Strafrecht overig

Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan winkeldiefstal van meerdere producten. Daarnaast heeft hij…

Rechtbank Amsterdam, 26 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 26 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
26 augustus 2026
Datum publicatie
15 september 2026
Zaaknummer
13/119265-26 (zaak A), 13/123155-26 (zaak B), 13/1
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:9238
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan winkeldiefstal van meerdere producten. Daarnaast heeft hij een fiets verduisterd door na een veronderstelde proefrit de fiets niet meer terug te brengen, maar te verkopen. Vrijspraak bedreiging politieambtenaar. Oplegging ISD-maatregel voor de duur van twee jaar zonder aftrek voorarrest. Eerder opgelegde straffen en reclasseringstoezicht hebben niet geleid tot het terugdringen van recidive. Er zijn geen mogelijkheden meer voor het inzetten van interventies binnen een voorwaardelijk kader. Vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk. Afwijzing vorderingen tul.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Team Strafrecht

Parketnummers: 13/119265-26 (zaak A), 13/123155-26 (zaak B), 13/112244-26 (zaak C) en 13/132544-26 (zaak D) (op de zitting gevoegd)

Parketnummers vorderingen tul: 13/170734-24 en 13/241128-25

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

gedetineerd in: [detentieadres] .

1 Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 12 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. van Eck Rasmussen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.R. Backers naar voren hebben gebracht. Daarnaast is [reclasseringswerker] , reclasseringswerker bij reclassering Inforsa, als deskundige gehoord.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C en zaak D genoemd.

2 Beschuldiging

Zaak A:

In zaak A wordt verdachte ervan beschuldigd dat hij op 21 april 2026 in Amsterdam winkelartikelen van [supermarkt 1] heeft gestolen.

Zaak B:

In zaak B wordt verdachte ervan beschuldigd dat hij op 24 april 2026 in Amsterdam winkelartikelen van [supermarkt 2] heeft gestolen.

Zaak C

In zaak C wordt verdachte beschuldigd van verduistering van een elektrische fiets van [scooterverhuur] op 11 september 2025 in Amsterdam.

Zaak D

In zaak D, feit 1 wordt verdachte ervan beschuldigd dat hij zich op 6 mei 2026 in Amsterdam tegen drie politieambtenaren heeft verzet bij zijn aanhouding, terwijl dit bij twee politieambtenaren lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.

Daarnaast wordt hij er in feit 2 van beschuldigd dat hij op 6 mei 2026 in Amsterdam een politieambtenaar heeft bedreigd door een fiets voor zijn auto te gooien.

De volledige tekst van de tenlasteleggingen is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat het tenlastegelegde kan worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd tegen een bewezenverklaring van het in zaak A, B, C en D onder 1 tenlastegelegde. Verdachte moet worden vrijgesproken van de bedreiging van de politieambtenaar (zaak D, feit 2), omdat opzet niet kan worden bewezen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak van bedreiging (zaak D, onder 2)

De rechtbank acht de bedreiging niet bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat het gooien van een fiets voor een auto, gezien de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden, geen redelijke vrees voor zwaar lichamelijk letsel of enig misdrijf tegen het leven gericht heeft kunnen doen opwekken.

3.3.2.

Bewezenverklaring zaak A, zaak B, zaak C en zaak D, onder 1

Op basis van de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte de winkelartikelen bij [supermarkt 1] en [supermarkt 2] heeft gestolen, de fiets van [scooterverhuur] heeft verduisterd en met geweld in verzet is gegaan tegen drie politieambtenaren tijdens zijn aanhouding. De geweldshandelingen van verdachte hebben bij politieambtenaar [opsporingsambtenaar 1] pijn en bij politieambtenaar [opsporingsambtenaar 2] een wond aan de arm tot gevolg gehad.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezenverklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, omdat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

De bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens slechts gebruikt voor het bewijs van dat feit of die feiten waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.

Ten aanzien van zaak A, zaak B, zaak C en zaak D onder 1:

1. De bekennende verklaring die verdachte op de zitting van 12 augustus 2026 heeft afgelegd.

Ten aanzien van zaak A:

2. Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 1] met nummer PL1300-2026099576-6 van 21 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pagina’s 5 t/m 7.

Ten aanzien van zaak B:

3. Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 2] met nummer 260424-3238-292 van 24 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 4] , doorgenummerde pagina’s 11 t/m 12.

Ten aanzien van zaak C:

4. Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 3] met nummer PL1300-2025233836-3 van 17 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 5] , doorgenummerde pagina’s 5 t/m 7.

Ten aanzien van zaak D, onder 1:

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026113788-6 van 6 mei 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 6] , doorgenummerde pagina’s 14 t/m 18.

