Strafrecht overig
Een 35-jarige man is veroordeeld tot 205 dagen gevangenisstraf waarvan 30 dagen voorwaardelijk.
Rechtbank Amsterdam, 18 augustus 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:8336 · Rechtbank Amsterdam · 18 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2026-8336
Zaakgegevens
Op 18 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Datum publicatie
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- 13/011838-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8336
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Een 35-jarige man is veroordeeld tot 205 dagen gevangenisstraf waarvan 30 dagen voorwaardelijk.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/011838-26
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1991,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. van Ditzhuyzen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] .
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich in Amsterdam op 12 januari 2026 heeft schuldig gemaakt aan:
1. poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 1] , door met zijn vinger in de keel van [benadeelde partij 1] te duwen, [benadeelde partij 1] op de grond te duwen en [benadeelde partij 1] met een stok te slaan. Dit feit is subsidiair tenlastegelegd als een mishandeling;
2. mishandeling van [benadeelde partij 2] door [benadeelde partij 2] met een stok te slaan.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt
als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat ten aanzien van feit 1 niet kan worden bewezen dat verdachte met zijn vinger tegen de keel van [benadeelde partij 1] heeft geduwd. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte heeft gepoogd opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [benadeelde partij 1] door haar met een stok tegen het hoofd te slaan. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte heeft gepoogd opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [benadeelde partij 1] door met zijn vingers in haar keel te duwen en haar op de grond te duwen. De rechtbank spreekt verdachte hiervan dan ook partieel vrij.
De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door met een stok op haar schouder te slaan.
Aangezien verdachte (voor het overige) het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde heeft bekend en door de raadsman ten aanzien hiervan geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank - met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering - met een opsomming van de bewijsmiddelen:
Ten aanzien van feit 1:
-
de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting van 4 augustus 2026;
-
een proces-verbaal van aangifte van 12 januari 2026 met nummer PL1300-2026008699-12, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina’s 8 tot en met 12.
Ten aanzien van feit 2:
-
de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting van 4 augustus 2026;
-
een proces-verbaal van aangifte van 12 januari 2026 met nummer 260112-2246-621, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s 6 tot en met 7.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
ten aanzien van feit 1
op 12 januari 2026 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde partij 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde partij 1] met een stok op haar hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ten aanzien van feit 2
op 12 januari 2026 te Amsterdam [benadeelde partij 2] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij 2] met een stok op haar schouder te slaan.
5 De strafbaarheid van de feiten
De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. In rubriek 7.4 zal besproken worden of verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is geweest ten tijde van de bovengenoemde feiten.
7 Motivering van de straf
De strafeis van het openbaar ministerie
De officier van justitie acht verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar op basis van het psychiatrisch onderzoek en hetgeen verdachte heeft verklaard. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd om aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aansluiting te zoeken bij het advies van de reclassering en stelt zich op het standpunt dat een deels voorwaardelijk strafdeel passend is.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en een mishandeling, waarbij hij twee slachtoffers heeft geslagen met stok en één van hen op haar hoofd heeft geraakt. Hij heeft hiermee pijn en angst veroorzaakt bij de slachtoffers. Het incident speelde zich af voor een Albert Heijn, waardoor verdachte ook voor een gevoel van onveiligheid op straat heeft gezorgd. De rechtbank neemt daarentegen ook mee dat sprake was van een confrontatie tussen verdachte en één van de slachtoffers, waarbij het slachtoffer ook een aandeel heeft gehad. Verdachte is namelijk een paar keer van het slachtoffer weggelopen, waarop het slachtoffer opnieuw de confrontatie aanging met verdachte.
Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij uit boosheid de stok heeft gepakt en hiermee heeft geslagen, nadat hij had geprobeerd het slachtoffer tegen te houden en weg te gaan. Verdachte heeft spijt betuigd op de zitting.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 7 juli 2026, waaruit blijkt dat geen sprake is van onherroepelijke veroordelingen. De rechtbank houdt dan ook geen rekening met zijn strafblad bij de straftoemeting.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport betreffende verdachte van
6 juni 2026, opgesteld door psychiater M.H. Diawara. De psychiater heeft - kort gezegd - gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een psychotische stoornis, in combinatie met een stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte verkeerde in de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde in een toestand van psychische ontregeling, gekenmerkt door achterdocht, gevoelens van bedreiging, auditieve hallucinaties en verlies van realiteitstoetsing. Hij trok zich dan ook terug uit de ambulante behandeling, verscheen niet consequent op afspraken en er was sprake van fors cannabisgebruik. Het is aannemelijk dat de psychische stoornis en het cannabisgebruik de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde hebben beïnvloed. Geadviseerd wordt om verdachte de tenlastegelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank volgt het advies en zal hiermee rekening houden bij de straftoemeting.
Rapportages
De psychiater adviseert een gestructureerd ambulant behandeltraject, gericht op
continuering van antipsychotische medicatie; behandeling van de cannabisproblematiek en
middelencontrole; psycho-educatie; agressieregulatie en copingvaardigheden; begeleiding bij maatschappelijke stabilisatie, waaronder werk en dagstructuur; monitoring van psychotische ontregeling en therapietrouw. Toezicht en forensische monitoring zijn van belang, mede gezien de eerdere zorgmijding van verdachte tijdens de ontregeling, terwijl verdachte in een zorgmachtiging liep. Het recidiverisico wordt dan ook ingeschat als hoog in situaties waarin sprake is van hervatting van cannabisgebruik, afname van behandelcontacten, medicatieontrouw, psychotische ontregeling, sociaal isolement en maatschappelijke stress.
De reclassering heeft naar aanleiding van het Pro Justitia rapport gerapporteerd over de mogelijke invulling van bijzondere voorwaarden. Uit het rapport van de reclassering van 31 juli 2026, opgesteld door B.D.J. van Dijken, blijkt onder meer het volgende. De reclassering adviseert om de reeds opgestarte hulpverlening voort te zetten in de vorm van een (deels) voorwaardelijk strafdeel met de bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, dagbesteding en beheersing middelengebruik. Verdachte staat hier meewerkend tegenover. Verdachte heeft een zorgmachtiging, maar de inzet hiervan is na schorsing van de voorlopige hechtenis nog niet nodig geweest omdat verdachte vrijwillig meewerkt. Toch wordt een meerwaarde gezien in een aanvullend forensisch kader. De samenloop van een ongestructureerde dagbesteding, (het effect van) middelengebruik en het psychosociaal functioneren heeft ogenschijnlijk ten grondslag gelegen aan het tenlastegelegde. De verwachting is dat tot een laag recidiverisico gekomen kan worden indien verdachte verder geholpen wordt en hij medicatietrouw en abstinent van middelen blijft.
De op te leggen straf
De rechtbank houdt rekening met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zoekt aansluiting bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een voltooide zware mishandeling, met middelzwaar lichamelijk letsel en met gebruik van een wapen, is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. Bewezen is echter een poging tot zware mishandeling en een mishandeling, waarbij het uitgangspunt bij een poging is dat de straf met een derde wordt verminderd. Ook houdt de rechtbank rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.
