Strafrecht overig

Vrijspraak gekwalificeerde opzetverkrachting en mishandeling. Verklaringen aangeefster op hoofdlijnen…

Rechtbank Amsterdam, 22 juli 2026

Zaakgegevens

Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 juli 2026
Datum publicatie
6 augustus 2026
Zaaknummer
13/234535-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:7950
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak gekwalificeerde opzetverkrachting en mishandeling. Verklaringen aangeefster op hoofdlijnen consistent, scenario verdachte wordt niet door dossier weersproken, letsel past zowel bij scenario van aangeefster als bij scenario van verdachte. Verklaring aangeefster kan niet worden gebruikt voor bewijs. Verdediging heeft niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van aangeefster het ondervragingsrecht uit te oefenen. In dit geval is er een goede reden voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid (aangeefster is namelijk onvindbaar), maar er is geen sprake van compenserende factoren.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Team Strafrecht

Parketnummer: 13/234535-25

Datum uitspraak: 22 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[BRP-adres] ,

hierna: verdachte.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W. Drummen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich op 26 juli 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

feit 1

gekwalificeerde opzetverkrachting van [slachtoffer] ;

feit 2

mishandeling van [slachtoffer] .

De tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Vrijspraak

3.1

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van beide feiten moet worden vrijgesproken. De verklaringen van aangeefster zijn in de kern consistent en vinden steun in overige bewijsmiddelen. Dat er tussen aangeefster en verdachte seksueel contact is geweest blijkt uit het DNA-onderzoek en zowel het letsel van aangeefster als dat van verdachte past bij de aangifte. Daar staat tegenover dat het door verdachte geschetste scenario niet kan worden uitgesloten en dat de bruikbaarheid van de aangifte ter discussie staat. De verdediging heeft verzocht aangeefster als getuige te horen bij de rechter-commissaris, maar dat is niet mogelijk gebleken. Onder verwijzing naar ECLI:HR:2022:402 heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat het niet kunnen horen van aangeefster in de weg staat aan het recht op een eerlijk proces (artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens), waardoor haar verklaring niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

3.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van beide feiten moet worden vrijgesproken. Er is geen steunbewijs dat verdachte aangeefster zou hebben gedwongen tot seks en het scenario van verdachte kan niet worden uitgesloten.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Aangeefster heeft op 27 juli 2025 aangifte gedaan van verkrachting door verdachte met dwang, geweld en bedreiging, in de vroege ochtend van 26 juli 2025. Aan verbalisant [naam] die op 26 juli 2025 omstreeks 07.35 uur ter plaatse kwam heeft aangeefster haar eerste verklaring afgelegd. Vervolgens heeft aangeefster omstreeks 08.30 uur met de politie een informatief gesprek zeden gehad en de volgende dag heeft zij aangifte gedaan van verkrachting door verdachte op de hiervoor genoemde dag.

Aangeefster heeft verklaard dat zij na een avond stappen in Amsterdam bij het busstation op het Rembrandtplein stond te wachten en in gesprek raakte met verdachte. Volgens aangeefster waren zij een beetje aan het flirten. Aangeefster moest nog uren op de bus wachten en verdachte bood aan dat zij bij hem thuis kon wachten. Eenmaal in de woning van verdachte kleedde hij zich uit en besefte aangeefster dat verdachte seks met haar wilde. Zij heeft aangegeven dat zij dat niet wilde. Uiteindelijk heeft verdachte haar vastgepakt, haar broek uitgetrokken en haar met zijn penis vaginaal gepenetreerd. Na enkele minuten vocht zij terug en heeft zij verdachte met de vuist in het gezicht geslagen. Vervolgens heeft verdachte haar naar buiten gesleept en op de stoep geduwd. Aangeefster is daarbij gewond geraakt. Verbalisant [naam] heeft een schaafwond op de knie van aangeefster waargenomen en rode plekken op haar armen en vingers.

Verdachte heeft de beschuldigingen ontkend. De seks die hij en aangeefster in de vroege ochtend van 26 juli 2025 bij hem thuis hebben gehad was geheel vrijwillig. Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster tegenkwam toen hij vanuit zijn werk onderweg naar huis was. Aangeefster is vervolgens met verdachte mee naar huis gegaan, omdat zij naar het toilet moest. Nadat zij in de woning van verdachte naar het toilet was geweest zei aangeefster dat zij seks met verdachte wilde. Nadat zij seks hadden gehad, vroeg aangeefster verdachte meermalen om contant geld. Verdachte zei dat hij geen geld had en dat aangeefster weg moest gaan. Bij de voordeur sloeg aangeefster verdachte bij zijn oog en op zijn lip. Ook sloeg zij de deur tegen zijn hand. Daarna bleef aangeefster staan schoppen en bonken tegen de deur. Door verbalisanten ter plaatse zijn wondjes aan de binnenkant van de bovenlip van verdachte waargenomen, alsmede een zwelling en een roodverkleuring op zijn jukbeen en twee verwondingen aan zijn pink en wijsvinger.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van aangeefster op hoofdlijnen consistent zijn. Ook stelt de rechtbank vast dat het scenario dat door verdachte is geschetst niet door het dossier wordt weersproken. Verder geldt dat de waargenomen letsels bij zowel verdachte als aangeefster passen bij het scenario van aangeefster en bij het scenario van verdachte.

De verdediging heeft verzocht aangeefster te horen om de betrouwbaarheid van haar verklaring te toetsen. De rechter-commissaris heeft op 9 januari 2026 per mail van aangeefster vernomen dat zij niet meer in Nederland verblijft. Op de vraag van de rechter-commissaris of aangeefster in staat was naar Nederland te komen teneinde te worden gehoord, is geen antwoord meer gekomen, ook niet na twee herinneringen. De rechter-commissaris heeft vervolgens in zijn proces-verbaal opgenomen dat hij het niet aannemelijk acht dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord, nu niet duidelijk is waar aangeefster verblijft. De rechtbank stelt vast dat de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van aangeefster het ondervragingsrecht uit te oefenen.

In gevallen waarin de rechtbank voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechtbank nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Bij de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces is het volgende van belang:

  • i) De reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt;

  • ii) Het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit en

  • iii) Het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.

De beoordelingsfactoren moeten in onderling verband worden beschouwd. De reden van het uitblijven van het ondervragingsrecht is hierboven reeds uiteengezet. Aangeefster is een Amerikaanse staatsburger en naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat zij onvindbaar is. Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces is het gewicht van de verklaring van de getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. In deze zaak is het gewicht van deze verklaring groot. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het des te meer van belang dat er een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Anders kan de verklaring niet voor het bewijs worden gebruikt. In dit geval is er een goede reden voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid (de getuige is namelijk onvindbaar), maar er is geen sprake van compenserende factoren. Zo biedt het dossier weinig aanknopingspunten op basis waarvan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster kan worden getoetst, zijn er ook geen andere getuigen die door de verdediging zouden kunnen worden gehoord en is er ook geen ander, bijvoorbeeld forensisch of digitaal, bewijs. Dit betekent dat de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster ook niet kan onderzoeken in samenhang met het overige bewijsmateriaal. De verklaring van aangeefster kan dan ook niet worden gebruikt voor het bewijs.

Hiermee komt de rechtbank tot de conclusie dat het dossier verder onvoldoende wettig bewijs bevat om tot een veroordeling te komen. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken.

4 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

1 STK beddengoed (6688612).

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. I. Timmermans en C. Isitman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2026.

[....]