Strafrecht overig

PIJ-beschikking. De vordering van de officier van justitie wordt toegewezen en de termijn van de…

Rechtbank Amsterdam, 11 september 2026

Zaakgegevens

Op 11 september 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
11 september 2026
Datum publicatie
16 september 2026
Zaaknummer
13/325853/20
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:9283
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

PIJ-beschikking. De vordering van de officier van justitie wordt toegewezen en de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt verlengd met 6 maanden.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummer: 13.325853.20

Beslissing op de vordering van 23 juli 2026 van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] ,

wonende te [BRP-adres] ,

die bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 10 maart 2022 is veroordeeld tot maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna ook: PIJ-maatregel of de maatregel).

De PIJ-maatregel is laatstelijk bij beslissing van deze rechtbank van 13 november 2025 met ingang van 15 september 2025 voorwaardelijk beëindigd, voor de duur van een jaar.

De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlengen van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met 6 (zes) maanden.

De procesgang

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

? de termijnbrief van 3 maart 2026;

? het voortgangsverslag van Fivoor van 23 maart 2026;

? het uitgebrachte Reclasseringsadvies van Fivoor van 16 juli 2026, strekkende tot een verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met 6 (zes) maanden.

De rechtbank heeft op 28 augustus 2026 de vordering in het openbaar behandeld.

Verschenen en gehoord zijn:

  • de officier van justitie, mr. D. Alsemgeest;

  • mr. E.K.B. Bijl, raadsvrouw van [veroordeelde] ;

  • dhr. [deskundige reclassering] als deskundige namens de reclassering Fivoor.

[veroordeelde] is niet verschenen.

De standpunten

Het advies van de deskundige

De deskundige heeft geadviseerd om de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met zes maanden te verlengen. [veroordeelde] heeft positieve stappen gemaakt, werk gevonden, volgt onderwijs aan het ROC en houdt zich aan alle opgelegde bijzondere voorwaarden. [veroordeelde] verwacht op korte termijn zijn eerste kindje, waar spanning bij komt kijken. De reclassering vindt een verlenging nog nodig zodat [veroordeelde] in de komende periode op praktisch- en emotioneel gebied verder ondersteund kan worden bij dit proces, waarbij ook Multipluszorg en waar nodig de Waag verder betrokken kunnen worden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met zes maanden. Het is belangrijk dat er met de spanning van het krijgen van een eerste kindje nog langer begeleiding voor [veroordeelde] blijft. Het is positief dat [veroordeelde] dit zelf ook inziet.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering. [veroordeelde] is niet aanwezig omdat hij bij zijn partner is, die elk moment zal kunnen bevallen.

De beoordeling

Gelet op het advies van de reclassering, het verhandelde in raadkamer en artikel 6:6:32 van het Wetboek van Strafvordering, is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de officier van justitie die strekt tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met zes maanden moet worden toegewezen.

[veroordeelde] heeft de afgelopen periode hard gewerkt en positieve stappen gezet. [veroordeelde] heeft werk gevonden en volgt onderwijs aan het ROC. Ook heeft de rechtbank begrepen dat hij zich aan alle opgelegde bijzondere voorwaarden houdt. Tegelijkertijd verwachten [veroordeelde] en zijn partner binnen hele korte termijn een eerste kindje, waar veel spanning bij komt kijken. Om te voorkomen dat [veroordeelde] mede vanwege deze spanning terugvalt in zijn oude gedrag, waarbij hij overgaat tot het snel willen verdienen van geld of opnieuw gaat blowen, is de komende tijd nog ondersteuning nodig. Deze ondersteuning kan geboden worden vanuit het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel. De rechtbank vindt het positief dat [veroordeelde] zelf ook inziet dat de komende zes maanden nog nodig zijn. De rechtbank hoopt dat [veroordeelde] de positieve ontwikkeling doorzet. De nieuwe situatie zal ongetwijfeld uitdagingen meebrengen en het is daarom van belang dat [veroordeelde] , wanneer dat nodig is, gebruikmaakt van de ondersteuning van de betrokken partijen en in gesprek blijft gaan over die eventuele spanningen.

De rechtbank gaat er op grond van de termijnbrief van 3 maart 2026 van uit dat het voorwaardelijk jaar eindigt op 18 september 2026. Gelet op het bepaalde in artikel 6:6:32, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging nog niet bereikt. De rechtbank zal daarom de voorwaardelijke beëindiging verlengen met zes maanden. Dit betekent dat de PIJ-maatregel, behoudens verdere verlenging, op 17 maart 2027 onvoorwaardelijk zal eindigen.

De voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd onder de eerder bepaalde en hieronder genoemde voorwaarden.

De beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering van de officier van justitie toe en verlengt de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [veroordeelde] met 6 (zes) maanden.

Stelt daarbij – op grond van artikel 77ta, eerste lid Wetboek van Strafrecht van rechtswege geldende – als algemene voorwaarden:

  • dat [veroordeelde] zich ten tijde van de voorwaardelijke beëindiging niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • dat [veroordeelde] ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en medewerking verleent aan het toezicht door de reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 14d tweede lid;

Stelt daarbij – op grond van artikel 77tb, derde lid, onder a Wetboek van Strafrecht – ambtshalve als bijzondere voorwaarden vast dat [veroordeelde] :

- meewerkt aan het toezicht door de reclassering, thans GGZ Reclassering Fivoor, waaronder wordt begrepen:

o [veroordeelde] meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.

o [veroordeelde] laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van [veroordeelde] vast te stellen.

o [veroordeelde] houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om [veroordeelde] te helpen bij het naleven van de voorwaarden.

o [veroordeelde] helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.

o [veroordeelde] werkt mee aan huisbezoeken.

o [veroordeelde] geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.

o [veroordeelde] vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.

o [veroordeelde] werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.

- niet naar het buitenland gaat of naar het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;

- zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. [veroordeelde] houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

- verblijft bij Multi Plus Zorg of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. [veroordeelde] houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

- openheid geeft over zijn financiën. Indien GGZ Reclassering Fivoor dit nodig acht, werkt [veroordeelde] mee aan budgetbeheer;

- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak [veroordeelde] wordt gecontroleerd;

- openheid geeft over zijn sociale netwerk en relaties. Indien GGZ Reclassering Fivoor dit nodig acht, werkt [veroordeelde] mee aan een IFA-coach van Levvel. Deze begeleiding richt zich op het sociale netwerk van [veroordeelde] en zijn weerbaarheid.

Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank door

mr. J.P.C. van Dam van Isselt, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. E. Dinjens en L.F. Bögemann, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 augustus 2026.