Verdachte heeft geruime tijd in voorlopige hechtenis gezeten, te weten 175 dagen. De rechtbank acht in dit geval als strafdoel van groot belang dat het recidivegevaar wordt ingeperkt en acht een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden hiervoor passend en geboden. Uit de rapportages van de psychiater en de reclassering blijkt de noodzaak van behandeling en toezicht om herhaling te voorkomen. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij zijn schorsende voorwaarden goed nakomt, zijn medicatie trouw inneemt, gestopt is met het gebruik van cannabis en de gesprekken met de psychiater fijn vindt. De rechtbank ziet dan ook dat de voorwaarden een goede werking hebben op verdachte. De rechtbank zal een forse (voorwaardelijke) gevangenisstraf aan verdachte opleggen om te bewerkstelligen dat verdachte zich aan de bijzondere voorwaarden blijft houden. De aard en de ernst van de feiten, alsmede het eigen aandeel van één van de slachtoffers en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, rechtvaardigen normaal gesproken niet een langdurige (voorwaardelijke) gevangenisstraf. In dit geval kent de rechtbank echter meer gewicht toe aan het beperken van het recidiverisico en het voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt, door het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Daarbij zal de rechtbank een proeftijd van drie jaren opleggen met het doel om te realiseren dat verdachte volledig ingebed wordt in de hulpverlening.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 205 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering: meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, dagbesteding en beheersing middelengebruik.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Daarbij moet er volgens het reclasseringsadvies ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.
Gelet op de psychische problematiek van verdachte en de stoornis in het middelengebruik, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan, als hij na detentie niet direct de behandeling en begeleiding ontvangt die hij nodig heeft. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis. Deze beslissing is apart opgemaakt.
8 Beslag
Onder verdachte is een geldbedrag van € 866,00 (G6760962) in beslag genomen. Dit bedrag kan aan verdachte teruggeven worden (met dien verstande dat volgens de officier van justitie op dit bedrag conservatoir beslag rust).
9 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van € 250,- aan vergoeding van materiële schade, een bedrag van € 12.000,-/€ 13.000,- aan vergoeding van immateriële schade en een bedrag van € 700,- aan affectieschade namens [naam] , te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan materiële schade niet voor toewijzing vatbaar is, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade dient een bedrag van
€ 1.100,- toegewezen te worden, gelet op de Rotterdamse schaal. De gevorderde affectieschade is niet voor toewijzing vatbaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd en niet-ontvankelijkheidverklaring dan wel afwijzing dient te volgen.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
De rechtbank stelt op basis van foto’s in het dossier vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit onder 1 primair, te weten letsel aan haar hoofd en hand. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.
Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Bij letselschade moet daarbij worden gedacht aan de aard en de ernst (waaronder de duur en de intensiteit) van het letsel, de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 1.100, zoals door de officier van justitie bepleit en vastgesteld aan de hand van de schaal ‘Licht Letsel’ van de Rotterdamse Schaal, te hoog. De rechtbank overweegt dat het letsel is vastgesteld op basis van foto’s waarop een oppervlakkige wond op het hoofd, blauwe plekken op de handen en opgezwollen vingers te zien zijn. Daarnaast volgt uit het dossier dat de benadeelde partij een eigen aandeel heeft gehad bij het strafbare feit, waardoor in matigende zin wordt rekening gehouden met eigen schuld.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is, omdat verdere onderbouwing ontbreekt en toelaten van nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Affectieschade
De benadeelde partij vordert namens [naam] , een kennis van de benadeelde partij, vergoeding van affectieschade. De rechtbank is van oordeel dat [naam] niet als naaste als bedoeld in artikel 6:107 lid 2 sub a tot en met f BW kan worden aangemerkt. De rechtbank wijst dit deel van de vordering af.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade (€ 200,-) die door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is toegebracht.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
11 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1, primair
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 2
mishandeling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 205 (tweehonderdvijf) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 30 (dertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Ambulante behandeling
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een FACT-team of polikliniek, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op een delictanalyse, psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en/of andere problematiek. Diagnostiek dient onderdeel te zijn van de behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Dagbesteding
dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Beheersing middelengebruik
dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/ speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis. Dit bevel is apart opgemaakt.
Beslag
Gelast de teruggave aan verdachte, [verdachte] , van: € 866,00 (G6760962).
Ten aanzien van feit 1, primair: vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€ 200,- (tweehonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor de gevorderde vergoeding van materiële schade en het overige deel van de gevorderde vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Wijst de vordering ten aanzien van de affectieschade af.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 200,- (tweehonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Q.M.J.A. Crul, voorzitter,
mrs. K.A. Brunner en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 augustus 2026.