Strafrecht overig

Ten aanzien van zaak A heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven…

Rechtbank Amsterdam, 25 juni 2026

Zaakgegevens

Op 25 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
25 juni 2026
Datum publicatie
23 september 2026
Zaaknummer
13/224565-25 (zaak A) en 13/146212-26 (zaak B)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:9517
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ten aanzien van zaak A heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, het voorhanden hebben van een revolver en vijf patronen. Verdachte wordt vrijgesproken van de drugsverdenking. Ten aanzien van zaak B heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het rijden met een geschorst rijbewijs en het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen. Verdachte wordt vrijgesproken van rijden onder invloed. De rechtbank past het volwassenenstrafrecht toe, omdat de pedagogische mogelijkheden beperkt zijn en de inschatting is dat verdachte baat heeft bij een volwassen aanpak. Aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan de proeftijd worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals door de reclassering is geadviseerd.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/224565-25 (zaak A) en 13/146212-26 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 25 juni 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2006,

wonende op het adres [adres]

thans gedetineerd te: [detentieadres] ,

hierna: verdachte.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. S. van Driel, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T. Novaković, naar

voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Zaak A

Het op 15 augustus 2025 in Amsterdam:

  1. voorhanden hebben van een revolver;

  2. telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA en/of 2-MMC;

  3. bedreigen van [persoon] , door met een revolver op haar te richten en in haar richting te schieten;

  4. voorhanden hebben van vijf patronen.

Zaak B

Het op 20 mei 2026 in Amsterdam

  1. besturen van een motorrijtuig, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst;

  2. opzettelijk aanwezig hebben van MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne;

  3. besturen van een voertuig terwijl hij verkeerde onder invloed van cannabis/THIC/marihuana/hasj.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich met betrekking tot zaak A op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat het aanwezig hebben van de verdovende middelen kan worden bewezen.

Met betrekking tot zaak B heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde rijden met een geschorst rijbewijs en bezit van harddrugs wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde rijden onder invloed heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd, omdat de uitslag van het bloedonderzoek ontbreekt in het dossier.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot zaak A op het standpunt gesteld dat van het onder feit 2 ten laste gelegde enkel het aanwezig hebben van de harddrugs kan worden bewezen. Ook voor de tenlastegelegde bedreiging (feit 3) heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat de bedreiging niet kan worden bewezen.

Voorts heeft de raadsvrouw zich met betrekking tot zaak B op het standpunt gesteld dat het rijden onder invloed (feit 3) niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en daarom vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de uitslag van het bloedonderzoek ontbreekt in het dossier en dat de politie geen uiterlijke kenmerken heeft waargenomen waaruit blijkt dat verdachte onder invloed van drugs verkeerde.

Ten aanzien van zaak A, feit 1 en 4, en zaak B, feit 1 en 2, heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank zaak A

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Bezit vuurwapen, munitie en bedreiging

Op 15 augustus 2025 ontvangen verbalisanten een melding van een schietincident in Amsterdam. De onbekend gebleven melder heeft een persoon met een vuurwapen zien schieten. De melder verklaart verder dat de persoon in een Tesla met kenteken [kenteken 1] zit. De ter plaatse gekomen verbalisanten zien vervolgens een persoon uit de lift van een gebouw komen, waarna deze het voertuig met kenteken [kenteken 1] opent en plaatsneemt aan de bestuurderszijde. Deze persoon wordt aangehouden en blijkt verdachte te zijn. Kort daarna zien de verbalisanten dat de deuren van de lift weer opengaan en er een vuurwapen in de lift ligt. Na onderzoek aan het wapen blijkt dit een omgebouwde revolver te zijn, die in originele staat geschikt is voor gas-knalpatronen, maar nu ook scherpe patronen kan verschieten. Op de plek waar verdachte geboeid heeft gelegen worden vijf patronen aangetroffen, die passend zijn voor het aangetroffen vuurwapen. Daarbij heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij het vuurwapen heeft vastgepakt, de patronen eruit heeft gehaald en in zijn zak heeft gestoken.

