Strafrecht overig
Vrijspraak voor diefstal van een telefoon. Veroordeling voor voorbereidingshandelingen van cocaïnehandel. De…
Rechtbank Amsterdam, 3 juni 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7999 · Rechtbank Amsterdam · 3 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2026-7999
Zaakgegevens
Op 3 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 3 juni 2026
- Datum publicatie
- 10 augustus 2026
- Zaaknummer
- 1326331021
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7999
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak voor diefstal van een telefoon. Veroordeling voor voorbereidingshandelingen van cocaïnehandel. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/263310-21
Datum uitspraak: 3 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende op het adres [adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 mei en 3 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, en van wat de gemachtigde raadsvrouw van verdachte, mr. M. Ketting, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is onder 1 – kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging – tenlastegelegd dat hij zich samen met anderen in de periode van 28 augustus 2021 tot en met 29 september 2021 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van cocaïne.
Onder 2 is primair aan verdachte tenlastegelegd dat hij zich op 19 maart 2018 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van een telefoon, hetgeen subsidiair is tenlastegelegd als verduistering in dienstbetrekking.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde kan worden bewezen. De doorzoekingen van de opslagbox en de woning van verdachte zijn rechtmatig geweest. De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte van feit 2 primair moet worden vrijgesproken. Hetgeen onder 2 subsidiair is tenlastegelegd kan wel worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de doorzoekingen van de opslagboxen en de woning van verdachte onrechtmatig zijn geweest. De doorzoekingen voldoen namelijk niet aan de eisen die zijn gesteld in artikel 96c van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu bij het binnentreden van de opslagboxen geen hulpofficier van justitie aanwezig was. Al hetgeen dat is aangetroffen naar aanleiding van deze doorzoekingen moet daarom van het bewijs worden uitgesloten. Hetgeen in de woning van verdachte is aangetroffen moet eveneens van het bewijs worden uitgesloten, nu de rechter-commissaris een machtiging voor de doorzoeking heeft afgegeven op basis van onvolledige informatie in de aanvraag.
Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte wist of had moeten weten, dat de aangetroffen goederen bestemd waren voor een in de Opiumwet opgenomen misdrijf. Ook kan het tenlastegelegde medeplegen niet worden bewezen.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die de telefoon heeft weggenomen dan wel dat hij zich deze wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde
De rechtbank acht niet bewezen wat onder 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het primair tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld op welk moment, hoe en door wie de telefoon van aangeefster is weggenomen. Aangeefster heeft weliswaar verklaard dat verdachte in haar woning is geweest, waarna haar telefoon was verdwenen, maar de aangifte vindt op dit punt geen verdere ondersteuning in het dossier. De verklaring van verdachte dat aangeefster de telefoon in zijn taxi is vergeten, kan daarom niet terzijde worden geschoven.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde merkt de rechtbank op dat verdachte heeft verklaard dat hij bij TTO, de Toegelaten Taxi Organisatie, heeft gemeld dat iemand een telefoon had laten liggen in zijn taxi. TTO zou hebben aangegeven dat verdachte de telefoon bij zich moest houden totdat de eigenaar van de telefoon contact met hem zou opnemen. De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet vaststellen dat verdachte op of omstreeks 19 maart 2018 het opzet heeft gehad om de telefoon wederrechtelijk toe te eigenen.
Het oordeel over het onder 1 tenlastegelegde
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van cocaïne. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Rechtmatigheid van de doorzoekingen
Opslagboxen
De opslagboxen van [bedrijf opslagruimte] zijn betreden op grond van artikel 9 van de Opiumwet. Op grond van artikel 9 lid 1 onder a Opiumwet hebben opsporingsambtenaren, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang tot de plaatsen waar een overtreding van deze wet gepleegd wordt, of waar redelijkerwijze vermoed kan worden dat zodanige overtreding gepleegd wordt.
