Strafrecht overig

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal van tandpasta en deodorant. Geboden kans…

Rechtbank Amsterdam, 26 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 26 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
26 augustus 2026
Datum publicatie
15 september 2026
Zaaknummer
13/145993-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:9241
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal van tandpasta en deodorant. Geboden kans repatriëring doorkruist door onverwachte vrijlating uit detentie. De rechtbank gaat daarom mee in het voorstel van de raadsvrouw en legt in plaats van een ISD-maatregel een gevangenisstraf van 107 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht op.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Team Strafrecht

Parketnummer: 13/145993-26

Parketnummers vorderingen tul: 13/006872-26 en 13/142351-25

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in: [detentieadres].

1 Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 12 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. van Eck Rasmussen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. T. de Wit, namens mr. L.M.A. Schwartz, naar voren hebben gebracht.

2 Beschuldiging

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 19 mei 2026 in Amsterdam tandpasta en deodorant van [supermarkt] heeft gestolen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat het tenlastegelegde kan worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd tegen een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van 17 tubes tandpasta en 3 bussen deodorant bij [supermarkt]. De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de hierna genoemde bewijsmiddelen. Omdat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

1. De bekennende verklaring die verdachte op de zitting van 12 augustus 2026 heeft afgelegd.

2. Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 1] met nummer 260519-1193498 van 19 mei 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar], doorgenummerde pagina’s 4 t/m 5.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 19 mei 2026 te Amsterdam(een grote hoeveelheid) tandpasta en deodorant die aan het winkelbedrijf [supermarkt] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft verzocht om een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 107 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zodat verdachte nog een laatste kans wordt geboden om in samenwerking met AMOC terug te keren naar [geboorteland]. Verdachte heeft tot en met de zittingsdatum van 12 augustus 2026 86 dagen in voorlopige hechtenis gezeten, zodat verdachte na einduitspraak op 26 augustus 2026 nog zeven dagen moet uitzitten. Dat is voldoende tijd voor AMOC om alles in gereedheid te brengen.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal van tandpasta en deodorant. Dit is een hinderlijk feit dat in de maatschappij in het algemeen, en bij de supermarkt in het bijzonder, overlast en schade veroorzaakt. Uit het strafblad van verdachte van 2 juli 2026 blijkt dat hij al meerdere keren is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Advies reclassering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 19 juli 2026, opgemaakt door reclasseringswerker [persoon 2]. In het rapport staat zakelijk weergegeven onder meer het volgende.

Verdachte is een zogenoemde veelpleger en voldoet ondertussen aan de criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel. Verdachte kampt met meerdere risicofactoren, waaronder het ontbreken van vaste huisvesting, een legaal inkomen, stabiel werk en een steunend sociaal netwerk. Sinds zijn komst naar Nederland in 2017 is het verdachte niet gelukt om een gedegen zelfstandig bestaan op te bouwen en te voldoen aan de aan de eisen van lang verblijf in Nederland, zoals het inschrijven op een woonadres en het verrichten van (legaal) werk om zichzelf te onderhouden.

Meerdere repatriëringstrajecten naar [geboorteland] met behulp van Stichting AMOC zijn opgestart, maar deze hebben geen duurzame verandering bewerkstelligd. Zo kwam hij enkele maanden na repatriëring weer terug naar Nederland en volgde wederom nieuwe recidive. De motivatie van verdachte voor verandering wordt door de reclassering daarom als twijfelachtig beoordeeld.

Ondanks een rechtmatig verblijf op basis van EU-status, ontbreekt de noodzakelijke sociale en materiële binding met Nederland die een effectief reclasseringstoezicht mogelijk zou maken. Samenvattend acht de reclassering het risico op recidive hoog en de mogelijkheden voor toezicht en begeleiding in Nederland ontoereikend.

Bij een veroordeling vindt de reclassering dat er twee opties overwogen kunnen worden voor de afdoening. De toepassing van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel of het nogmaals bieden van een kans om met behulp van Stichting AMOC te repatriëren naar [geboorteland].

