Strafrecht overig

appel van de ovj tegen de beslissing van de rc tegen de onmiddellijke invrijheidstelling en onrechtmatigheid…

Zaakgegevens

Op 4 december 2009 heeft de Rechtbank Breda uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
4 december 2009
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
02/801209-09
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:RBBRE:2009:BK5751
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

appel van de ovj tegen de beslissing van de rc tegen de onmiddellijke invrijheidstelling en onrechtmatigheid van de ivs

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 02/801209-09

Beslissing op het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep in de

zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [datum en plaats],

wonende te Z.V.W.O.V.H.T.L.,

1. De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de appelakte d.d. 23 november 2009;

- de appelschriftuur d.d. 23 november 2009;

- het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer, waaruit blijkt dat de

officier van justitie en de raadsman zijn gehoord.

De betrokkene is niet verschenen.

2. De beoordeling.

2.1.Bij beslissing van 20 november 2009 heeft de RC de inverzekeringstelling

van verdachte onrechtmatig geoordeeld en de onmiddellijke

invrijheidstelling van verdachte bevolen. Daartoe heeft de RC overwogen

dat op basis van het proces-verbaal niet kan worden vastgesteld dat de

aanhouding van verdachte rechtmatig is verlopen; niet kan worden

vastgesteld dat verdachte voorafgaande aan het wapengebruik op enigerlei

wijze is gewaarschuwd, terwijl ook uit niets blijkt dat sprake was van een

zodanige dreiging dat het afgeven van een waarschuwing in de gegeven

omstandigheden niet tot de mogelijkheden behoorde.

2.2.De officier van justitie heeft tegen deze beslissing hoger beroep

ingesteld bij de raadkamer van de rechtbank. De officier van justitie

heeft - kort gezegd- aangevoerd dat disproportioneel geweld bij de

aanhouding in het algemeen geen rechtstreeks verband houdt met de

inverzekeringstelling en derhalve niet aan de rechter-commissaris kan

worden voorgelegd in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van

de inverzekeringstelling. Tijdens de behandeling in raadkamer heeft de

officier van justitie daar - onder overlegging van een aanvullend

proces-verbaal- aan toegevoegd dat er bovendien wel een waarschuwingsschot

is gegeven en dat zeker nog niet kan worden vastgesteld dat er sprake is

van disproportioneel geweld. In de loop van de procedure moet dit verder

worden uitgezocht, maar niet kan worden gezegd dat er sprake is van een

onrechtmatige aanhouding.

2.3.De raadsman heeft tijdens de behandeling betoogd dat de beslissing van de

RC een juiste beslissing is geweest en dat ook al zou uit dit aanvullend

proces-verbaal blijken dat een waarschuwingsschot is gelost er niettemin

sprake is van disproportioneel geweld en dat gehandeld is in strijd met de

ambtsinstructie van de politie en de politiewet.

2.4.Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een onrechtmatige

inverzekeringstelling dient de RC te beoordelen:

- of degene die in verzekering is gesteld iemand is te wiens aanzien uit

feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van een schuld aan een

stafbaar feit voortvloeit;

- of er sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is

toegelaten;

- of de inverzekeringstelling in het belang van het onderzoek is;

- of de met betrekking tot de inverzekeringstelling in de wet neergelegde

vormvoorschriften in acht zijn genomen;

- of de inverzekeringstelling niet op andere gronden, bij voorbeeld wegens

strijd met de goede procesorde, onrechtmatig is.

Daarbij is de rechtbank van oordeel dat -gelet op onder meer de

uitspraak van de HR van 30 maart 2004, NJ 2004, 376- het bij uitstek

aan de RC is rechtsgevolgen te verbinden ten aanzien van de voortzetting

van de vrijheidsbeneming indien er sprake is van vormverzuimen in het

voorbereidend onderzoek die betrekking hebben op de toepassing van

dwangmiddelen. Kern van de zaak is of de RC onderzoekt of er sprake is

geweest van een behoorlijk optreden van de autoriteiten die met de

opsporing van het strafbare feit zijn belast.

2.5.Ter toetsing van de rechtbank staat of de RC, gelet op de gegevens die

haar ten dienste stonde, en gelet op bovengenoemde criteria, heeft kunnen

oordelen dat er sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding en

derhalve van een onrechtmatige inverzekeringstelling.

2.6.De rechtbank stelt voorop dat bij een schietincident als dit door de

politie alle prioriteit moet worden gegeven aan het verduidelijken van de

omstandigheden waaronder is geschoten. Uiteraard vergt dit een zorgvuldig

onderzoek en er mogen niet te voorbarig conclusies worden getrokken. De

rechtbank stelt evenwel vast dat op het moment dat de RC zich een oordeel

moest vormen over de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling er zich

slechts een kort proces-verbaal in het dossier bevond waarin stond vermeld

dat een verdachte met een geweldsmiddel was aangehouden. Het dossier

bevatte geen verdere informatie over de vraag onder welke omstandigheden

er was geschoten en waarom. Inmiddels waren er ruim twee dagen verstreken.

Genoeg tijd om een proces-verbaal te maken, waarin door de betreffende

politieagenten was geverbaliseerd wat er tijdens de aanhouding was

gebeurd. Tijdens het verhoor door de RC bevond verdachte zich in het

ziekenhuis. Hij was ten gevolge van een politiekogel gewond geraakt.

Uit de overige processen-verbaal maakt de rechtbank op dat er een ramkraak

had plaatsgevonden aan de Noordhaven te Zevenbergen. De auto waarin

verdachte zich bevond is door de politie aangehouden omdat bij de politie

het vermoeden bestond dat die auto bij deze ramkraak betrokken was. Deze

auto is vervolgens klemgereden. In de auto zaten drie mannen, allen

droegen een bivakmuts. Uit het door de officier van justitie in hoger

beroep overgelegde proces-verbaal zit een wat gedetailleerder

proces-verbaal. Hieruit maakt de rechtbank op dat twee van de drie mannen

vervolgens probeerden aan de aanhouding te ontkomen door weg te vluchten.

Hierbij is door de politie -na een waarschuwingsschot- geschoten;

verdachte is hierdoor gewond geraakt.

2.7.Gelet op het hiervoorgenoemde criteria is de rechtbank van oordeel dat de

RC heeft kunnen oordelen dat op basis van de naar voorliggende stukken

niet kon worden vastgesteld dat de aanhouding rechtmatig was en er dus

sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding en dus van een

onrechtmatige inverzekeringstelling. Immers uit de haar ten dienste

staande gegevens kon zij niet afleiden onder welke omstandigheden

verdachte gewond was geraakt. Wel werd ze geconfronteerd met een door een

politiekogel verwonde verdachte.

2.8.Daarbij merkt de rechtbank op of er sprake is van disproportioneel geweld

dan wel of er sprake is van een handeling door de politie die tegen de

ambtsinstructie en de politiewet indruist op dit ogenblik niet definitief

is vast te stellen. Daarvoor is de informatie te gering en is nader

onderzoek nodig.

Ook met het nadere proces-verbaal dat door de officier van justitie is

overgelegd kan dit niet worden vastgesteld.

2.9.Het hoger beroep dient mitsdien te worden verworpen.

3. De beslissing.

De rechtbank verwerpt het door de officier van justitie ingestelde hoger

beroep.

Deze beslissing is gegeven op 4 december 2009 door mr Janssen, voorzitter,

en mrs Rijken en van Breugel, rechters in tegenwoordigheid van Jacet, griffier.