Vreemdelingenrecht

Grensdetentie. Eerlijk proces, onverwijlde kennisgeving, screeningsprocedure, lichter middel, huidige…

Rechtbank Den Haag, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.58365
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31552
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Grensdetentie. Eerlijk proces, onverwijlde kennisgeving, screeningsprocedure, lichter middel, huidige capaciteit van de asielgrensprocedure, ambtshalve toetsing. Ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.58365


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. S. de Schutter),

en

de ambtenaar belast met de grensbewaking,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De ambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

Recht op een eerlijk proces

3. Eiser heeft tijdens de zitting aangevoerd dat de wijze waarop tijdens de zitting is getolkt, onvoldoende is en dat daarom geen sprake is geweest van effectieve rechtsbijstand.

3.1.

De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond van eiser zo, dat hij stelt dat zijn recht op een eerlijk proces is geschonden.

3.2.

Eisers beroep stond gepland om behandeld te worden op de zitting van 6 oktober 2026 van 11:00 uur tot 11:20 uur. De behandeling van het beroep ving daadwerkelijk aan om 11:05 uur. Voorafgaande aan de zitting was een fysieke tolk geregeld in de Arabische (Syrische-Libanese) taal, die eiser voldoende machtig is. Dat is ook niet betwist. Tijdens de zitting, omstreeks 11:30 uur, gaf de tolk aan dat hij weg moest, vanwege een andere tolkopdracht. De zitting is vervolgens voortgezet met behulp van een telefonische Arabische (Syrisch-Libanese) tolk. Daarbij moest de telefoon (waardoor de tolk vertaalde) veelvuldig worden verplaatst, omdat partijen anders onverstaanbaar waren voor de tolk.

3.3.

De rechtbank is het met eiser eens dat deze gang van zaken niet ideaal is geweest. Dat is ook de reden dat, indien mogelijk, voor elke zitting een fysieke tolk wordt geregeld. Nu de fysieke tolk tijdens de zitting aangaf weg te moeten, was het niet meer mogelijk om een andere fysieke tolk te regelen. Dit mede gelet op de korte termijnen waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen over de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank acht van belang dat, ondanks de praktische moeilijkheden, niet is gebleken dat eiser de telefonische tolk niet goed kon verstaan. Tijdens de zitting is ook meermaals aan eiser gevraagd of hij de tolk begreep en hier heeft hij steeds bevestigend op geantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het voorgaande, het recht op een eerlijk proces niet geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.

Onverwijlde kennisgeving

4. Tijdens de zitting is aan bod gekomen dat de ambtenaar de kennisgeving niet onverwijld aan de rechtbank heeft verstuurd.

4.1.

In artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 is onder meer bepaald dat de ambtenaar onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, de rechtbank hiervan in kennis stelt.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel op dinsdag 29 september 2026 is opgelegd en dat de kennisgeving op donderdag 1 oktober 2026 om 10:22 uur naar het daarvoor bestemde e-mailadres van het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken is verzonden. Nu de kennisgeving meer dan één dag na het opleggen van de maatregel is verzonden, is de rechtbank van oordeel dat de ambtenaar de kennisgeving niet onverwijld aan de rechtbank heeft toegezonden. Tijdens de zitting heeft de ambtenaar dit ook erkend. Nu de ambtenaar de rechtbank niet onverwijld in kennis heeft gesteld van de maatregel, is er dus sprake van een gebrek.

4.3.

Dit gebrek raakt niet rechtstreeks aan de rechtmatigheid van de maatregel en brengt niet automatisch mee dat de maatregel onrechtmatig is en daarom moet worden opgeheven. Bij de beantwoording van de vraag of de maatregel onrechtmatig is, is er ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat die belangenafweging in dit geval in het voordeel van de ambtenaar uitvalt, omdat de rechtbank zonder problemen nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel uitspraak kan doen over de rechtmatigheid daarvan. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring en verder is niet gebleken dat hij nadeel heeft ondervonden door de niet onverwijlde kennisgeving. Het belang van de ambtenaar bij voortzetting van de maatregel weegt in dit geval – mede gelet op wat hierna wordt overwogen – dan ook zwaarder. De rechtbank ziet daarom in dit gebrek geen reden om het beroep gegrond te verklaren en de maatregel op te heffen.