Een ISD-maatregel wordt gezien als een mogelijk antwoord op de voortdurende strafbare feiten. De ISD-maatregel biedt de mogelijkheid om verdachte langere tijd aan het strafrechtelijk toezicht te onderwerpen, zodat het recidiverisico kan worden beperkt. Echter, omdat verdachte nauwelijks binding heeft met Nederland, worden de mogelijkheden voor succesvolle interventie binnen detentie als beperkt ingeschat. Tijdens de ISD-maatregel zal wellicht gewerkt gaan worden aan terugkeer naar land van herkomst.

Het alternatief is het nogmaals bieden van een repatriëringstraject via Stichting AMOC, waarbij verdachte in [geboorteland] begeleiding en hulp kan krijgen bij het vinden van werk en het opbouwen van een bestaan. Zowel verdachte als Stichting AMOC geven aan open te staan voor zo’n traject en er is een concreet hulpaanbod. Eerdere ervaringen met zo’n traject stemmen echter kritisch. Verdachte is vorig jaar ook teruggekeerd naar [geboorteland] middels ditzelfde traject, maar kwam na enkele maanden weer terug naar Nederland en pleegde opnieuw strafbare feiten. Het is daarom de vraag of een nieuw repatriëringstraject nu wel tot een structurele oplossing leidt.

Verdachte heeft onlangs deze tweede kans nog gekregen, maar door een onverwachte eerdere vrijlating uit detentie met het verbod Nederland te verlaten, is deze repatriëring niet gelukt.

De op te leggen straf

Hoewel voldaan is aan alle voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt, ziet de rechtbank aanleiding om geen ISDmaatregel op te leggen. Gebleken is dat de geboden kans om met hulp van AMOC naar [geboorteland] terug te keren, is doorkruist door een onverwachte vrijlating uit detentie, waarbij verdachte Nederland niet mocht verlaten en zonder onderdak en inkomen de tijd tot aan de geplande (latere) repatriëring moest overbruggen. De rechtbank realiseert zich dat dit een onwenselijke en mede gezien zijn problematiek, onmogelijke situatie heeft veroorzaakt voor verdachte. Dat maakt dat zij verdachte nog een allerlaatste kans wil bieden om alsnog uitvoering te geven aan de opgelegde bijzondere voorwaarde bij vonnis van deze rechtbank op 2 april 2026 om met behulp van AMOC terug te keren naar [geboorteland].

De rechtbank zal daarom meegaan in het voorstel van de raadsvrouw en in plaats van een ISD-maatregel een gevangenisstraf van 107 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht opleggen. De rechtbank vindt deze straf passend gelet op het feit dat verdachte veelvuldig recidiveert in vermogensdelicten.

Zoals door de raadsvrouw is voorgesteld, betekent dit dat verdachte nog zeven dagen na de datum van deze uitspraak vast zal blijven zitten, hetgeen AMOC in de gelegenheid stelt om alles in gereedheid te kunnen brengen voor de repatriëring van verdachte. Verdachte kan dan op 2 september 2026 naar [geboorteland] terugkeren. De rechtbank merkt hierbij op dat indien verdachte geen gevolg geeft aan dit plan, alsnog tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel kan worden gevorderd door het Openbaar Ministerie.

8 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 13/006872-26 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 2 april 2026 van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een voorwaardelijke ISD-maatregel met een proeftijd van twee jaren.

De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 13/142351-25 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 1 juli 2025 van de politierechter van deze rechtbank. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van 110 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 55 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren.

De mededelingen als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering zijn aan verdachte per post toegezonden.

Nu aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd en hem nog een allerlaatste kans wordt geboden om naar [geboorteland] terug te keren, zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel (parketnummer 13/006872-26) afwijzen. Daarnaast zal zij als extra stok achter de deur de proeftijd van de voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 13/142351-25 met één jaar verlengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

- diefstal

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 107 (honderdzeven) dagen.

Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/006872-26 af.

De rechtbank verlengt in de zaak met parketnummer 13/142351-25 de proeftijd met 1 (één) jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. L.F. Bögemann en M.E. Kleinherenbrink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 augustus 2026.

[...]