Bestuursrecht overig
Afgewezen verzoek tot wraking van de wrakingskamer. Anders dan verzoeker stelt, heeft de gewraakte…
Rechtbank Den Haag, 4 april 2017
ECLI:NL:RBDHA:2017:16367 · Rechtbank Den Haag · 4 april 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/wraking/ecli-nl-rbdha-2017-16367
Zaakgegevens
Op 4 april 2017 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 4 april 2017
- Datum publicatie
- 28 februari 2018
- Zaaknummer
- C/09/529348/ KG RK 17-499
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2017:16367
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afgewezen verzoek tot wraking van de wrakingskamer. Anders dan verzoeker stelt, heeft de gewraakte wrakingskamer geen processtuk aan verzoeker onthouden, zodat niet de schijn van partijdigheid is gewekt.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beslissing
WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG
Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2017/12
zaak-/rekestnummer: 529348/ KG RK 17-499
kenmerk/zaaksnummer: SGR 16/6905
datum beschikking: 4 april 2017
BESLISSING
op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
strekkende tot wraking van:
mr. E. Rabbie,
mr. O. van der Burg en
mr. S.J. Hoekstra-van Vliet,
rechters in de rechtbank Den Haag.
Belanghebbende is:
De inspecteur van de Belastingdienst,
Gemachtigden: dhr. S.J. van Dam en mevr. Peters.
1 De voorgeschiedenis en het procesverloop
In de hoofdzaak heeft de Belastingdienst het bezwaar van verzoeker tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2013 en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, ongegrond verklaard. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De hoofdzaak is op 2 maart 2017 ter zitting behandeld door mr. T.A. de Hek (hierna: de bestuursrechter). Bij brief van dezelfde datum, door de rechtbank ontvangen op 6 maart 2017, heeft verzoeker de bestuursrechter gewraakt.
Op 20 maart 2017 is het wrakingsverzoek ter zitting van de (eerste) wrakingskamer behandeld. Bij brief van 21 maart 2017, door de rechtbank ontvangen op 23 maart 2017, heeft verzoeker de leden van de wrakingskamer gewraakt.
Op 3 april 2017 is het verzoek tot wraking van de leden van de wrakingskamer ter zitting van de (tweede) wrakingskamer behandeld.
2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek
Op 3 april 2017 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld.
Verzoeker is verschenen. De belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De bestuursrechter is verschenen. De gewraakte leden van de (eerste) wrakingskamer zijn, met bericht, niet verschenen.
3 Het standpunt van verzoeker
Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat hij in het kader van de behandeling van zijn eerste wrakingsverzoek geen verweerschrift van de bestuursrechter per post heeft ontvangen en ook niet tijdens de zitting overhandigd heeft gekregen. Verzoeker stelt dat het standpunt van mr. T.A. Hek en de daaruit voortvloeiende informatie die tijdens de zitting behandeld dient te worden, hem is onthouden in de eerste wrakingszaak. Hiermee heeft de wrakingskamer de schijn van partijdigheid gewekt, aldus verzoeker
4 Het standpunt van de gewraakte leden van de (eerste) wrakingskamer
De gewraakte leden van de (eerste) wrakingskamer berusten niet in de wraking. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat het verzoek feitelijke grondslag mist, aangezien de bestuursrechter voorafgaand aan de zitting van 20 maart 2017 geen reactie heeft gestuurd op het tegen hem gerichte wrakingsverzoek. Van het onthouden van enig processtuk aan verzoeker is geen sprake en een grond om (de schijn van) vooringenomenheid van de wrakingskamer aan te nemen, ontbreekt dan ook, aldus de (eerste) wrakingskamer
6 De beoordeling
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
Uit het dossier blijkt dat de bestuursrechter voorafgaand aan de wrakingszitting van
20 maart 2017 geen reactie heeft gestuurd op het tegen hem gerichte wrakingsverzoek. De bestuursrechter heeft dit ter zitting van de (tweede) wrakingskamer bevestigd en toegelicht dat hij vanwege persoonlijke omstandigheden niet in staat was een schriftelijke reactie in te dienen. De (tweede) wrakingskamer overweegt dat aan verzoeker aldus geen processtuk met informatie afkomstig van mr. De Hek is onthouden , zodat geen grond bestaat voor de conclusie dat de leden van de (eerste) wrakingskamer de schijn van partijdigheid hebben gewekt.
7 De beslissing
De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat de behandeling van het verzoek tot wraking van de bestuursrechter wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het onderhavige wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de belanghebbende in de hoofdzaak p/a dhr. S.J. van Dam en mevr. Peters;
• de gewraakte leden van de (eerste) wrakingskamer mr. E. Rabbie,
mr. O. van der Burg en mr. S.J. Hoekstra-de Vries;
• de bestuursrechter mr. T. A. de Hek.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.G.J. Brink, mr. D.G.J. Dop en mr. T.F. Hesselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Stikvoort-Ydema als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2017.