Strafrecht overig

PIJ-beschikking. De vordering van de officier van justitie wordt (gedeeltelijk) toegewezen en de maatregel…

Rechtbank Amsterdam, 28 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 28 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
28 augustus 2026
Datum publicatie
16 september 2026
Zaaknummer
13/665288/19
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:9287
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

PIJ-beschikking. De vordering van de officier van justitie wordt (gedeeltelijk) toegewezen en de maatregel wordt verlengd tot 28 augustus 2026. De rechtbank stelt vast dat met ingang van 28 augustus 2026 de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel voor de duur van één jaar aanvangt.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummer: 13.665288.19

Beslissing op de op 28 augustus 2026 ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

wonende te: [BRP-adres] ,

die bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 10 mei 2022 is veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna ook: PIJ-maatregel of maatregel).

De PIJ-maatregel is laatstelijk bij beschikking van deze rechtbank van 30 oktober 2025 voor de duur van 9 (negen) maanden verlengd.

De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlengen van de termijn van de maatregel met drie maanden, waarbij de maatregel per direct voorwaardelijk beëindigd wordt.

De procesgang

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

  • het op 25 maart 2026 op grond van artikel 14 van het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 uitgebrachte advies, strekkende tot verlenging van de maatregel met drie maanden, alsmede de daarbij overgelegde aantekeningen;

  • de e-mailwisseling van 21 augustus tot 24 augustus 2026 waarin verzocht is om de zitting naar voren te verplaatsen in verband met het overlijden van de vader van [veroordeelde] en de e-mail van [veroordeelde] met daarin zijn plan om naar Suriname te reizen van 24 augustus 2026;

  • het op 26 augustus 2026 uitgebrachte reclasseringsadvies, inhoudende het advies om de maatregel per direct te laten eindigen.

De rechtbank heeft de vordering op 28 augustus 2026 in het openbaar behandeld.

Verschenen en gehoord zijn:

  • [veroordeelde] , bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn;

  • mr. S. de Klerk, de officier van justitie;

  • mw. [psycholoog] , GZ-psycholoog verbonden aan RJJI de Hunnerberg in Nijmegen;

  • mw. [reclasseringsmedewerker] , reclasseringsmedewerker;

  • dhr. [medewerker Intellect Zorggroep] , namens de Intellect Zorggroep.

De standpunten

Het advies van de deskundigen

De deskundigen vanuit zowel RJJI de Hunnerberg als vanuit de reclassering adviseren de maatregel per vandaag voorwaardelijk te laten eindigen. [veroordeelde] doet het erg goed en er is geen sprake meer van een recidiverisico. Het is bovendien in [veroordeelde] ’s belang om de voorwaardelijke PIJ-maatregel per vandaag te laten eindigen, zodat hij volgende week naar Suriname kan reizen om daar afscheid te nemen van zijn overleden vader.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel met drie maanden. De officier van justitie is daarnaast van mening dat de PIJ-maatregel per direct voorwaardelijke beëindigd moet worden.. Er is geen sprake meer van een recidiverisico en [veroordeelde] moet in de gelegenheid worden gesteld om afscheid te nemen van zijn vader in Suriname.

Het standpunt van de verdediging

[veroordeelde] en zijn raadsman hebben de rechtbank verzocht te beslissen conform de vordering van de officier van justitie en daarnaast verzocht de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel per direct uit te spreken, zodat [veroordeelde] van 4 september 2026 tot 13 september 2026 naar Suriname kan reizen om daar samen met zijn familie afscheid te nemen van zijn vader.

De beoordeling

Een PIJ-maatregel kan op grond van artikel 6:6:31 lid 3 Wetboek van Strafvordering (Sv) juncto artikel 77s lid 1 sub b en c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) slechts verlengd worden indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van die maatregel eist en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [veroordeelde] .

De rechtbank stelt vast dat [veroordeelde] de positieve lijn die hij al had ingezet, de afgelopen periode heeft doorgezet. Er is op dit moment geen sprake meer van een recidiverisico. Door zowel de deskundige vanuit RJJI de Hunnerberg als de Reclassering Nederland wordt daarom geadviseerd om de PIJ-maatregel per direct voorwaardelijk te laten eindigen. De deskundigen benadrukken het belang voor [veroordeelde] om samen met zijn familie afscheid te kunnen nemen van zijn vader in Suriname. Dit is belangrijk, zeker nu [veroordeelde] zijn moeder ook al heeft verloren en destijds niet bij haar afscheid aanwezig kon zijn. Voor de rechtbank staat echter op de voorgrond dat [veroordeelde] zich de afgelopen jaren ten volle heeft ingezet voor zijn PIJ-maatregel en een zodanig grote verbetering heeft laten zien dat het recidiverisico nu verbleekt is. Hij heeft zijn leven steeds beter op orde, houdt zich aan alle afspraken en zet zich ook nu, buiten de inrichting, ten volle in om het goede pad te volgen. De deskundigen hebben zich dan ook op het standpunt gesteld dat het advies, ook voordat de vader van [veroordeelde] kwam te overlijden, al inhield dat de maatregel voorwaardelijk diende te worden beëindigd. Het overlijden van zijn vader heeft het proces enkel met een paar weken vervroegd. De officier van justitie en de raadsman van [veroordeelde] zijn ook de mening toebedeeld dat de maatregel voorwaardelijk dient te worden beëindigd.