[persoon] heeft verklaard dat verdachte, nadat ze ruzie kregen, een vuurwapen trok en op de grond voor haar voeten schoot. De verklaring van [persoon] vindt steun in de verklaring van de melder, die immers verklaart dat verdachte heeft geschoten. Het NFI heeft onderzoek gedaan naar een DNA-spoor dat is aangetroffen op de trekker en op de gehele zijkant van het vuurwapen. Uit de resultaten van dit onderzoek trekt de rechtbank de conclusie dat dit DNA van (onder andere) verdachte afkomstig is. Daarnaast trekt de rechtbank uit het schotrestenonderzoek door het NFI de conclusie dat er schotresten op de handen van verdachte zaten toen die op de pleegdatum werden onderzocht.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij het vuurwapen niet op 15 augustus 2025 voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht deze verklaring, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, niet geloofwaardig.

De rechtbank stelt vast dat voormelde gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren. Het tonen van een vuurwapen is naar zijn aard al geschikt om redelijke vrees voor een tegen het leven gericht misdrijf of zware mishandeling teweeg te brengen. Daarbij heeft verdachte in dit geval het vuurwapen ook nog afgevuurd. Nu de rechtbank vaststelt dat verdachte met het vuurwapen heeft geschoten, staat daarmee tevens vast dat hij het vuurwapen en de daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden om ten aanzien van de bedreiging het onderdeel van de tenlastelegging ‘op die [persoon] te richten’ bewezen te verklaren. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

De rechtbank is concluderend van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 3) en het voorhanden hebben van een revolver (feit 1) en vijf patronen (feit 4).

Vrijspraak ten aanzien van de drugsverdenking (feit 2)

Direct na zijn aanhouding heeft verdachte verklaard dat hij drugs in zijn schoenen en onderbroek had zitten. Vervolgens is verdachte gefouilleerd en zijn op harddrugs lijkende stoffen bij hem aangetroffen. Het strafdossier bevat rapporten van het NFI waarin stoffen zijn onderzocht die cocaïne, amfetamine, MDMA en 2-MMC bevatten, maar de rechtbank kan niet vaststellen dat dit de bij verdachte aangetroffen stoffen zijn. De connectie tussen de bij verdachte aangetroffen stoffen en de bij het NFI onderzochte stoffen – de chain of evidence – ontbreekt. Dit leidt tot vrijspraak voor de drugsverdenking.

3.3

Oordeel van de rechtbank zaak B

3.3.1

Vrijspraak van onder 3 ten laste gelegde (rijden onder invloed)

Uit het dossier volgt dat verdachte een Suzuki Swift met kenteken [kenteken 2] heeft bestuurd, waarna hij is onderworpen aan een indicatieve speekseltest, die een positief resultaat gaf voor cannabisgebruik. Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde dient echter vast te staan dat verdachte ten tijde van het besturen van het voertuig een hoeveelheid THC in zijn bloed heeft gehad die de wettelijke grenswaarde overschrijdt. In het dossier bevindt zich echter geen rapport waaruit volgt dat het bloed van verdachte is onderzocht, teneinde vast te stellen hoeveel THC zich in zijn bloed bevond.

Gelet op het ontbreken van (de uitslag van) het bloedonderzoek, acht de rechtbank

– met de officier van justitie en de raadsvrouw – niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het rijden onder invloed. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

3.3.2

Feit 1 (rijden met geschorst rijbewijs)

