Strafrecht overig

Een 17-jarige jongen is veroordeeld voor het medeplegen van het laten ontploffen van een explosief bij een…

Rechtbank Amsterdam, 20 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 20 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
20 augustus 2026
Datum publicatie
19 augustus 2026
Zaaknummer
13/078232-26 (A) en 13/060710-26 (B)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:8322
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Een 17-jarige jongen is veroordeeld voor het medeplegen van het laten ontploffen van een explosief bij een kantoorgebouw op de Strawinskylaan in Amsterdam-Zuid. Ook is hij veroordeeld voor openlijk geweld tegen de politie bij een grote demonstratie. De rechtbank veroordeelt de jongen tot jeugddetentie voor de duur van 165 dagen, waarvan 122 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest. De tijd dat hij in voorarrest zat is daarmee gelijk aan de onvoorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank legt ook bijzondere voorwaarden op. Zo moet de jongen meewerken aan hulpverlening, zich houden aan een avondklok en naar school en stage gaan.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13.078232.26 en 13.060710.26 (ter terechtzitting gevoegd)

[verdachte]

Team Familie & Jeugd

Parketnummers: 13/078232-26 (A) en 13/060710-26 (B) (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 20 augustus 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 2009,

wonende op het adres [adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op tegenspraak op de terechtzitting achter gesloten deuren van 6 augustus 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kramer en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. van de Pol, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mw. [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mw. [medewerker Jeugdbescherming] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en door de vader van verdachte naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na gegrondverklaring van het bezwaarschrift tegen een gedeelte van de dagvaarding bij beslissing van 6 augustus 2026, ten laste gelegde dat:

in zaak A:

hij op of omstreeks 16 maart 2026 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, bij het

(kantoor)gebouw Atrium (waarin onder andere de [bedrijf] is gevestigd), tezamen en in vereniging met een of meerdere ander(en), althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing te weeg heeft gebracht door een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit minimaal één Cobra in combinatie met een of meerdere (PET)fles(sen) met een brandbare vloeistof, in elk geval een explosief, tegen de ingang van dat voornoemde Atrium gebouw te plaatsen en/of deze Vuurwerk Brandstof Combinatie, in elk geval dat explosief, aan te steken, ten gevolge waarvan een explosie heeft plaatsgevonden, waardoor de tourniquetdeur en/of een ruit en/of de schoonloopmat van dit gebouw gedeeltelijk is/zijn verbrand, althans waardoor brand is ontstaan en waardoor gemeen gevaar voor het gebouw, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een of meerdere voorbijganger(s) en/of een of meerdere beveiliger(s), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor een of meerdere voorbijganger(s) en/of een of meerdere beveiliger(s)), in elk geval zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

( art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

in zaak B:

hij op of omstreeks 14 oktober 2025 te Uithoorn aan de Laan van Meerwijk en/of de kruising van de Prinses Irenelaan met de Prins Bernhardlaan en/of de Emmalaan, in elk geval openlijk, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen

- een of meer personen, te weten onbekend gebleven personen, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het gooien van een houten balk in de richting van die personen en/of

- een of meer goederen, te weten een of meerdere bussen, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het gooien van een blikje drinken en/of een flesje drinken en/of een klinker tegen die bussen

( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht ).

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Overwegingen in zaak A

De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de door verdachte veroorzaakte explosie bij de tourniquetdeur van het Atrium concreet ernstig gevaar voor personen heeft veroorzaakt. Het enkele aanwezig zijn van beveiligingspersoneel ergens in het pand, is voor die conclusie onvoldoende. Nu uit het dossier verder niets kan worden afgeleid over de plaats waar deze personen zich bevonden en welk concreet risico zij (mogelijk) hebben gelopen, acht de rechtbank levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen zoals dat is ten laste gelegd niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in zaak A:

op 16 maart 2026 te Amsterdam bij het kantoorgebouw Atrium, waarin onder andere de [bedrijf] is gevestigd, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een Vuurwerk Brandstof Combinatie, bestaande uit minimaal één Cobra in combinatie met meerdere flessen met brandbare vloeistof, tegen de ingang van dat voornoemde Atrium gebouw te plaatsen en aan te steken, ten gevolge waarvan een explosie heeft plaatsgevonden, waardoor de tourniquetdeur en een ruit en de schoonloopmat van dit gebouw zijn beschadigd en waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

in zaak B:

op 14 oktober 2025 te Uithoorn aan de Laan van Meerwijk en de kruising van de Prinses Irenelaan met de Prins Bernhardlaan en de Emmalaan in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

