Vreemdelingenrecht
Grensdetentie ex artikel 6, derde lid, van de Vw.
Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31699 · Rechtbank Den Haag · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31699
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.63179
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31699
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Grensdetentie ex artikel 6, derde lid, van de Vw.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.63179
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] eiser
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Inleiding
1. Bij besluit van 18 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op 19 oktober 2026 in kennis gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep aangevangen op 23 oktober 2026. Eiser is toen met behulp van telehoren via een beeldverbinding vanuit het Justitieel Complex Schiphol verschenen. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. Omdat de tolk bij aanvang van de zitting niet meer beschikbaar bleek en eiser had aangegeven de behandeling dan liever op een latere datum voort te zetten, heeft de rechtbank het onderzoek op de zitting geschorst.
Het onderzoek op de zitting is hervat op 27 oktober 2026. Eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.
3. Grensdetentie als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw wordt toegepast zolang het de vreemdeling wordt toegestaan als verzoeker op het grondgebied te verblijven of niet wordt verwijderd.
4. De vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en alleen als geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die grensdetentie onevenredig bezwarend maken.
Is de rechtbank onverwijld in kennis gesteld?
5. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de vrijheidsontnemende maatregel op
18 oktober 2026 is opgelegd en dat de minister de rechtbank op 19 oktober 2026 hiervan in kennis heeft gesteld. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 september 2026 geoordeeld dat een kennisgeving onverwijld is verstuurd indien deze binnen zes uur na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel naar de rechtbank is verstuurd. Dit betekent dat de minister in dit geval de rechtbank niet onverwijld in kennis heeft gesteld van de aan eiser opgelegde maatregel. Dit maakt de maatregel op zichzelf nog niet onrechtmatig. Het niet nakomen van de verplichting om de rechtbank onverwijld in kennis te stellen van een vrijheidsontneming maakt de vrijheidsontnemende maatregel alleen onrechtmatig als de maatregel, gelet op de ernst van het gebrek en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, niet meer gerechtvaardigd is.
De belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van de minister uit. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat eiser door deze gang van zaken is geschaad in zijn verdediging. De rechtbank heeft het beroep tijdig kunnen behandelen en kan nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel uitspraak doen over de rechtmatigheid daarvan. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming. Ook overigens is niet gebleken dat hij nadeel heeft ondervonden van de niet onverwijlde kennisgeving. De rechtbank ziet daarom geen reden om de maatregel op deze grond op te heffen.
Is de maatregel onrechtmatig omdat een voorlopige medische controle is uitgevoerd?
6. Eiser voert aan dat tijdens de screening geen deugdelijke medische controle is uitgevoerd, waardoor de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is. Eiser wijst in dit verband op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 10 september 2026.
Naar het oordeel van de rechtbank betekent het feit dat de screening nog niet in zijn geheel is voltooid, waaronder de voorlopige medische controle, niet dat de maatregel onrechtmatig aan eiser is opgelegd. Artikel 6, derde lid, van de Vw geeft de minister namelijk de bevoegdheid om een maatregel van vreemdelingenbewaring op te leggen op het moment dat aan de grens een asielwens is geuit en is besloten de asielaanvraag in de asielgrensprocedure te behandelen. Dit volgt ook uit artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn. De rechtbank sluit zich aan bij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 30 juli 2026, waarin is geoordeeld dat uit de Procedureverordening noch uit de Screeningsverordening volgt dat een geheel voltooide screeningsprocedure een noodzakelijke voorwaarde is voor een doorverwijzing naar de asielgrensprocedure. Daar komt bij dat eiser de wijze waarop de screening is uitgevoerd, waaronder de voorlopige medische controle, aan de orde kan stellen in een eventueel beroep tegen de beslissing op zijn asielaanvraag. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in deze procedure niet kan worden beoordeeld of de screeningsprocedure juist is doorlopen. Wat eiser heeft aangevoerd onder verwijzing naar de uitspraak van 10 september 2026 leidt niet tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de luchthaven Schiphol en het JCS geschikte screeningslocaties?
7. Eiser voert aan dat de luchthaven Schiphol en het JCS ongeschikte locaties zijn om een screening uit te voeren, wat volgens hem de daaropvolgende vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig maakt.