De screeningprocedure

5. Eiser voert aan dat de maatregel van meet af aan onrechtmatig is, omdat de screeningsfase niet volledig is afgerond voordat grensdetentie is toegepast. Artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 kan niet op hetzelfde moment de grondslag vormen voor de bewaring op grond van zowel de Screeningsverordening als de Opvangrichtlijn. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 15 september 2026.

Daarnaast betoogt eiser dat artikel 12 van de Screeningsverordening vereist dat er een voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid van de vreemdeling wordt uitgevoerd. Deze kwetsbaarheidsbeoordeling is in het geval van eiser volstrekt onzorgvuldig geweest en is niet uitgevoerd door daartoe gekwalificeerd personeel. Nergens blijkt uit welke informatie is verkregen tijdens de screening en welke kwetsbaarheden zijn vastgesteld. Bovendien heeft er geen medische beoordeling plaatsgevonden, terwijl dit wel onderdeel is van het screeningsproces zo blijkt uit artikel 12 van de Screeningsverordening.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat in de vrijheidsontnemende maatregel zowel is aangekruist dat de asielaanvraag van eiser wordt behandeld in de asielgrensprocedure, als dat het gaat om een vrijheidsontneming in verband met de screening. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van

2 september 2026, kunnen deze omstandigheden niet naast elkaar bestaan. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van de Screeningsverordening volgt namelijk dat verzoekers die aan de buitengrens om internationale bescherming verzoeken, worden gescreend voordat zij naar een passende procedure worden doorverwezen. Uit deze uitspraak volgt echter ook dat hierin geen reden wordt gezien om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 voorziet namelijk zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure. Eiser voldeed niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland, heeft aan de buitengrens een asielwens geuit en op zijn daarna geformaliseerde asielaanvraag is nog niet beslist. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel.

5.2.

Het betoog van eiser dat geen volledige en zorgvuldige medische controle door gekwalificeerd personeel heeft plaatsgevonden en dat de maatregel om die reden niet had mogen worden opgelegd, slaagt niet. Het volledig hebben doorlopen van de screening is, zoals hiervoor overwogen, immers geen voorwaarde voor het opleggen van de maatregel van grensdetentie. Wel kunnen omstandigheden die naar voren komen tijdens de screening een rol spelen bij de vraag of eventueel geconstateerde kwetsbaarheden kunnen leiden tot speciale (procedurele) behoeften. Uit het screeningsformulier kan worden afgeleid dat de voorlopige conclusie is dat eiser geen bijzondere behoeften heeft. Gesteld noch gebleken is dat relevante omstandigheden over het hoofd zijn gezien. De juistheid van die voorlopige conclusie en de zorgvuldigheid van het screeningsonderzoek kunnen worden betwist in de asielprocedure en kan niet worden beoordeeld in dit beroep over de vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie. Van belang is wel dat de ambtenaar voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel beoordeelt en voldoende motiveert of eiser in grensdetentie kan worden gesteld, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden. Dat is ook gebeurd, zoals blijkt uit hetgeen hieronder is overwogen.

Lichter middel

6. Eiser voert aan dat had moeten worden volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling, gelet op zijn vader die in Nederland verblijft. Niet althans onvoldoende is onderzocht of eiser bij zijn vader kon verblijven. Er is enkel gesteld dat eiser meerderjarig is en zelf is gereisd. Ook wijst hij op de strijdigheid van het standaardmatig opleggen van de grensdetentie met het Unierecht. Eiser verwijst naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, waaronder een uitspraak waarin prejudiciële vragen zijn gesteld.

6.1.

