Vreemdelingenrecht
grensdetentie, onverwijlde kennisgeving, overlap screening en grensprocedure, rechtsbijstand voorafgaand…
Rechtbank Den Haag, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30922 · Rechtbank Den Haag · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30922
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.60816
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30922
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
grensdetentie, onverwijlde kennisgeving, overlap screening en grensprocedure, rechtsbijstand voorafgaand gehoor, lichter middel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60816
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Verweerder kan op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Dit volgt uit artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.
Onverwijlde kennisgeving
2. Eiseres voert aan dat verweerder de kennisgeving niet onverwijld aan de rechtbank heeft verstuurd. De maatregel is namelijk op 10 oktober 2026 opgelegd terwijl de rechtbank hier op 12 oktober 2026 van in kennis is gesteld.
De rechtbank stelt vast, wat tussen partijen ook niet in geschil is, dat de maatregel niet onverwijld aan de rechtbank is verstuurd. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5462) waaruit volgt dat er sprake is van een onverwijlde kennisgeving als deze binnen zes uur na de oplegging van de bewaringsmaatregel naar de rechtbank is verstuurd. Deze uitleg van het begrip ‘onverwijld’ geldt ongeacht de omstandigheden van het geval en de aanleiding voor een eventueel uitstel. De maatregel van eiseres is op 10 oktober 2026 om 19:04 uur opgelegd en de kennisgeving is op 12 oktober 2026 om 08:15 uur naar het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken van de rechtspraak gemaild. De kennisgeving is daarmee niet onverwijld gedaan.
Uit de Afdelingsuitspraak van 17 september 2026 volgt verder dat als een kennisgeving niet onverwijld is verstuurd, dit een maatregel op zichzelf nog niet onrechtmatig maakt. Dit is alleen het geval als de maatregel, gelet op de ernst van het gebrek en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, niet meer gerechtvaardigd is. Bij die belangenafweging is in het bijzonder van belang in hoeverre de vreemdeling door de gang van zaken is geschaad in haar verdediging. Verder volgt uit de uitspraak dat een kennisgeving binnen 48 uur na oplegging van de maatregel weliswaar niet onverwijld is, maar binnen een aanvaardbare termijn valt om het beroep te kunnen behandelen. Naar het oordeel van de rechtbank wegen de belangen van verweerder bij voortzetting van de maatregel zwaarder dan de belangen van eiseres bij opheffing van de maatregel. De rechtbank acht hierbij met name van belang dat de kennisgeving binnen 48 uur na oplegging van de maatregel is verzonden en dat de rechtbank nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel uitspraak kan doen op het beroep. Eiseres krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de aan haar opgelegde bewaringsmaatregel waardoor niet valt in te zien dat zij door het niet onverwijld versturen van de kennisgeving in haar verdediging is geschaad. De rechtbank ziet in het gebrek daarom geen reden om de maatregel op te heffen.
Overlap screening en asielgrensprocedure
3. Eiseres voert aan dat de screeningsprocedure nog niet was geëindigd toen de grensdetentie aanving. Volgens eiseres dienen dit op grond van het Unierecht opeenvolgende fasen te zijn, waarbij de voorlopige medische controle een verplichte fase van de screening is die niet kan worden uitgesteld tot de grensprocedure. De detentiemaatregel die op beide grondslagen steunt is derhalve onrechtmatig.
De rechtbank constateert dat in de vrijheidsontnemende maatregel een kruisje is gezet bij vrijheidsontneming ten aanzien van de screeningsprocedure en bij vrijheidsontneming ten aanzien van de asielgrensprocedure. Deze omstandigheden kunnen echter niet naast elkaar bestaan. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van de Screeningsverordening volgt immers dat verzoekers die aan de buitengrens om internationale bescherming verzoeken, worden gescreend voordat zij naar een passende procedure worden doorverwezen. Hierin ziet de rechtbank echter geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077, r.o. 7 en 7.1. Artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 voorziet namelijk zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure. Bovendien heeft verweerder ter zitting toegelicht dat het kruisje bij vrijheidsontneming ten aanzien van de screeningsprocedure ten onrechte is aangevinkt. Voor zover eiseres een beroep doet op de wijze waarop de screening is uitgevoerd, waaronder de voorlopige medische controle, dient eiseres dit aan de orde te stellen in een eventueel beroep tegen de beslissing op haar asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.
Rechtsbijstand voorafgaand gehoor
4. Eiseres voert aan dat haar voorafgaand aan de oplegging van de maatregel ten onrechte geen rechtsbijstand is geboden. Volgens eiseres brengt een zorgvuldige oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel met zich mee dat zij als asielzoeker recht heeft op rechtsbijstand.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt en wijst in dat verband op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 24 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6222, welke in hoger beroep is bevestigd door de Afdeling op 8 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2286. De rechtbank overweegt in die uitspraak dat weliswaar sprake is van een op relevante onderdelen vergelijkbare positie met vreemdelingen van wie op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Vw de vrijheid wordt ontnomen, maar dat voor het ontbreken van een piketregeling in procedures zoals onderhavige een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Die rechtvaardiging is voornamelijk gelegen in het feit dat vreemdelingen aan de grens nog niet zijn toegelaten en vreemdelingen “in het land” wel. Daarnaast overweegt de rechtbank in de uitspraak van 24 juni 2022 dat vreemdelingen die aan de grens asiel hebben aangevraagd en over wie de beslissing tot toegang daarom is uitgesteld, een folder krijgen uitgereikt met informatie over rechtsbijstand en in het kader van die asielprocedure een raadsman krijgen toegewezen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid om rechtsbijstand te krijgen in zaken waarin de vreemdeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd, voldoende gewaarborgd. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze procedure anders te oordelen. Ook in het geval van eiseres is een folder met informatie over rechtsbijstand uitgereikt in een voor haar begrijpelijke taal en is een raadsman toegewezen in het kader van de asielprocedure.
Lichter middel
5. Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast dan grensdetentie. Het verzoek van eiseres om de asielprocedure te mogen afwachten in een open opvang is volgens haar ten onrechte afgewezen met een standaardmotivering. Volgens eiseres wordt door verweerder standaardmatig grensdetentie opgelegd onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, hetgeen geen recht doet aan het ultimum remedium karakter van de detentiemaatregel. Eiseres doet in dit kader een beroep op de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:26975, waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de gehanteerde werkwijze.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077, volgt dat door verweerder in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag worden gezien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. De rechtbank volgt deze uitleg en ziet dan ook geen aanleiding om de door zittingsplaats Amsterdam gestelde prejudiciële vragen af te wachten.
Verder heeft de Afdeling in de uitspraak van 2 september 2026 geoordeeld dat de beoordeling van verweerder of met een lichter middel had moeten worden volstaan, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de vragen die hij in het gehoor aan eiseres heeft gesteld, voldoende heeft onderzocht of de grensdetentie voor eiseres onevenredig bezwarend is. Zo is geïnformeerd naar de medische omstandigheden van eiseres, gevraagd of eiseres familieleden in Nederland of in de Europese Unie heeft die hier rechtmatig verblijven en eiseres in de gelegenheid gesteld andere omstandigheden aan te voeren. Eiseres heeft in het gehoor geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in de maatregel, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
6. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiseres niet leiden tot het oordeel dat de grensdetentie tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
7. Ook los van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de grensdetentie tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858).
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.