De rechtbank overweegt dat de Screeningsverordening geen omschrijving omvat aan welke specifieke vereisten een screeningslocatie moet voldoen. Wel schrijft artikel 8, achtste lid, van de Screeningsverordening voor dat gewaarborgd wordt dat de te screenen vreemdeling toereikende leefomstandigheden wordt geboden, met bescherming van diens lichamelijke en geestelijke gezondheid met inachtneming van rechten uit hoofde van het Handvest. Op grond van artikel 6 van de Screeningsverordening mag de vreemdeling tijdens de screening aan de buitengrens niet tot het grondgebied van een lidstaat worden toegelaten. Dit is nodig om elk risico op onderduiken, mogelijke bedreigingen voor de binnenlandse veiligheid als gevolg van dergelijk onderduiken of mogelijke gevaren voor de volksgezondheid als gevolg van dergelijke onderduiken te voorkomen. Voor zover de geschiktheid van de screeningslocatie in deze procedure al kan worden beoordeeld, ziet de rechtbank gelet op voorgaande passages geen aanleiding voor het oordeel dat de luchthaven Schiphol en het JCS ten onrechte als geschikte screeningslocaties in de zin van de Screeningsverordening zijn aangemerkt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister een pré-toets moeten verrichten naar de kansrijkheid van de asielaanvraag?
8. Eiser voert onder verwijzing naar de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2026, waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, aan dat de minister ten onrechte geen pré-toets heeft verricht naar de kansrijkheid van de asielaanvraag. Volgens eiser had de minister moeten onderzoeken of op voorhand duidelijk was dat de asielaanvraag niet in de asielgrensprocedure kon worden afgedaan.
De rechtbank is van oordeel dat bij aankomst op Schiphol nog niet duidelijk kon zijn dat de asielaanvraag niet in de asielgrensprocedure kon worden afgedaan. Er is eerst onderzoek nodig om te bepalen of een beslissing kan worden genomen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Procedureverordening. De rechtbank is in deze procedure over de bewaringsmaatregel niet bevoegd om de asielaanvraag inhoudelijk of voorlopig te beoordelen op kansrijkheid. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de beantwoording van de door zittingsplaats Amsterdam gestelde prejudiciële vragen daarover af te wachten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had eiser vóór de screening en de oplegging van de maatregel recht op rechtsbijstand?
9. Eiser voert aan dat de maatregel onrechtmatig is, omdat hij vóór de screening en het opleggen van de maatregel geen rechtsbijstand heeft ontvangen. Eiser verwijst ook in dit verband naar de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van
15 september 2026.
De rechtbank overweegt dat bij vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw niet het beleid geldt zoals neergelegd in paragraaf A5/6.6 van de Vc. Voor de minister bestond daarom geen verplichting om een piketadvocaat in te schakelen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat het verschil in beleid over rechtsbijstand voorafgaand aan inbewaringstelling op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Vw en vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van de Vw geen ongerechtvaardigd onderscheid oplevert in de zin van artikel 14 van het EVRM. De rechtvaardiging voor dat onderscheid ligt in het grensbewakingsbelang en de geringere omvang van het gehoor. De rechtbank ziet in het bestaan van de Screeningsverordening geen aanleiding om daarover nu anders te oordelen. Zoals onder 6.1. is overwogen, kan in deze procedure niet worden beoordeeld of de screening volgens de regels van de Screeningsverordening is doorlopen. Wel moet de minister voorafgaand aan zijn afweging om de maatregel op te leggen zorgvuldig beoordelen of eiser detentiegeschikt is en of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken, waardoor een lichter middel op zijn plaats kan zijn. Dit zal de rechtbank hieronder beoordelen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wordt grensdetentie door de minister automatisch opgelegd?
10. Eiser voert aan dat de maatregel van grensdetentie onrechtmatig is, omdat de minister grensdetentie standaard oplegt onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, zonder individuele toets op evenredigheid. Dit doet volgens eiser geen recht aan het ultimum remedium-karakter van detentie. Voor de asielgrensprocedure en de toegangsweigering is het volgens eiser niet noodzakelijk om de vreemdeling direct in detentie te plaatsen en een standaardvragenlijst is daarvoor onvoldoende. Eiser beroept zich ook op dit punt op de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2026.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, volgt dat de minister in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. De rechtbank volgt deze uitleg en ziet dan ook geen aanleiding om de door zittingsplaats Amsterdam gestelde prejudiciële vragen af te wachten.
Verder heeft de Afdeling in de uitspraak van 2 september 2026 geoordeeld dat de beoordeling van de minister of met een lichter middel had moeten worden volstaan, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. De rechtbank is van oordeel dat de minister met de vragen die hij in het gehoor aan eiser heeft gesteld, voldoende heeft onderzocht of de grensdetentie voor eiser onevenredig bezwarend is. Zo is geïnformeerd naar de medische omstandigheden van eiser, gevraagd of eiser familieleden in Nederland of in de Europese Unie heeft die hier rechtmatig verblijven en eiser in de gelegenheid gesteld andere omstandigheden aan te voeren. Eiser heeft in het gehoor geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister in de maatregel, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
11. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.