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026113788-8 van 6 mei 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina’s 22 t/m 24.

7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026113788-14 van 6 mei 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina 29.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3.2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Zaak A

op 21 april 2026 te Amsterdam winkelartikelen die aan winkelketen [supermarkt 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak B

op 24 april 2026 te Amsterdam winkelartikelen die aan winkelketen [supermarkt 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak C

op 11 september 2025 te Amsterdam opzettelijk een elektrische fiets toebehorende aan de [scooterverhuur] en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten om een proefrit te maken, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Zaak D

1

op 6 mei 2026 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, te weten [opsporingsambtenaar 1] (hoofdagent bij de Eenheid Amsterdam) en [opsporingsambtenaar 6] (brigadier bij de Eenheid Amsterdam) en [opsporingsambtenaar 2] (Buitengewoon Opsporingsambtenaar bij de Eenheid Amsterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten met aanhouding van verdachte of het overbrengen van de verdachte naar een cel belast, door (met kracht)

- zich proberen los te trekken uit de greep van die [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 6] en/of [opsporingsambtenaar 2] en

- in de richting van die [opsporingsambtenaar 6] trappende bewegingen te maken en

- die [opsporingsambtenaar 1] tegen zijn schoen te trappen en

- die [opsporingsambtenaar 1] te krabben,

terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten pijn aan de arm van die [opsporingsambtenaar 1] en een snee op de arm van die [opsporingsambtenaar 2] , ten gevolge heeft gehad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar.

7.2.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft primair verzocht om opnieuw een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, in combinatie met een gevangenisstraf langer dan de duur van het voorarrest, zodat de reclassering een indicatiestelling voor een klinische behandeling kan gaan regelen. Tijdens de vorige zitting in maart 2026, oordeelde de rechtbank dat niet aan de zachte ISD-criteria was voldaan. Sindsdien is behandeling nog niet opgestart. Hierdoor is op dit moment feitelijk nog steeds niet aan die zachte criteria voldaan. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht in ieder geval te bepalen dat er na zes maanden een tussentijdse toets plaatsvindt.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan winkeldiefstal van meerdere producten. Daarnaast heeft hij een fiets verduisterd door na een veronderstelde proefrit de fiets niet meer terug te brengen, maar te verkopen. Dit zijn hinderlijke feiten die in de maatschappij in het algemeen, en bij de bedrijven in het bijzonder, overlast en schade veroorzaken. Verder heeft verdachte zich met geweld tegen drie politieambtenaren in functie verzet, hetgeen pijn en een snee op een arm tot gevolg heeft gehad. Dit gedrag getuigd van een gebrek aan respect voor (het openbaar) gezag.

Persoon van de verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 2 juli 2026 blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden onderhavige feiten te plegen. Bovendien blijkt dat verdachte kampt met verslavingsproblematiek. Dat is zorgelijk en vereist een concrete en ingrijpende aanpak om dit gedrag in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen.

Advies reclassering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 3 augustus 2026, opgemaakt door reclasseringswerker [reclasseringswerker] . In het rapport, inclusief verwijzing naar het ISD-rapport van 18 maart 2026, staat zakelijk weergegeven onder meer het volgende.

Na de echtscheiding in 2022 met de moeder van zijn zoon, ging het slecht met verdachte en ontstonden er zowel psychische problemen als verslavingsproblematiek in de vorm van misbruik van alcohol en cocaïne, hetgeen uiteindelijk resulteerde in crackgebruik. Er is sprake van een patroon van vermogensdelicten, dat samenhangt met deze verslavingsproblematiek.

Bij verdachte is sprake van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden, met de verslavingsproblematiek en psychische problematiek als grootste risicofactoren. Hij beschikt daarnaast niet over een zinvolle dagbesteding en kampt met forse schuldenproblematiek ter hoogte van ongeveer € 150.000,-, waarvoor hulpverlening geïndiceerd is. Gelet op voornoemde factoren wordt het risico op recidive door de reclassering als hoog ingeschat.