Uit het dossier volgt dat verbalisanten verdachte op 20 mei 2026 een auto hebben zien besturen. Zijn rijbewijs was op dat moment geschorst. Uit het dossier volgt verder dat verdachte op 18 mei 2026 in een eerder politieverhoor is meegedeeld dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. De rechtbank stelt vast dat verdachte derhalve op de hoogte was van de schorsing van zijn rijbewijs. De verklaring van verdachte ter terechtzitting, dat hij weliswaar heeft gereden maar niet op de hoogte was van de schorsing van zijn rijbewijs, acht de rechtbank dan ook onaannemelijk. De rechtbank stelt daarmee op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen vast dat verdachte op 20 mei 2026 in Amsterdam een motorrijtuig heeft bestuurd, terwijl het rijbewijs van verdachte was geschorst en acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

3.3.3

Feit 2 (aanwezig hebben drugs)

De rechtbank is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Nu verdachte dit feit ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan:

  • een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2026127478-8, d.d. 20 mei 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pag. 22 t/m 30;

  • een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026127478-5 van 20 mei 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] , doorgenummerde pag. 6 t/m 9.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van zaak A

1

op 15 augustus 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Bruni, model Olympic 38, kaliber .22LR (ombouw gas/knal 6mm naar scherp .22LR),

zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver, voorhanden heeft gehad;

3

op 15 augustus 2025 te Amsterdam [persoon] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door:

- een revolver te trekken en

- met die revolver (op de grond) voor de voeten van die [persoon] te schieten;

4

op 15 augustus 2025 te Amsterdam munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijf, patronen van het kaliber .22 longrifle voorhanden heeft gehad.

ten aanzien van zaak B

1

op 20 mei 2026 te Amsterdam, terwijl hij wist dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Mauritskade, een motorrijtuig, (een personenauto, van het merk Suzuki (Swift), kenteken [kenteken 2] ), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd;

2

op 20 mei 2026 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de grote impact die de voorlopige hechtenis op verdachte heeft, alsmede met diens persoonlijke omstandigheden. De verdediging verzoekt de rechtbank geen nadere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar te volstaan met een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Volwassenstrafrecht

In navolging van het reclasseringsadvies van 26 mei 2026 past de rechtbank het volwassenstrafrecht toe, omdat de pedagogische mogelijkheden beperkt zijn en de inschatting is dat verdachte baat heeft bij een volwassen aanpak.

Strafoplegging

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige feiten. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een vuurwapen, waarbij hij dit vuurwapen in een woonwijk daadwerkelijk heeft afgevuurd, dichtbij het slachtoffer. Dat dit gevaar heeft opgeleverd en gemakkelijk veel ernstiger had kunnen aflopen, rekent de rechtbank verdachte aan. Daarnaast heeft verdachte – terwijl hij geschorst was – een flinke hoeveelheid harddrugs voorhanden gehad en een auto bestuurd terwijl hij wist dat zijn rijbewijs was geschorst. Harddrugs zijn zeer schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers daarvan. Bovendien gaan het gebruik van en de handel in verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van (zware) criminaliteit, waardoor angst leeft en de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Het gebruik ervan is in toenemende mate ontwrichtend voor de samenleving.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Strafoplegging die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken. Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een revolver is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Bedreiging door het enkel tonen van een vuurwapen levert volgens de oriëntatiepunten zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft ook nog geschoten. De rechtbank weegt dat in strafverzwarende zin mee.

Het oriëntatiepunt voor het aanwezig hebben van harddrugs tussen de 10-50 gram bij een first offender is een taakstraf van 100 uren. Daarnaast lijkt het dossier te wijzen op de handel in drugs, gezien de hoeveelheden, de verschillende soorten en de inhoud van de telefoon van verdachte.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het strafblad van verdachte van

1 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor bedreiging. Gelet hierop is sprake van recidive en zal dat in strafverzwarende zin worden meegewogen.

De bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen gezien het bovenstaande een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft echter ook kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 26 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte hulp nodig heeft op veel leefgebieden, zoals middelengebruik, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren, dagbesteding en financiën. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf met daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden op te leggen. Omdat verdachte nog jong is en de rechtbank de zorgen van de reclassering deelt en er waarde aan hecht dat hij de verschillende risico’s op herhaling in zijn leven blijvend het hoofd kan bieden, ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen. Daaraan zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, zodat de reclassering verdachte hierbij kan ondersteunen.

