Strafrecht overig

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Oplegging ISD-maatregel voor de duur van…

Rechtbank Amsterdam, 26 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 26 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
26 augustus 2026
Datum publicatie
15 september 2026
Zaaknummer
13/147085-26 (zaak A) en 15/076660-26 (zaak B)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:9240
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Oplegging ISD-maatregel voor de duur van twee jaar zonder aftrek voorarrest. Afwijzing vorderingen tul.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Team Strafrecht

Parketnummers: 13/147085-26 (zaak A) en 15/076660-26 (zaak B) (ttz gevoegd)

Parketnummer vordering tul: 13/256585-25

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

gedetineerd in: [detentieadres] .

1 Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 12 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. van Eck Rasmussen en van hetgeen de raadsvrouw van verdachte, mr. T. de Wit, namens mr. L.M.A. Schwartz, naar voren heeft gebracht. Daarnaast is [reclasseringswerker] , reclasseringswerker bij reclassering Inforsa, als deskundige gehoord.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna respectievelijk zaak A en zaak B genoemd.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Zaak A

diefstal van een tosti-ijzer toebehorende aan [winkel] op 20 mei 2026 in Amsterdam;

Zaak B

diefstal van diverse winkelgoederen (waaronder bier en koek) toebehorende aan [winkel] op 14 maart 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer.

De volledige tekst van de tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de aangiftes en de bekennende verklaring van verdachte is bewezen dat verdachte de ten laste gelegde diefstallen heeft gepleegd.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Zaak A

op 20 mei 2026 te Amsterdam een tosti-ijzer dat aan winkelketen [winkel] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak B

op 14 maart 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer diverse winkelgoederen (waaronder bier en koek) die aan [winkel] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.

Eis van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar.

7.2.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft primair verzocht de ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen. Verdachte heeft twee keer eerder een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd gekregen, maar dit heeft niet geleid tot positieve gedragsverandering en is dus onvoldoende effectief gebleken. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de ISD-maatregel op te leggen voor de duur van één jaar. In dat jaar kan klinische behandeling plaatsvinden, waarna verdachte samen met de hulpverlening zijn leven weer kan oppakken.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Dit zijn hinderlijke feiten die in de maatschappij in het algemeen, en voor winkeliers in het bijzonder, financiële schade en overlast veroorzaken.

Persoon van de verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 2 juli 2026 blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar veelvuldig is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden onderhavige winkeldiefstallen te plegen.

Advies reclassering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 29 juli 2026, opgemaakt door [reclasseringswerker] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.

Bij verdachte is jarenlang sprake van een patroon in het plegen van vermogensdelicten om te kunnen voorzien in zijn hardnekkige harddrugsverslaving. Daarnaast zijn er verschillende risico verhogende factoren, zoals een ongezonde woonsituatie, het ontbreken van vaste dagbesteding, schuldenproblematiek, het ontbreken van een steunend sociaal netwerk en problematiek op het gebied van psychosociaal functioneren.

De huidige woonplek van verdachte bij [locatie begeleid wonen] , lijkt een negatieve invloed op verdachte te hebben. Het betreft een plek waar personen met meervoudige psychiatrische- en verslavingsproblematiek verblijven en waar drugsgebruik is toegestaan. De woonbegeleiders van verdachte adviseren om verdachte, na een eventuele klinische opname, op een middelenvrije woonlocatie ver buiten Amsterdam te plaatsen.