Voor zover eiser verwijst naar de door zittingsplaats Amsterdam gestelde prejudiciële vragen van 15 september 2026, stelt de rechtbank vast dat die rechtsvraag al is beantwoord in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2026. In die uitspraak oordeelt de Afdeling dat de ambtenaar in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn op te leggen. Zolang door de vreemdeling geen realistische alternatieven voor grensdetentie worden opgeworpen, strekt de beoordeling of de ambtenaar in grensdetentiezaken met een lichter middel had moeten volstaan, niet verder dan de beoordeling of de grensdetentie gelet op zijn persoonlijke omstandigheden onevenredig bezwarend is, waardoor de ambtenaar van grensdetentie moet afzien.Die uitleg volgt de rechtbank, zodat zij geen aanleiding ziet om de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen af te wachten voordat zij uitspraak kan doen op het beroep van eiser.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat de ambtenaar voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het aan eiser was om eventuele bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel konden leiden dat de ambtenaar diende af te zien van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat eiser in de gelegenheid is gesteld om bijzondere of persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen die ertoe kunnen leiden dat wordt afgezien van het behandelen van de asielaanvraag in een detentiecentrum. Eiser heeft dergelijke omstandigheden niet aangevoerd. De ambtenaar heeft vervolgens aan eiser medegedeeld dat er geen aanleiding bestond om een lichter middel toe te passen. Eiser heeft daarop geen reactie meer willen geven. De enkele stelling in beroep dat onvoldoende is onderzocht of eiser bij zijn vader kon verblijven, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de ambtenaar van grensdetentie had moeten afzien. Daarbij heeft de ambtenaar in de maatregel terecht opgemerkt dat eiser meerderjarig is en dat niet is gebleken dat hij afhankelijk is van zijn vader die in Nederland verblijft. Daar voegt de rechtbank nog aan toe dat het verblijf bij zijn vader die zich al op het grondgebied van Nederland bevindt, het grensbewakingsbelang tenietdoet. Dit is alleen gerechtvaardigd in bijzondere omstandigheden. Daar is niet van gebleken.

De huidige capaciteit van de asielgrensprocedure

7. Eiser voert aan dat op ieder moment in het jaar in de gehele Europese Unie 30.000 vreemdelingen in de asielgrensprocedure geplaatst moeten zijn en verwijst daarbij naar artikel 46 van de Procedureverordening (Verordening 2024/1348). In Nederland moeten op ieder moment van het jaar 211 vreemdelingen in de asielgrensprocedure geplaatst zijn. Indien de maximumcapaciteit is bereikt, moeten alleen de categorieën vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde nog verplicht in de asielgrensprocedure worden geplaatst. Eiser wil daarom vernemen wat de huidige capaciteit is, omdat dit noodzakelijk is om te kunnen beoordelen of zijn zaak zich – gelet op de huidige capaciteit – leent voor de grensdetentie.

7.1.

De asielgrensprocedure is bedoeld voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming die aan de grens zijn ingediend door derdelanders/staatlozen die niet voldoen aan de toegangsvoorwaarden. Nederland moet altijd een bepaalde capaciteit beschikbaar hebben voor het behandelen van aanvragen in de asielgrensprocedure. De toereikende capaciteit is voor de periode van 12 juni 2026 tot 12 juni 2027 vastgesteld op 211 plaatsen voor Nederland. Verder is er voor elke lidstaat een maximumaantal verzoeken vastgesteld dat in ieder geval in de asielgrensprocedure afgedaan moet worden. Dat is voor Nederland in de hiervoor genoemde periode vastgesteld op 422. Als het maximumaantal is bereikt, is er geen verplichte behandeling in de grensprocedure meer vereist, behoudens bepaalde gevallen. Dit laat echter onverlet dat – indien de maximumcapaciteit is bereikt – er nog steeds een bevoegdheid voor de lidstaten bestaat om in bepaalde andere (niet-verplichte) gevallen toepassing te geven aan de asielgrensprocedure.

7.2.

Tijdens de zitting heeft de ambtenaar desgevraagd niet kunnen aangeven welke capaciteit momenteel is bereikt. Nog daargelaten of de maximumcapaciteit is bereikt, kan wat eiser heeft aangevoerd – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – niet leiden tot het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is. Of eiser verplicht of onverplicht in grensdetentie is geplaatst, is niet van belang voor de vraag of de maatregel rechtmatig is opgelegd.

Ambtshalve toetsing

Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.M. van Kouwen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Uit artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000 volgt dat de rechtbank, behoudens uitzonderingen, binnen vijftien dagen na de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel uitspraak doet. ABRvS 17 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5462, r.o. 4.6. ABRvS 17 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5462, r.o. 4.7. ECLI:NL:RBDHA:2026:26835. ECLI:NL:RVS:2026:5077. Zie de uitspraak van Rechtbank Den Haag, zp. Roermond, 7 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22618, r.o. 12. Zie ook de uitspraak van Rechtbank Den Haag, zp. Haarlem, 30 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21272. Rb. Den Haag, zp. Amsterdam 13 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22674 en zp. Amsterdam, 15 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:26975. ECLI:NL:RVS:2026:5077. ABRvS 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077, r.o. 6.5. Als de vreemdeling de autoriteiten heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit, als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid óf als de vreemdeling afkomstig is uit een land met een jaargemiddeld inwilligingspercentage van 20% of minder volgens de gegevens van Eurostat. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.