  • personen, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het gooien van een houten balk in de richting van die personen en

  • goederen, te weten bussen, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het gooien van een blikje of flesje en een klinker tegen die bussen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in de zaken A en B bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 360 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 317 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en JBRA.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

In zaak A heeft verdachte een explosie met een Vuurwerk Brandstof Combinatie veroorzaakt bij een kantoorgebouw. Explosies met geïmproviseerde explosieven veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Daarbij worden die gevoelens van angst soms versterkt doordat men niet weet waarom een dergelijke explosie op de desbetreffende plek plaatsvindt. In dit geval vond de door verdachte veroorzaakte explosie plaats in een periode waarin er veel maatschappelijke onrust was vanwege het grote aantal explosies bij bepaalde instellingen en waarbij er grote zorgen waren over hun eventuele onderlinge verband en het achterliggende motief. Het is een gelukkige omstandigheid dat er bij deze explosie alleen materiële schade is ontstaan en dat het niet erger is afgelopen. Er zijn gevallen bekend waarin dergelijke explosies niet alleen enorme materiële schade, maar ook letsel hebben veroorzaakt en waarbij zelfs mensen om het leven zijn gekomen. Verdachte heeft met als achterliggende gedachte om de ‘job’ te doen dat hij “snel geld” wilde verdienen een heel verkeerde keuze gemaakt, waar de rechtbank hem voor verantwoordelijk houdt.

In zaak B heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld, gepleegd tegen de politie bij een grote demonstratie tegen de komst van een asielzoekerscentrum in Uithoorn. Verdachte heeft ook hier een verkeerde keuze gemaakt, door zich te gaan bemoeien met een demonstratie waar hij naar eigen zeggen aanvankelijk helemaal niet bij betrokken was en niets mee te maken had. Het gepleegde geweld richtte zich daarnaast tegen de politie die optrad ter handhaving van de maatschappelijke orde. Dat neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

Vanwege de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten is jeugddetentie daarop de enige passende reactie. De rechtbank ziet in de strafoplegging in vergelijkbare zaken aanleiding om de door de officier van justitie geformuleerde strafeis te matigen.

Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding tot strafvermindering in het door de raadsman gestelde en door de officier van justitie erkende vormverzuim dat er – samengevat – op neerkomt dat het contact tussen verdachte en zijn moeder onrechtmatig beperkt is geweest. De raadsman wijst hierbij terecht op het bepaalde in artikel 16 en 37 onder c van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De rechtbank zal vanwege het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat verdachte daarvan heeft ondervonden, als consequentie de in beginsel passend geachte jeugddetentie van 180 dagen met 15 dagen verminderen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van onder meer de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:

  • het rapport van de Raad van 3 augustus 2026;

  • het rapport van JBRA van 4 augustus 2026.

Uit de genoemde rapporten kan, samengevat, worden afgeleid dat verdachte positief gedrag laat zien en zich aan alle voorwaarden die hem bij de schorsing van zijn voorlopige hechtenis zijn opgelegd heeft gehouden. De rechtbank acht het daarom niet opportuun dat verdachte nu opnieuw komt vast te zitten, omdat dat de ingezette positieve ontwikkeling zou doorkruisen en verdachte dan na zijn detentie opnieuw moet beginnen. De rechtbank zal daarom bepalen dat van de hierna op te leggen jeugddetentie het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het al ondergane voorarrest.

Dat laat onverlet dat er nog risico’s zijn, zoals dat verdachte beïnvloedbaar is en met een cannabisverslaving kampt. De Raad en JBRA adviseren ter (verdere) inperking daarvan bijzondere voorwaarden op te leggen in het kader van een voorwaardelijk strafdeel. Verdachte heeft zich bereid verklaard mee te werken aan alle hem op te leggen bijzondere voorwaarden. Omdat de rechtbank de geadviseerde voorwaarden in het belang van de maatschappij bij het voorkomen van herhaling en in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte acht, zal zij die voorwaarden verbinden aan het hierna te noemen voorwaardelijk strafdeel.

