Vreemdelingenrecht
Grensdetentie ex artikel 6, derde lid, van de Vw. De rechtbank heeft al geoordeeld over de rechtmatigheid van…
Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31698 · Rechtbank Den Haag · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31698
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.62671 en NL26.63087
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31698
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Grensdetentie ex artikel 6, derde lid, van de Vw. De rechtbank heeft al geoordeeld over de rechtmatigheid van de maatregel van 14 oktober 2026. De rechtbank verklaart het tweede beroep tegen deze maatregel daarom niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.62671 en NL26.63087
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. F. Lavell),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
Procesverloop
1. Bij besluit van 14 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank tweemaal in kennis gesteld van het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, namelijk op 16 oktober 2026 en 17 oktober 2026. Deze kennisgevingen worden gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Deze beroepen moeten ook worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 oktober 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is via een beeldverbinding vanuit het Justitieel Complex Schiphol verschenen. De gemachtigde van eiser is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Een tolk en de gemachtigde van de minister zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. Eiser heeft op de zitting te kennen gegeven dat hij zonder zijn advocaat geen gesprek wil voeren en heeft afstand gedaan van zijn recht om te worden gehoord. De rechtbank heeft de behandeling zonder eiser en zijn gemachtigde voortgezet en het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank ten aanzien van NL26.62671
Toetsingskader
2. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.
3. Grensdetentie als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw wordt toegepast zolang het de vreemdeling wordt toegestaan als verzoeker op het grondgebied te verblijven of niet wordt verwijderd.
4. De vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en alleen als geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die grensdetentie onevenredig bezwarend maken.
Onverwijlde kennisgeving
5. De rechtbank stelt vast dat de vrijheidsontnemende maatregel op 14 oktober 2026 is opgelegd en dat de minister de rechtbank op 16 oktober 2026 hiervan in kennis heeft gesteld. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 september 2026 geoordeeld dat een kennisgeving onverwijld is verstuurd indien deze binnen zes uur na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel naar de rechtbank is verstuurd. Dit betekent dat de minister in dit geval de rechtbank niet onverwijld in kennis heeft gesteld van de aan eiser opgelegde maatregel. Dit maakt de maatregel op zichzelf nog niet onrechtmatig. Het niet nakomen van de verplichting om de rechtbank onverwijld in kennis te stellen van een vrijheidsontneming maakt de vrijheidsontnemende maatregel alleen onrechtmatig als de maatregel, gelet op de ernst van het gebrek en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, niet meer gerechtvaardigd is.
De belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van de minister uit. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat eiser door deze gang van zaken is geschaad in zijn verdediging. De rechtbank heeft het beroep tijdig kunnen behandelen en kan nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel uitspraak doen over de rechtmatigheid daarvan. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming. Ook overigens is niet gebleken dat hij nadeel heeft ondervonden van de niet onverwijlde kennisgeving. De rechtbank ziet daarom geen reden om de maatregel op deze grond op te heffen.
Wat vindt eiser?
6. Eiser voert aan dat de grondslag voor het bestreden besluit is komen te vervallen omdat hij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Het bestreden besluit kan daarom volgens hem niet in stand blijven. Gemachtigde heeft bij brief van 23 oktober 2026 meegedeeld dat eiser hem op 22 oktober 2026 heeft laten weten de aanvraag te willen intrekken. Gemachtigde heeft verder aangegeven geen toegang te hebben tot het IND-dossier van eiser, mede door storingen op het IND-portaal. Hij kan daarom niet nagaan of de minister de intrekking al heeft verwerkt.
Standpunt van de minister
7. De minister stelt zich op het standpunt dat bij de IND geen intrekking bekend is. Ook ziet hij niet in waarom gemachtigde het dossier niet zou kunnen inzien. Verder wijst de minister erop dat in de maatregel ten onrechte staat dat de eerder opgelegde maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw is omgezet in een maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wegens een herhaalde asielaanvraag. De omzetting is volgens de minister het gevolg van de voorlopige voorziening die op 13 oktober 2026 is toegewezen. Eiser had die voorziening gevraagd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag van 24 augustus 2026. Daarnaast voert de minister aan dat een opvolgende aanvraag die wordt ingediend terwijl op de eerdere aanvraag nog niet onherroepelijk is beslist, niet wordt aangemerkt als nieuw verzoek maar als nadere verklaring. Hij verwijst daarvoor naar WI 2026/23 en artikel 55 van de Procedureverordening.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank stelt vast dat eiser op 24 augustus 2026 aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend. Die aanvraag is bij besluit van 17 september 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft die op 13 oktober 2026 toegewezen, zodat eiser niet mag worden uitgezet totdat op het beroep is beslist. Nu verwijdering door de voorlopige voorziening is uitgesloten, kon de maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw niet in stand blijven. Eiser mag als verzoeker op het grondgebied verblijven totdat op het beroep is beslist. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Dat in de M113 onjuist is vermeld dat een herhaalde asielaanvraag de reden voor de omzetting is geweest, maakt de maatregel niet onrechtmatig, omdat de grondslag ook zonder die vermelding standhoudt.
De rechtbank overweegt verder dat uit het dossier en de toelichting van de minister op de zitting niet is gebleken dat eiser zijn asielaanvraag formeel heeft ingetrokken. Eiser heeft dat ook niet met stukken onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de grondslag voor de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw is komen te vervallen.
Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.
9. Het beroep is ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank ten aanzien van NL26.63087
Is het beroep ontvankelijk?
10. De minister heeft bij brief van 21 oktober 2026 en nogmaals op de zitting toegelicht dat de kennisgevingsrobot met vertraging op 17 oktober 2026 een tweede kennisgeving heeft verstuurd van dezelfde maatregel. De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld over de rechtmatigheid van de maatregel van 14 oktober 2026. De rechtbank verklaart het tweede beroep tegen deze maatregel daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep met zaaknummer NL26.62671 is ongegrond. Het beroep met zaaknummer NL26.63087 is niet-ontvankelijk.
Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep met zaaknummer NL26.62671 ongegrond;
-
verklaart het beroep met zaaknummer NL26.63087 niet-ontvankelijk;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.