[veroordeelde] heeft zich zeer gemotiveerd getoond en de rechtbank ziet voldoende aanleiding om hem het vertrouwen te geven om te laten zien dat hij de verantwoordelijkheid aankan en hij de positieve ontwikkeling buiten de kaders van het STP kan voortzetten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de veiligheid van anderen, de algemene veiligheid van personen of goederen, en het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [veroordeelde] , niet langer eisen dat de maatregel wordt verlengd. De rechtbank wijst daarom de vordering tot verlenging van de maatregel toe tot vandaag, 28 augustus 2026.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel van [veroordeelde] op 28 augustus 2026 voorwaardelijk wordt beëindigd. Wanneer [veroordeelde] de ingezette positieve lijn in de periode van de voorwaardelijke beëindiging voortzet en zich houdt aan de gestelde voorwaarden, zal de maatregel onvoorwaardelijk eindigen op 28 augustus 2027.

Bij de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel gelden van rechtswege op grond van artikel 77ta, eerste lid, Sr de hierna in de beslissing genoemde algemene voorwaarden. De rechtbank vindt het noodzakelijk dat naast deze algemene voorwaarden ook de bijzondere voorwaarden zullen gelden, zoals geadviseerd door de reclassering. [veroordeelde] heeft tijdens de zitting van 28 augustus 2026 te kennen gegeven dat zij zich hieraan wil houden. De rechtbank zal deze voorwaarden dan ook vastleggen in deze beschikking.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering van de officier van justitie (gedeeltelijk) toe en verlengt de maatregel tot 28 augustus 2026;

- stelt vast dat met ingang van 28 augustus 2026 de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel voor de duur van één jaar aanvangt;

- bepaalt dat gedurende dit jaar als bijzondere voorwaarden gelden:

  • Meewerken aan reclasseringstoezicht;

  • Niet naar het buitenland reizen behoudens met toestemming van de reclassering;

  • Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

  • Contactverbod;

  • Dagbesteding;

  • Beheersing van middelengebruik.

Meewerken aan reclasseringstoezicht

[veroordeelde] werkt mee aan het toezicht door de reclassering. Deze medewerking houdt onder andere in:

  • [veroordeelde] meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.

  • [veroordeelde] laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van [veroordeelde] vast te stellen.

  • [veroordeelde] houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om [veroordeelde] te helpen bij het naleven van de voorwaarden.

  • [veroordeelde] verstrekt de reclassering een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.

  • [veroordeelde] werkt mee aan huisbezoeken.

  • [veroordeelde] geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.

  • [veroordeelde] vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.

  • [veroordeelde] werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met [veroordeelde] , als dat van belang is voor het toezicht.

Niet naar het buitenland

[veroordeelde] gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.

Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

[veroordeelde] verblijft gedurende de voorwaardelijke beëindiging of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt bij Intellect Zorggroep of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. [veroordeelde] houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

Contactverbod

[veroordeelde] zoekt of heeft op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de volgende nabestaanden:

  • [nabestaande 1] , geboren op [geboortedatum 1]

  • [nabestaande 2] , geboren op [geboortedatum 2]

  • [nabestaande 3] , geboren op [geboortedatum 3]

  • [nabestaande 4] , geboren op [geboortedatum 4]

  • [nabestaande 5] , geboren op [geboortedatum 5]

  • [nabestaande 6] , geboren op [geboortedatum 6]

  • [nabestaande 7] , geboren op [geboortedatum 7] .

Dagbesteding

[veroordeelde] spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

Beheersing middelengebruik

[veroordeelde] werkt mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat [veroordeelde] :

1. zich voor het einde van de voorwaardelijke beëindiging niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

3. zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zo lang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en [veroordeelde] ten behoeve daarvan te begeleiden.

Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank door

mr. J.P.C. van Dam van Isselt, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. E. Dinjens en L.F. Bögemann, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 augustus 2026.