Vreemdelingenrecht
vrijheidsontnemende maatregel; grensbewakingsbelang; lounge van Schiphol; voortraject; medische beoordeling…
Rechtbank Den Haag, 29 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:28677 · Rechtbank Den Haag · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-28677
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 28 september 2026
- Zaaknummer
- NL26.54715
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28677
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
vrijheidsontnemende maatregel; grensbewakingsbelang; lounge van Schiphol; voortraject; medische beoordeling; rechtsbijstand; lichter middel; ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54715
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en
de ambtenaar belast met de grensbewaking, de ambtenaar
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
1. Bij besluit van 15 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De ambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Heeft eiser te lang in de lounge moeten verblijven?
4. Eiser voert aan dat zijn verblijf in de internationale lounge van Schiphol te lang heeft geduurd.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank maakt uit het dossier op dat eiser op 14 september 2026 zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. Na het uiten van deze asielwens is eiser om 20:30 uur op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000) voor de nacht naar de internationale lounge van Schiphol verwezen. De volgende dag is eiser opgehaald, om 15:20 uur gehoord en heeft de ambtenaar om 19:36 uur de voorliggende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 aan hem opgelegd. Hieruit volgt dat eiser niet meer dan 24 uur in de internationale lounge heeft doorgebracht. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 december 2018 volgt dat een verblijf in de internationale lounge gedurende maximaal 24 uur in beginsel aanvaardbaar is. Het verblijf van eiser acht de rechtbank daarom niet onredelijk lang. Eiser heeft ook geen omstandigheden aangevoerd waarom deze duur in zijn geval wel onredelijk zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van een gebrek in het voortraject?
5. Eiser voert aan dat sprake is van een gebrek in het voortraject, omdat de ambtenaar voorafgaand aan de inbewaringstelling ten onrechte geen Eurodac-onderzoek heeft verricht. Volgens eiser maakt dit de vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie onrechtmatig.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal ‘ontbreken biometrische gegevens’ en uit het proces-verbaal ‘van bevindingen bij aanvraag asiel’ blijkt dat sprake was van een storing, waardoor de registratie van de biometrie niet mogelijk was. De rechtbank is van oordeel dat deze storing in het systeem geen afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de maatregel van grensdetentie. Niet is gebleken dat de storing of het daardoor niet verrichten van het Eurodac-onderzoek gevolgen heeft gehad voor de voorwaarden voor het opleggen van de grensdetentie. Van een gebrek in het voortraject, is daarom geen sprake.
Moest er een volledige medische beoordeling plaatsvinden voordat eiser in grensdetentie kon worden gesteld?
6. Eiser voert aan dat de ambtenaar niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de artikel 8 en 12 van de Screeningsverordening. Uit de dossierstukken blijkt volgens eiser namelijk niet dat er tijdens de screeningsprocedure een volledige en zorgvuldige medische controle is uitgevoerd door gekwalificeerd personeel. Eiser voert aan dat uit artikel 43 van de Procedureverordening volgt dat de asielgrensprocedure pas kan aanvangen na afloop van de screeningsprocedure. Aangezien er geen volledige en zorgvuldige screening heeft plaatsgevonden, kon de grensprocedure daarom niet worden toegepast. Eiser wijst ter onderbouwing op drie uitspraken van deze rechtbank, waar in de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam prejudiciële vragen zijn gesteld.
De beroepsgrond slaagt niet. De maatregel van eiser is gebaseerd op artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Op grond van deze bepaling kan, in het kader van het nemen van een beslissing over de toegang tot Nederland en/of het uitvoeren van de screening als bedoeld in de Screeningsverordening, een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd aan de vreemdeling die aan de buitengrens van Nederland een asielwens uit. Uit de maatregel van eiser volgt dat deze zowel in het kader van het nemen van een beslissing op de asielaanvraag als in het kader van de screening van eiser is opgelegd. Eiser voldeed niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland, heeft aan de buitengrens een asielwens geuit en op zijn daarna geformaliseerde asielaanvraag is nog niet beslist. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel.