Uit het procesdossier volgt dat op 29 september 2021 de volgende melding bij de politie is binnengekomen: in het weekend van 25 en 26 september 2021 zijn meerdere pallets met jerrycans van 20 liter met onbekende chemische vloeistoffen in een opslagruimte van [bedrijf opslagruimte] gezet. Op camerabeelden van [bedrijf opslagruimte] van 25 en 26 september 2021 is te zien dat een aantal mannen met blauwe jerrycans van een bus naar de opslagbox [nummer 1] liepen. Op camerabeelden van 28 september 2021 is te zien dat een man en een vrouw grote ronde bakken verplaatsten van een bus naar dezelfde opslagbox. Door een opening aan de bovenkant van deze opslagbox heeft een verbalisant gezien dat er een grote hoeveelheid blauwe jerrycans in de opslagbox stond, twee grote intermediate bulk-containers (IBC-containers) van 1.000 liter per stuk en een doos van Bol.com. Na het zien van deze goederen kregen de verbalisanten sterk het vermoeden dat deze goederen werden gebruikt bij een drugslab of cocaïnewasserij. De verbalisanten hebben vervolgens de opslagbox geopend en betreden. Op de camerabeelden van [bedrijf opslagruimte] is verder gezien dat dezelfde personen die de toegangscode van opslagbox [nummer 1] gebruikten, ook de code van opslagboxen [nummer 2] en [nummer 3] hebben gebruikt, waarna ook de inhoud van deze opslagboxen via de opening aan de bovenkant is bekeken.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een redelijkerwijs vermoeden dat overtreding van de Opiumwet plaatsvond en dat de opslagboxen rechtmatig zijn betreden.
Woning
Naar aanleiding van de aangetroffen goederen in de opslagboxen, is de woning van verdachte na verkrijging van een machtiging tot binnentreden doorzocht. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit vermeldt het proces-verbaal van aanvraag machtiging precies wat in welke opslagbox is aangetroffen, van welke opslagboxen verdachte de toegangscode heeft gebruikt en dat een huurovereenkomst op zijn naam is aangetroffen voor opslagbox [nummer 2] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat de informatie die is opgenomen in het proces-verbaal van aanvraag machtiging tot doorzoeking juist en volledig is.
De rechtbank stelt vast dat niet van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek is gebleken, zodat de verweren van de verdediging worden verworpen.
Bewijsoverwegingen
Feiten en omstandigheden
Verbalisanten hebben op 29 september 2021 in opslagbox [nummer 1] van [bedrijf opslagruimte] in Amsterdam 128 jerrycans van 20 liter per stuk en 2 IBC-containers van 1000 liter per stuk aangetroffen. De aangetroffen chemicaliën zijn onderzocht en bleken 460 liter methylethylketon, 1.420 liter hexaan, 680 liter ethylacetaat en 7,8 kilogram levamisole te bevatten. Uit het rapport van het NFI blijkt dat methylethylketon, hexaan en ethylacetaat als hulpstof worden gebruikt bij de bewerking van cocaïne. Volgens het LFO betroffen het typische goederen en chemicaliën die worden aangetroffen op locaties waar, op grote schaal, cocaïne wordt bewerkt (versneden) ofwel wordt teruggewonnen (geëxtraheerd) uit een dragermateriaal. Dit vermoeden wordt versterkt door het feit dat de jerrycans niet waren voorzien van de gebruikelijke vermelding van de leverancier en/of fabrikant.
Uit de camerabeelden van [bedrijf opslagruimte] blijkt dat er drie personen zijn die gebruikmaken van de toegangscode van opslagbox [nummer 1] . Verdachte heeft deze code het meest gebruikt.
Op de camerabeelden is verder te zien dat verdachte tussen 20 september 2021 en 26 september 2021 verschillende keren bij de opslagboxen is geweest. Op camerabeelden van 20 september 2021 is te zien dat verdachte met behulp van een onbekende man diverse dozen, pannen en vaten uitlaadt. Op 25 september 2021 is op de camerabeelden te zien dat verdachte goederen in en uit een Bo-rent busje tilt. Deze goederen vertonen zeer sterke gelijkenissen met een aantal van de inbeslaggenomen goederen. Op 29 september 2021 is verdachte aangehouden, nadat hij de toegangscodes van opslagboxen [nummer 2] en [nummer 3] had ingevoerd. Bij zijn aanhouding heeft verdachte geprobeerd zijn telefoon kapot te maken en is een stapel 20 eurobiljetten aangetroffen van in totaal 1.820 euro.
