zijn platte hand tegen het gezicht van [slachtoffer 3] heeft geslagen, dat hij hem een vuistslag in zijn gezicht heeft gegeven, dat hij hem bij zijn keel heeft gepakt en heeft geduwd. De rechtbank zal deze geweldshandelingen apart bespreken.
De verklaring van [getuige 6] , dat zij heeft gezien dat verdachte [slachtoffer 3] een klap met de vlakke hand heeft gegeven, kan niet als steunbewijs voor de aangifte dienen. Op basis van de gevoegde camerabeelden met als titel ‘3b46effd-c87d-49d3-8522-f0b6de5c47fa’ stelt de rechtbank namelijk vast dat [getuige 6] – op de camerabeelden te herkennen als de vrouw in de oranje jas – op het moment dat de worsteling tussen verdachte en [slachtoffer 3] ontstaat, nadat verdachte [slachtoffer 3] op zijn wang heeft getikt (minuut 01.51), opstaat en zich omdraait. Hierdoor is onduidelijk of zij het gehele voorval heeft gezien. Er kan daarom niet worden uitgegaan van haar verklaring op dit punt. Verder is op de camerabeelden niet te zien dat verdachte [slachtoffer 3] een klap met de vlakke hand geeft. Wel is te zien dat verdachte met zijn vinger tegen [slachtoffer 3] zijn gezicht duwt. Gelet op de aard van de beweging, die op de beelden is waargenomen, is onduidelijk of daardoor pijn of letsel is ontstaan. Dit heeft [slachtoffer 3] in ieder geval niet verklaard.
Ten aanzien van de vuistslag overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel op de camerabeelden wordt waargenomen dat verdachte een slaande beweging in de richting van [slachtoffer 3] maakt en [slachtoffer 3] vervolgens naar achteren deinst, is onduidelijk of hij door die beweging wordt geraakt in zijn gezicht. Op de camerabeelden is dat niet vast te stellen en [getuige 6] heeft verklaard dat zij niet zeker weet op de klap met de vuist raak was.
Uit het proces-verbaal van bevindingen, waarin de camerabeelden worden beschreven, volgt niet dat verdachte [slachtoffer 3] bij zijn keel of nek heeft vastgepakt. Ook de rechtbank kan dat aan de hand van de beelden niet vaststellen. Zoals hiervoor is overwogen, gaat de rechtbank op dit punt niet uit van de verklaring van [getuige 6] .
Ten slotte stelt de rechtbank vast dat wel kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 3] heeft geduwd, maar onvoldoende duidelijk is of door deze handeling pijn of letsel is ontstaan.
Gelet op het voorgaande zal verdachte worden vrijgesproken van de tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer 3] .
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3.1., 3.3.2. en 3.3.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak A, feit 1 subsidiair:
op 10 januari 2026 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [benadeelde partij] richting een optrekkende tram heeft geduwd terwijl het perron glad was,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ten aanzien van zaak A, feit 2:
op 10 januari 2026 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant/slachtoffer 1] (hoofdagent bij Eenheid Amsterdam), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: “Je bent een sukkel. Je bent een nietsnut. Je hebt niks beters te doen. Ik ben alleen maar aangehouden omdat ik donker ben. Jullie zijn blank. Die man was ook blank daarom geloven jullie alleen hem. De getuigen zijn ook allemaal blank daarom geloven jullie die. Ik ga jouw gezicht onthouden. Ik ga jou nog zien op straat, zonder uniform. Dit is geen dreigement hoor. Jij bent een Marokkaan toch? Nee, jij bent ook blank, anders had jij mij niet aangehouden.”, terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk;
ten aanzien van zaak B, feit 1:
op 4 september 2025 te Amsterdam, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] meermalen met gebalde vuist in/tegen het gezicht en het lichaam te slaan en die [slachtoffer 2] bij de nek vast te pakken ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val is gekomen.
5 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering worden gekoppeld.
Strafmaatverweer van de verdediging
Bij strafoplegging heeft de raadsman verzocht om in matigende zin rekening te houden met het eigen aandeel van de slachtoffers. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen en daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen. Aan het voorwaardelijke strafdeel kunnen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering worden gekoppeld.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte is in een korte periode drie keer met de politie in aanraking gekomen vanwege geweldsfeiten. In september 2025 heeft hij zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een nietsvermoedende voorbijganger op straat. Verdachte liep met gestrekte armen op het slachtoffer in. Vervolgens is verdachte meteen gaan slaan. Ook heeft verdachte het slachtoffer bij zijn nek gepakt, waardoor hij is gevallen. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel opgelopen. Verdachte heeft met zijn handelen zonder aanleiding een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Slechts enkele maanden later, in januari 2026, heeft verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, te weten een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft het slachtoffer opzettelijk tegen een optrekkende tram aan geduwd. Verdachte heeft hierdoor, weer zonder aanleiding, een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft pijn en letsel aan hem toegebracht. Als gevolg van de geweldshandeling heeft hij namelijk een lichte hersenschudding, een hoofdwond en een kneuzing van zijn knie opgelopen. Het slachtoffer heeft ook last gekregen van psychische problemen en kampt met slaapklachten. Uit de slachtofferverklaring die ter zitting is voorgedragen blijkt hoeveel impact dit voorval op het slachtoffer heeft gehad. Verdachte heeft niet alleen een bijzonder bedreigende en angstaanjagende situatie gecreëerd voor het slachtoffer, maar ook voor de omstanders moet het heftig zijn geweest om iemand richting een rijdende tram te zien vallen. De tramconducteur is – net als het slachtoffer – gestart met EMDR-therapie. De impact die dit feit heeft gehad, is enorm. Daarbij komt dat verdachte de schuld steeds bij een ander legt en niet naar zijn eigen aandeel kijkt. Dit weegt de rechtbank in zijn nadeel mee.
