Vreemdelingenrecht

Beroep niet tijdig. Asielaanvraag. Gegrond.

Rechtbank Den Haag, 9 juni 2022

Zaakgegevens

Op 9 juni 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
9 juni 2022
Datum publicatie
15 juni 2022
Zaaknummer
NL22.3910
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:5728
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep niet tijdig. Asielaanvraag. Gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL22.3910


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: 289.307.2616

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: P. Ozturk).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het verzoek van verweerder om de zaak aan te houden afgewezen.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.

2. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

3. In het geval van eiser bedraagt de beslistermijn op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zes maanden. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden om de beslistermijn te verlengen. Eiser heeft zijn asielaanvraag ingediend op 10 november 2020. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 10 mei 2021 een beslissing had moeten nemen. Eiser heeft verweerder op 8 februari 2022 rechtsgeldig in gebreke gesteld. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 8 maart 2022 het beroep heeft ingesteld. Het beroep is kennelijk gegrond.

4. Eiser verzoekt de rechtbank om verweerder op te dragen binnen vier weken alsnog een besluit te nemen en aan de uitspraak een dwangsom te verbinden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het 8+8-wekenmodel is aangewezen en dat het op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND niet meer mogelijk is om aan de uitspraak een dwangsom te verbinden.

5. Op grond van artikel 8:72, vierde lid, onder b, van de Awb kan de bestuursrechter het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van een besluit.

6. In dit geval heeft verweerder op 1 juni 2022 een uitnodiging verzonden waarin ook het verdere verloop van de algemene asielprocedure van eiser wordt geschetst. Deze uitnodiging gaat ervan uit dat op 24 juni 2022 een beslissing wordt genomen op eisers asielaanvraag. De rechtbank zal daarom verweerder opdragen om binnen drie weken een besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser.

7. Op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND zoals deze luidt met ingang van 11 juli 2021 is de rechtbank niet bevoegd om aan deze uitspraak een dwangsom te verbinden. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat artikel 1 van deze wet in strijd zou zijn met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank volgt de door verweerder aangehaalde uitspraak op dit punt niet.

8. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 379,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5. De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:

? verklaart het beroep gegrond;

? vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

? draagt verweerder op om binnen drie weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de asielaanvraag van eiser;

? veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 379,50 (driehonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Zoals uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 24 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2641. De rechtbank verwijst hierbij naar de eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3930.