In diverse kaders is de afgelopen jaren geprobeerd om toe te werken naar gedragsverandering, maar deze hebben niet geleid tot vermindering van het middelengebruik en recidive. Verdachte is eind maart 2025 uit een ISD-maatregel gestroomd en heeft daarna een reclasseringstoezicht gehad tot maart 2026. Verdachte toonde zich wisselend afsprakentrouw in het kader van de meldplicht. Ook gaf hij tijdens het toezicht consequent aan dat hij geen veranderwens had met betrekking tot zijn middelengebruik. Recent liet verdachte weten open te staan voor een nieuw reclasseringstraject en sprak hij de wens uit om abstinent te blijven van middelen. Uit dossierinformatie is echter gebleken dat sprake is van een patroon waarbij verdachte tijdens detentie aangeeft abstinent te willen blijven, maar eenmaal buiten detentie direct terugvalt in middelengebruik. Dit gebeurde ook tijdens de extramurale fase van zijn laatste ISD-maatregel. Eerdere ambulante en klinische trajecten hebben eveneens niet geleid tot langdurige periodes van abstinentie.

De reclassering heeft bij verdachte onvoldoende motivatie tot gedragsverandering gezien om hem opnieuw in een ambulant kader te kunnen begeleiden. Ook indien verdachte langdurig klinisch opgenomen wordt, zal het zeer lastig worden om een passende vervolgplek bij een begeleid wonen instelling te vinden. Al met al zijn volgens de reclassering bijzondere voorwaarden niet uitvoerbaar en ziet zij geen mogelijkheden meer om verdachte in een toezicht te begeleiden.

De reclassering acht een klinische opname in een zorginstelling binnen een ISD-traject het meest passend. Bij een klinische opname in een zorginstelling binnen een regulier reclasseringstraject bestaat een groot risico dat verdachte na de klinische opname op straat komt te staan, omdat momenteel sprake is van zeer lange wachtlijsten (van minimaal één jaar) voor begeleid wonen in [plaats]. Bij terugval in middelen tijdens een klinische opname binnen een ISD-maatregel, kan verdachte worden teruggeplaatst in de penitentiaire inrichting. Met de ISD-maatregel wordt in ieder geval het eerste doel van de maatregel bereikt, namelijk de bescherming van de maatschappij. Op het tweede gedeelte, namelijk resocialisatie, heeft verdachte zelf invloed. Als hij meewerkt aan de mogelijkheden die de ISD-maatregel te bieden heeft, waaronder de klinische opname in een zorginstelling gericht op zijn harddrugsverslaving, kan dit mogelijk het recidiverisico positief beïnvloeden.

Op de zitting is reclasseringswerker [reclasseringswerker] als deskundige gehoord. Zij heeft de inhoud van het rapport bevestigd en heeft verklaard dat het advies van de reclassering tot oplegging van een ISD-maatregel onveranderd is.

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van voornoemd rapport en neemt het advies van de reclassering over.

Op te leggen maatregel

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISDmaatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte twee misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van verdachte van 2 juli 2026 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen.

Uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies blijkt daarnaast dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit het strafblad volgt ook dat is voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten.

Verder is de rechtbank van oordeel dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. Verdachte heeft tweemaal eerder een onvoorwaardelijke ISDmaatregel opgelegd gekregen en daarnaast verschillende ambulante en klinische trajecten gevolgd, wat niet heeft geleid tot de nodige gedragsverandering. De rechtbank heeft er daarom onvoldoende vertrouwen in dat een klinische opname binnen een ambulant kader of een ISD-maatregel voor de duur van één jaar, zoals voorgesteld door de raadsvrouw, kans van slagen heeft.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist. De rechtbank vindt oplegging van de ISDmaatregel daarnaast wenselijk en noodzakelijk om de door de wetgever beoogde doelen van de ISD-maatregel te realiseren, namelijk het doorbreken van het overlast veroorzakende delictgedrag van verdachte en het beveiligen van de maatschappij. Zij zal daarom aan verdachte de ISDmaatregel opleggen.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISDmaatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

8 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 13/256585-25 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 9 februari 2026 van de politierechter van deze rechtbank. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is aan verdachte per post toegezonden.

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel afwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Hierdoor is tenuitvoerlegging niet opportuun.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde in zaak A en B levert op:

- telkens: diefstal

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/256585-25 af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. L.F. Bögemann en M.E. Kleinherenbrink, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. G. Brokkelkamp, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 augustus 2026.