Op dezelfde dag heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan belediging van een verbalisant door hem beledigende woorden toe te voegen met een discriminerend karakter. De verbalisant was op dat moment bezig met het uitoefenen van zijn werk. Verbalisanten moeten – in het belang van de openbare orde en de veiligheid – veilig kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen. Verdachte zijn handelen getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag.
Strafverzwarende omstandigheid
Op grond van artikel 44bis Sr kan de op de belediging gestelde gevangenisstraf met een derde worden verhoogd als sprake is van discriminatoir oogmerk. De rechtbank weegt het discriminatoire oogmerk van de belediging dan ook in strafverzwarende zin mee. Het plegen van strafbare feiten tegen anderen vanwege hun huidskleur – kortom het wezen van een persoon – is namelijk uiterst verwerpelijk. In Nederland moet iedereen, ongeacht zijn huidskleur, zich veilig kunnen voelen en zijn werk kunnen uitoefenen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 19 mei 2026. Hieruit blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het advies van GGZ Reclassering Inforsa van 26 maart 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] . De reclassering heeft gerapporteerd dat het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Uit het reclasseringsadvies volgt verder dat het middelengebruik van verdachte, met name zijn alcoholgebruik, de grootste risicofactor is. Door het alcoholgebruik wordt zijn agressieve houding versterkt. De reclassering vermoedt echter dat verdachte ook zonder middelengebruik problemen heeft met zijn emotieregulatie. Als er geen interventies binnen het forensisch kader worden ingezet op zowel zijn verslavingsproblematiek als zijn emotieregulatie, zullen de risico's onverminderd blijven en zal verdachte niet tot gedragsverandering komen. De reclassering komt daarom tot het advies om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid tot een kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen, het vinden van dagbesteding, meewerken aan het aflossen van schulden en het leren beheersen van zijn middelengebruik. De reclassering heeft gerapporteerd dat verdachte ook (deels) gemotiveerd lijkt voor hulp en begeleiding.
LOVS
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten. Hieruit volgt dat het uitgangspunt bij een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling zonder gebruik te maken van een wapen een gevangenisstraf van twee maanden is. Het uitgangspunt bij een belediging is een geldboete van € 210,- en bij een mishandeling met letsel als gevolg een geldboete van € 1.000,-. De rechtbank is, zoals hiervoor overwogen, van oordeel dat er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid, te weten het discriminerende karakter van de belediging.
De op te leggen straf
Gelet op de ernst van de feiten en de strafverzwarende omstandigheid, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank ziet in de persoon van verdachte aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.
Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank vindt het belangrijk dat er een stok achter de deur is voor verdachte om hem ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden koppelen die de reclassering adviseert. De rechtbank acht deze bijzondere voorwaarden noodzakelijk, omdat het van groot belang is dat verdachte de behandeling en begeleiding krijgt die hij volgens de reclassering nodig heeft.
8 De vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde partij] (zaak A, feit 1 subsidiair)
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 585,- aan vergoeding voor materiële schade en € 3.400,- aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schade bestaat uit vergoeding van de kosten voor het eigen risico uit 2026.
De rechtbank heeft vastgesteld dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het in zaak A, onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De gevorderde schade staat in rechtstreeks verband met dit feit. [benadeelde partij] heeft de hoogte van de vordering onderbouwd en de vordering is niet inhoudelijk betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De rechtbank zal de vordering geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de poging tot zware mishandeling plaats heeft gevonden, te weten 10 januari 2026.
Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat de benadeelde partij de opgelopen schade niet zelf hoeft te innen en de schade ook vergoed krijgt als verdachte die niet (direct) kan betalen. Verdachte wordt verplicht het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
9 De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op de leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 44bis, 45, 57, 266, 267, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10 De beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder zaak A, feit 1 primair, zaak B, feit 2 en het onder zaak C ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van zaak A, feit 1 subsidiair:
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van zaak A, feit 2:
eenvoudige belediging met een discriminatoir oogmerk, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
ten aanzien van zaak B, feit 1:
mishandeling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. Meldplicht bij reclassering
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
2. Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
dat veroordeelde zich laat behandelen door Jellinek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, en andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 (zeven) weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
3. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
dat veroordeelde verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo snel mogelijk. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
4. Dagbesteding
veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
5. Aflossing schulden
veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
6. Beheersing middelengebruik
dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
T.a.v. zaak A, feit 1 subsidiair: beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 3.985,- (zegge: drieduizend negenhonderd vijfentachtig euro), bestaande uit € 585,- aan vergoeding voor materiële schade en € 3.400,- aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 3.985,- (zegge: drieduizend negenhonderd vijfentachtig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 39 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Voorlopige hechtenis
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mrs. A.L. op 't Hoog en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.K. Raspoort, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2026.
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]