Vreemdelingenrecht

Trefwoorden: • Beroep • Artikel 8.12 Vb • Gemeenschapsonderdaan • Economisch niet-actief

Rechtbank Den Haag, 4 november 2021

Zaakgegevens

Op 4 november 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
4 november 2021
Datum publicatie
10 november 2021
Zaaknummer
AWB 20/2349
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:12259
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Trefwoorden:

• Beroep

• Artikel 8.12 Vb

• Gemeenschapsonderdaan

• Economisch niet-actief

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2349


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

V-nummer: 275.636.5352

(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. E. van Hoof).


Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad.

Bij besluit van 2 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2021 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verder was aanwezig de heer [referent], referent. Als tolk is verschenen D.V. Dimitrova. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1980 en bezit de Bulgaarse nationaliteit. Eiseres verblijft sinds 12 april 2011 bij referent in Nederland. Referent is de Nederlandse partner van eiseres en ontvangt vanaf 28 juni 2011 een uitkering op grond van de Participatiewet.

2. Uit een melding aan verweerder van de gemeente Tholen is gebleken dat eiseres vanaf 11 juni 2018 een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van deze melding heeft verweerder onderzoek verricht naar het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan. Bij brief van 18 september 2018 heeft verweerder eiseres hiervan op de hoogte gesteld en haar verzocht om informatie te verstrekken over haar verblijf in Nederland. Eiseres heeft hier bij brief van 26 oktober 2018 op gereageerd. Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje “Procesverloop”.

3. Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres nooit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder heeft voorts in het kader van de toelaatbaarheid van de verwijdering van eiseres een belangenafweging gemaakt, waarbij is geconcludeerd dat eiseres een onredelijke belasting vormt voor het socialebijstandsstelsel. Alle belangen tegen elkaar afgewogen, is in het bestreden besluit overwogen dat het belang van de Nederlandse staat om eiseres te verwijderen uit Nederland zwaarder weegt dan haar belang om Nederland niet te hoeven verlaten. Verweerder heeft niet getoetst of ambtshalve aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dient te worden verleend in verband met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Op wat eiseres daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres nooit heeft voldaan aan de vereisten voor een verblijfsrecht als economisch actieve of economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Vb.

6. Eiseres heeft aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn die haar verblijf in Nederland rechtvaardigen en daarmee maken dat de belangenafweging in haar voordeel had moeten uitvallen. Het is in haar geval niet redelijk te verlangen dat zij inkomen uit arbeid genereert. Eiseres beheerst de Nederlandse taal onvoldoende om duurzaam toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt. Zij heeft van 11 oktober 2019 tot 18 oktober 2019 in loondienst gewerkt, maar door een gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal is de arbeidsrelatie beëindigd. Daarnaast kan eiseres niet werken omdat ze fulltime mantelzorger is voor referent. Referent behoeft constante zorg omdat hij door een hartritmestoornis regelmatig buiten bewustzijn raakt. Verweerder heeft gewezen op de mogelijkheid van vervangende zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ-zorg). Verweerder heeft daarbij echter niet betrokken dat de geschatte kosten voor AWBZ-zorg significant hoger uitvallen dan de bijstandsuitkering van eiseres. Het is aan verweerder om deze kosten te berekenen en in de belangenafweging te betrekken.

7. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3584) volgt dat verweerder bij de belangenafweging na moet gaan of de problemen van de vreemdeling van tijdelijke aard zijn. Verweerder moet daarnaast in ieder geval rekening houden met de duur van het verblijf, het bedrag van de al uitgekeerde bijstand en de persoonlijke omstandigheden.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder het belang van de Nederlandse staat heeft afgewogen tegen de individuele belangen van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiseres laten uitvallen. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn belangenafweging de onder 7 genoemde omstandigheden heeft betrokken. Verweerder heeft niet ten onrechte in haar nadeel meegewogen dat eiseres blijkens de melding van de gemeente Tholen en de gegevens uit Suwinet sinds juli 2012 een bijstandsuitkering ontvangt en gedurende haar verblijf in Nederland geen daadwerkelijke en reële arbeid heeft verricht. Eiseres stelt dat zij niet kan werken vanwege de gestelde medische situatie van haar partner. Hierover heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat niet gebleken is dat de medische zorg voor haar partner alleen door eiseres geboden kan worden. Eiseres is gewezen op de mogelijkheid van zorgondersteuning via bijvoorbeeld de respijtzorg en professionele zorg in het kader van de AWBZ-zorg. Eiseres heeft niet nader onderbouwd waarom deze opties niet mogelijk zijn of waarom zij deze zorg niet heeft aangevraagd. Verweerder heeft hierbij terecht opgemerkt dat een berekening van de mogelijke kosten voor deze zorg geen onderdeel uitmaakt van de toets van rechtmatig verblijf, nu alleen beoordeeld moet worden of er voor eiseres een mogelijkheid is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Daarnaast heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiseres gedurende een week in oktober 2019 arbeid in loondienst heeft verricht, maar niet heeft toegelicht hoe de zorg voor haar partner gedurende die periode geregeld was. Verweerder heeft tot slot niet ten onrechte ten nadele van eiseres meegewogen dat niet is gebleken van een grote mate van integratie in Nederland, nu gebleken is dat zij nog steeds bezig is om Nederlands te leren. Gelet op het feit dat eiseres het grootste gedeelte van haar leven in Bulgarije heeft gewoond, heeft verweerder ook niet ten onrechte aangenomen dat de banden van eiseres met Bulgarije sterker zijn dan die met Nederland.

9. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van diens bevoegdheid om ambtshalve te beoordelen of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM. Dat verweerder heeft verwezen naar de mogelijkheid om een daartoe strekkende aanvraag in te dienen, is volgens eiseres onvoldoende gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:567).

10. De rechtbank volgt dit niet. Uit voornoemde uitspraak volgt dat verweerder de bevoegdheid heeft om ambtshalve te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM. Dit betekent niet dat verweerder daartoe ook verplicht is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid en heeft mogen verwijzen naar de mogelijkheid om een daartoe strekkende aanvraag in te dienen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid vanmr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, op 4 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.