Het betoog van eiser dat geen volledige en zorgvuldige medische controle door gekwalificeerd personeel heeft plaatsgevonden en dat de maatregel om die reden niet had mogen worden opgelegd, slaagt niet. Het volledig hebben doorlopen van de screening is geen voorwaarde voor het opleggen van de maatregel van grensdetentie. Daar komt bij dat eiser de wijze waarop de screening is uitgevoerd, waaronder de voorlopig medische controle, aan de orde kan stellen in een eventueel beroep tegen de beslissing op zijn asielaanvraag. De rechtbank is daarom van oordeel dat in deze procedure niet kan worden beoordeeld of de screeningsprocedure juist is doorlopen.
Had eiser het recht op rechtsbijstand voorafgaand aan de inbewaringstelling?
7. Eiser voert aan dat hem voorafgaand aan de oplegging van de maatregel ten onrechte geen rechtsbijstand is geboden. Volgens eiser brengt een zorgvuldige oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel met zich mee dat hij als asielzoeker recht heeft op rechtsbijstand.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor onder 6.2 overwogen, kan de rechtbank geen oordeel geven over de vraag of de screeningsprocedure juist is doorlopen. De rechtbank kan zich dus ook niet uitlaten over de vraag of is voldaan aan artikel 8, zesde lid, van de Screeningsverordening, waarin is bepaald dat personen die betrokken zijn bij ‘legal counseling’ (rechtsbijstand) altijd toegang moeten hebben tot de vreemdeling die in bewaring is of wordt gesteld. Dit betekent dat de rechtbank ook geen reden ziet om af te wijken van de reeds bestaande rechtspraak waaruit volgt dat voor het ontbreken van een piketregeling in procedures zoals de onderhavige een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Die rechtvaardiging is voornamelijk gelegen in het feit dat de vreemdelingen aan de grens nog niet zijn toegelaten en vreemdelingen “in het land” wel. Eiser heeft verder een folder uitgereikt gekregen met informatie over rechtsbijstand en krijgt in het kader van zijn asielprocedure rechtsbijstand toegewezen. De mogelijkheid om rechtsbijstand te krijgen is daarmee voldoende gewaarborgd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem en de bevestiging daarvan door de Afdeling.
Had de ambtenaar moeten kiezen voor een lichter middel?
8. Eiser voert aan dat uit het dossier niet blijkt dat vragen zijn gesteld over de mogelijkheid van een lichter middel. Hij voert aan dat hij traumatische ervaringen heeft gehad en last heeft van stress en lichamelijke klachten. Volgens eiser was zijn kwetsbaarheid tijdens de oplegging van de maatregel kenbaar bij de ambtenaar. Daarnaast voert eiser aan dat hij 4000 dollar in zijn bezit heeft en familieleden in Nederland heeft wonen. Volgens eiser had de ambtenaar vanwege deze omstandigheden naar alternatieven voor de vrijheidsontnemende maatregel moeten kijken. Eiser wijst daarbij op een uitspraak van deze rechtbank.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken. De Afdeling heeft recent geoordeeld dat, zolang geen realistische alternatieven voor grensdetentie worden opgeworpen, de beoordeling of de ambtenaar in grensdetentiezaken met een lichter middel had moeten volstaan, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is, waardoor de ambtenaar van grensdetentie moet afzien.
De rechtbank is van oordeel dat de ambtenaar voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het aan eiser was om eventuele bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot de conclusie konden leiden dat de ambtenaar moest afzien van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat eiser in de gelegenheid is gesteld om bijzondere of persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen die ertoe konden leiden dat wordt afgezien van het behandelen van de asielaanvraag in een detentiecentrum. De ambtenaar heeft vervolgens aan eiser medegedeeld dat er geen aanleiding bestond om een lichter middel toe te passen. Eiser heeft daarop geen reactie meer willen geven. In de maatregel heeft de ambtenaar ten aanzien van zijn lichamelijke klachten terecht gewezen op het feit dat de medische zorg in de detentiecentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De ambtenaar heeft zich daarnaast terecht op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat eiser familieleden in Nederland heeft, niet betekent hij toegang tot het grondgebied moet krijgen en afgezien moet worden van de asielgrensprocedure. Daarbij heeft de ambtenaar terecht betrokken dat eiser meerderjarig is, zonder familieleden is gereisd en niet afhankelijk van hen is. Eiser heeft niet nader toegelicht dat zijn persoonlijke omstandigheden van dien aard zijn dat het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel voor hem onevenredig bezwarend is. Ook heeft eiser niet toegelicht waarom het bezit van 4000 dollar aanleiding zou moeten zijn om van de vrijheidsontnemende maatregel af te zien.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.