Dat geldt niet voor het geadviseerde contactverbod met medeverdachten of medeveroordeelden. Van die medeverdachten of medeveroordeelden zijn onvoldoende gegevens bij de rechtbank bekend. Een contactverbod met onbekend gebleven personen is niet controleerbaar of uitvoerbaar. Dat laat onverlet dat verdachte er verstandig aan doet geen contact meer te leggen met de mensen waar hij ter voorbereiding of uitvoering van de door hem gepleegde strafbare feiten contact mee heeft gehad. De rechtbank heeft op dit moment geen indicaties dat hij dat wel zal doen.

Als verdachte niet voldoende meewerkt aan de op te leggen bijzondere voorwaarden, zal hij in beginsel weer vast komen te zitten.

De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De wet stelt daarvoor in art. 77za van het Wetboek van Strafrecht als voorwaarden dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen. Niet alleen wordt verdachte in dit vonnis niet veroordeeld voor een dergelijk misdrijf, ook is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden er ernstig rekening mee te houden dat hij een dergelijk misdrijf zal begaan. Daardoor is niet voldaan aan de voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

9 Beslag

In het onderzoek tegen verdachte in zaak A zijn in beslag genomen:

  1. STK Telefoontoestel PL1300-2026065068-G6804501

  2. 1 STK Telefoontoestel PL1300-2026065068-G6820149

  3. 1 STK Broek PL1300-2026065068-G6804621

De goederen onder 1 en 3 kunnen aan verdachte worden geretourneerd. Niet is voldaan aan één van de gronden in de wet voor verbeurdverklaring of onttrekking van het verkeer.

Van het goed onder 2 heeft verdachte afstand gedaan. De rechtbank hoeft daarom geen beslissing ten aanzien van dit goed te nemen.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] , vertegenwoordigd door [naam] , vordert € 9.964,40 aan materiële schadevergoeding.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is betwist.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Het betreft een civiele vordering in het strafproces, waarvan op dit moment niet kan worden vastgesteld of die door een rechtsgeldig vertegenwoordiger van de B.V. is ingediend. Een volmacht of bijvoorbeeld een uittreksel uit het handelsregister waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid, ontbreken. Dat [naam] gemachtigd was aangifte te doen namens de B.V. is daarvoor onvoldoende. De posten Projectkosten en Nachtwerk zijn niet onderbouwd. De overige posten zijn onderbouwd met offertes, waarvan niet duidelijk is of die kosten zijn gemaakt. Gelet op de creditnota is niet duidelijk in hoeverre de schade door verzekeraars is vergoed. Ter terechtzitting is niemand verschenen die vragen hieromtrent zou kunnen beantwoorden. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde golden, dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.2 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

in zaak A:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

in zaak B:

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 165 (honderdvijfenzestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis (43 dagen) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 122 (honderdtweeëntwintig) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • naar school en stage gaat volgens het rooster;

  • meewerkt aan de begeleiding van U-turn 180;

  • meewerkt aan het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding, zoals sport en/of werk;

  • zich houdt aan een avondklok die inhoudt dat hij dagelijks van 22.00 tot 7.00 uur binnen is op zijn woonadres. De avondklok geldt tot 20 oktober 2026. Uitzonderingen op de tijden en/of dagen zijn toegestaan na overleg en toestemming van de jeugdreclassering van Jeugdbescherming regio Amsterdam;

  • meewerkt aan alle hulpverlening die Jeugdbescherming regio Amsterdam noodzakelijk acht, ook als dat inhoudt hulpverlening gericht op middelengebruik.

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Gelast de teruggave aan veroordeelde van:

1 STK Telefoontoestel PL1300-2026065068-G6804501

3. 1 STK Broek PL1300-2026065068-G6804621

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.C. van Dam van Isselt, voorzitter tevens kinderrechter,

mr. M.J.M. Marseille en mr. E. Lam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Veldman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 augustus 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.