Het is verdachte op eigen kracht niet gelukt zijn problematiek onder controle te krijgen, waarna er in het afgelopen jaar middels meerdere reclasseringstoezichten is gepoogd hulpverlening op te starten en zijn leven te stabiliseren. De contactmomenten zijn echter minimaal geweest wegens detenties door recidive, het niet verschijnen op afspraken en uit contact blijven met de toezichthouder. In oktober 2025 zag de reclassering geen mogelijkheden meer voor begeleiding in een ambulant kader en voldeed betrokkene volgens de reclassering aan de criteria voor oplegging van de ISD-maatregel. Desondanks kreeg hij een laatste kans middels een schorsingstoezicht en een zelf georganiseerde klinische opname in Thailand. Op de dag van terugkomst in Nederland is hij teruggevallen in drugsgebruik. Hij onttrok zich aan contact met de reclasseringen en is in februari 2026 opnieuw gerecidiveerd. In april 2026 is door de rechtbank een voorwaardelijke ISDmaatregel opgelegd. Hierna is verdachte nog tweemaal gerecidiveerd. Beide keren kreeg hij een nieuwe kans bij de rechter-commissaris en werd hij geschorst uit de preventieve hechtenis, maar bij een derde recidive in mei 2026 werd de verlenging van de voorlopige hechtenis bevolen. Als de reclassering verdachte in juli 2026 wil bezoeken in de PI, wordt het gesprek voortijdig afgebroken omdat verdachte steeds harder begint te schreeuwen en geen wederkerig gesprek mogelijk is. Gelet op voorgaande acht de reclassering het risico op onttrekking aan voorwaarden ook hoog.


De reclassering meent dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel geïndiceerd is voor de duur van twee jaar om verdachtes problematiek en het patroon van delictgedrag te doorbreken. Zij acht forensische behandeling ten aanzien van zijn verslavingsproblematiek en psychische problematiek en het verkrijgen van actuele diagnostiek noodzakelijk om passende hulpverlening te kunnen bieden aan verdachte. Volgens de reclassering is verdachte niet zelfstandig in staat gebleken om stabiliteit te creëren op de verschillende leefgebieden en zijn problematiek zelfstandig te doorbreken. Ook middels een ambulant drangkader is dit niet gelukt en betrokkene vertoont weerstand tegen het verplichte kader, hetgeen de samenwerking bemoeilijkt. Alleen de inzet van een gedwongen kader heeft op dit moment nog de potentie om de problematiek beheersbaar te maken en het recidiverisico te verlagen.

Op de zitting van 12 augustus 2026 heeft reclasseringswerker [reclasseringswerker] de inhoud van het rapport en de daarin geformuleerde adviezen bevestigd.

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van voornoemd rapport en neemt het advies van de reclassering over.

Oplegging van de ISD-maatregel

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.

Uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies en het strafblad blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer actieve veelpleger die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten.

Verder is de rechtbank van oordeel dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. Gelet op het hoge recidiverisico vindt de rechtbank het primaire verzoek van de raadsvrouw om verdachte opnieuw een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, geen reële optie. Er zijn geen mogelijkheden meer voor het inzetten van interventies binnen een voorwaardelijk kader. Daarnaast heeft verdachte de kans die hem de vorige keer is geboden niet benut, zodat de rechtbank er geen vertrouwen in heeft dat een ambulant kader toereikend zal zijn.

In het licht van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. Eerder opgelegde straffen en de oplegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel hebben niet geleid tot het terugdringen van recidive. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat nu voorop. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie volgen en een ISDmaatregel opleggen voor de duur van twee jaar. Om optimaal te kunnen werken aan het terugdringen van recidive en de problematiek van verdachte en de maatschappij te beschermen, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. De tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht, zal om die reden niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te bevelen dat de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel na zes maanden tussentijds dient te worden getoetst, als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht. Er is – mede gelet op de houding van verdachte – op dit moment geen aanleiding te verwachten dat het recidivegevaar duidelijk eerder dan de op te leggen twee jaren voldoende zal zijn ingedamd. Mochten deze omstandigheden er in een later stadium wel zijn, dan kan door de verdediging alsnog om een tussentijdse toetsing worden verzocht.

8 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [opsporingsambtenaar 6] zal in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte voor het in zaak D onder 2 tenlastegelegde geen straf of maatregel is opgelegd.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 13/241128-25 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 8 april 2026 van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een voorwaardelijke ISD-maatregel met een proeftijd van twee jaren.

De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 13-170734-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 27 mei 2024 van de politierechter van deze rechtbank. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien dagen met aftrek van voorarrest waarvan vijf dagen voorwaardelijk

met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel en het voorwaardelijke strafdeel afwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Hierdoor is tenuitvoerlegging niet opportuun.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 63, 181, 310 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak D onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A, zaak B, zaak C en zaak D onder 1 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A en zaak B bewezenverklaarde:

- telkens: diefstal

Ten aanzien van het in zaak C bewezenverklaarde:

- verduistering

Ten aanzien van het in zaak D onder 1 bewezenverklaarde:

- wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Verklaart [opsporingsambtenaar 6] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Wijst de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met parketnummers 13/241128-25 en 13/170734-24 af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. L.F. Bögemann en M.E. Kleinherenbrink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 augustus 2026.

[…]