Bewijsoverwegingen
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de periode van 20 tot en met 29 september 2021 toegang had tot alle drie de opslagboxen en daarmee de beschikkingsmacht had over de daarin aangetroffen goederen. De in de boxen aangetroffen goederen zijn in deze hoeveelheden typische goederen en chemicaliën die worden aangetroffen op locaties waar cocaïne wordt versneden of wordt teruggewonnen uit een dragermateriaal. Deze omstandigheden, in combinatie met het feit dat verdachte bij zijn aanhouding geprobeerd heeft zijn telefoon kapot te maken, brengen de rechtbank tot het oordeel dat verdachte wist dat deze goederen zijn bestemd voor de productie van cocaïne. De rechtbank is verder van oordeel dat op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
in de periode van 20 september 2021 tot en met 29 september 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het bereiden, bewerken en/of vervaardigen van cocaïne,
- zich en/of een ander gelegenheid en/of middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen, voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door;
- meerdere opslag boxen te huren en
- daar 7,8 kilogram Levamisole en 460 liter Methylethylketon en 1.420 liter Hexaan en 680 liter Ethylacetaat, bedoeld voor de productie van en/of het wassen van cocaïne, te brengen en op te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5 De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest en een geldboete van € 16.550,-.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van cocaïne. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat gepaard met veel andere vormen van criminaliteit. Cocaïnehandel faciliteert de financiering van de georganiseerde misdaad en heeft een negatief effect op het legale financiële en economische verkeer. Daarnaast wordt het chemisch afval dat ontstaat bij de productie vrijwel altijd illegaal gedumpt, hetgeen zeer schadelijk is voor het milieu. Alles bij elkaar is de wereld van de productie van harddrugs op meerdere vlakken maatschappelijk ontwrichtend.
Verder wijst de rechtbank op de vele risico’s die gepaard gaan met het opslaan en bewerken van de aangetroffen chemicaliën, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige en bijtende dampen dat levensgevaarlijk kan zijn voor mensen die zich toevallig in de omgeving hiervan bevinden.
Gelet op de ernst van de feiten en de aard en het aantal aangetroffen goederen, maar ook de ogenschijnlijk beperktere rol van verdachte in het productieproces, neemt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden tot uitgangspunt. Daarnaast acht de rechtbank met de officier van justitie een onvoorwaardelijke geldboete passend, omdat strafbare feiten als de onderhavige uitsluitend worden gepleegd om snel geld te verdienen, terwijl van voorbereidingshandelingen naar zijn aard niet kan worden vastgesteld tot welke opbrengst deze daadwerkelijk zouden hebben geleid.
De rechtbank stelt echter vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat ten aanzien van een verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit strafvervolging zou worden ingesteld en bedraagt, behoudens bijzondere omstandigheden, twee jaar. In dit geval oordeelt de rechtbank dat deze handeling is verricht op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld. Dat was op 30 september 2021. De rechtbank ziet in deze zaak geen bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Nu de rechtbank vonnis wijst op 3 juni 2026, is de redelijke termijn met 32maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel deze overschrijding van de redelijke termijn tot strafvermindering moet leiden en zal de hiervoor genoemde gevangenisstraf deels in voorwaardelijke vorm opleggen.
Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een geldboete van € 5.000 passend en geboden.
8 Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1. KG Poeder (omschrijving: G6103742);
2. 0,5 KG Poeder (omschrijving: G6103743);
3. 2,2 KG Poeder; (omschrijving: G6103744);
4. 0,3 KG Poeder (omschrijving: G6108305);
5. 1.820 euro (omschrijving: PL1300-2021199382-6103770);
6. 14.520 euro (omschrijving: PL1300-2021199382-6103953);
7. 210 euro (omschrijving: PL1300-2021199382-6103973).
Onttrekking aan het verkeer
Nu met betrekking tot de voorwerpen genoemd onder 1 tot en met 4 het bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Retour verdachte
Het geld zoals hiervoor vermeld onder 5 tot en met 7 behoort aan verdachte toe en moet worden teruggegeven aan verdachte, nu niet kan worden vastgesteld dat het geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde is verkregen.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 36b, 36c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en/of een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [de verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 5.000,- (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 50 (vijftig) dagen.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1. KG Poeder (omschrijving: G6103742);
2. 0,5 KG Poeder (omschrijving: G6103743);
3. 2,2 KG Poeder (omschrijving: G6103744);
4. 0,3 KG Poeder (omschrijving: G6108305).
Gelast de teruggave aan [de verdachte] van:
5. 1.820,- euro (omschrijving: PL1300-2021199382-6103770);
6. 14.520,- euro (omschrijving: PL1300-2021199382-6103953);
7. 210,- euro (omschrijving: PL1300-2021199382-6103973).
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.V. Koppelman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juni 2026.
[--]