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan de proeftijd worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals door de reclassering is geadviseerd.

8 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:

Zaak A

  1. Apple iPhone 16 (PL1300-2025204654-6697874);

  2. 13 stuks Verdovende mid (Lsd) (PL1300-2025204654-6697885)

  3. 10 stuks Verdovende mid (PL1300-2025204654-6697884)

  4. 5 stuks Verdovende mid (Ghb) (PL1300-2025204654-6697881)

  5. 35 stuks Verdovende mid (Xtc) (PL1300-2025204654-6697880)

  6. 1 STK Verdovende mid (Hashish) (PL1300-20252 04 654-669791)

  7. 2 stuks Verdovende mid (PL1300-2025204654-6697904)

  8. 1 STK Verdovende mid (Xtc) (PL1300-2025204654-6697903)

Zaak B

9) 6 6 stuks Verdovende mid (PL1300-2026127478-6816299)

9) 6 6 stuks Verdovende mid (PL1300-2026127478-6816301)

9) 6 8 stuks Verdovende mid (PL1300-2026127478-6816302)

9) 6 1 STK Verdovende mid (PL1300-2026127478-6816303)

9) 6 21 stuks Verdovende mid (PL1300-2026127478-6816307)

9) 6 Suzuki Swift; 1.3 Auto (PL1300-2026127439-6816295)

8.1

Standpunten

De officier van justitie heeft gevorderd dat de iPhone moet worden verbeurdverklaard, de drugs moeten worden onttrokken aan het verkeer en de auto moet worden geretourneerd aan verdachte.

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de iPhone, evenals de auto moeten worden geretourneerd aan verdachte.

8.2

Oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

Het voorwerp onder nummer 1 behoort aan verdachte toe. Nu dit voorwerp is bestemd tot het plegen van het bewezenverklaarde, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.

Onttrekken aan het verkeer

De drugs zullen worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en/of dat deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Retour aan verdachte

De auto zal worden geretourneerd aan verdachte.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 55, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;

9 Wegenverkeerswet 1994;

2, 10 Opiumwet;

26, 55 Wet wapens en munitie.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A

ten aanzien van feit 1 en 3:

eendaadse samenloop van:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

ten aanzien van feit 4:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Zaak B

ten aanzien van feit 1:

overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet:

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.

Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en agressiebeheersing. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

Contactverbod

Dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [persoon] , geboren op [geboortedag 2] 2002.

Dagbesteding

Dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

Beheersing middelengebruik

Dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen:

Verklaart verbeurd:

Apple iPhone 16 (PL1300-2025204654-6697874);

Verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende goederen:

13 stuks Verdovende mid (Lsd) (PL1300-2025204654-6697885)

10 stuks Verdovende mid (PL1300-2025204654-6697884)

5 stuks Verdovende mid (Ghb) (PL1300-2025204654-6697881)

35 stuks Verdovende mid (Xtc) (PL1300-2025204654-6697880)

1. STK Verdovende mid (Hashish) (PL1300-20252 04 654-669791)

2 stuks Verdovende mid (PL1300-2025204654-6697904)

1. STK Verdovende mid (Xtc) (PL1300-2025204654-6697903)

6 stuks Verdovende mid (PL1300-2026127478-6816299)

6 stuks Verdovende mid (PL1300-2026127478-6816301)

8 stuks Verdovende mid (PL1300-2026127478-6816302)

1. STK Verdovende mid (PL1300-2026127478-6816303)

21 stuks Verdovende mid (PL1300-2026127478-6816307)

Retour aan verdachte:

Suzuki Swift; 1.3 Auto (PL1300-2026127439-6816295)

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.J.M. Kruizinga, voorzitter,

mr. B. Vogel en mr. B. Kuppens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Essink, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2026.

[...]

[...]


[...]
[...]


[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]